Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/18.3.1
18.3.1 De pauliana is van toepassing op dividenduitkeringen
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402392:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 23 maart 2011, RO 2011/48. Het Hof Arnhem heeft echter geoordeeld dat de pauliana niet van toepassing is op een splitsingsbesluit (zie hof Rb. Zutphen 29 december 2010, JOR 2011/302 en Hof Arnhem 25 september 2012, LJN BX8863 (Favini), r.o. 4.16. Zie over deze zaak Schoonbrood & Van de Hoek 2011, p. 883-885).
Wessels III 2010, nr. 3280.
Zie Schutte-Veenstra 2012, p. 183-184, Boschma & Schutte-Veenstra 2012b, par. 3.4, Stokkermans 2012, voetnoot 6, De Weijs & Barneveld 2010, p. 38-47, Van Schilfgaarde/Winter 2009, nr. 91, Hoff 2009, p. 26, A-G Timmerman in zijn conclusie bij HR 19 december 2008, JOR 2009/172 en NJ 2009, 220 (Air Holland), Verkerk 2008, p. 49, Wessels 2007, p. 66, Lennarts 2006c, p. 12, en Winter 1992, p. 236.
Rb. Midden-Nederland 16 januari 2013, JOR 2013/97 (De Vries q.q./Tijhuis), Rb. Den Haag 9 januari 2013, JOR 2013/96 (Berntsen q.q./Van Noorden), Hof Arnhem 27 maart 2012, r.o. 4.25 (Udo Holding) (niet gepubliceerd), Rechtbank Utrecht (vr) 23 april 2010, JOR 2011/91 (Boers q.q./ Kasberg Beheer).
De minister overwoog: “Artikel 216 bevat een specifieke regeling ten opzichte van de algemene regeling van de actio pauliana. Het ligt dan in de rede dat de vennootschap, dan wel de curator, zich beroept op artikel 216 en niet op artikel 42 Fw ingeval een uitkering heeft geleid tot het niet kunnen voortgaan met het betalen van de opeisbare schulden door de vennootschap […]. […] Na goedkeuring ontvangen de aandeelhouders de uitkering en zal de curator zich op artikel 216 kunnen beroepen om (een deel van) de uitkering terug te vorderen; ook hier zal de curator artikel 42 Fw niet nodig hebben” (Kamerstukken I 2011/12, 31 058, C, p. 13).
Zie Schutte-Veenstra 2012, p. 183-184 en mijn noot onder JOR 2012/166.
Aan de minister was de vraag gesteld of “het weliswaar ‘in de rede ligt’ dat een curator zijn vordering jegens de aandeelhouders vanwege een ongeoorloofde uitkering primair baseert op de bijzondere regel in het voorgestelde artikel 216 lid 3, maar dat aantasting van een dividenduitkering op grond van de faillissementspauliana, indien deze voldoet aan de eisen van artikel 42 Faillissementswet, tevens mogelijk blijft.” Daarop antwoordde de minister dat “het voorgestelde artikel 216 er niet aan in de weg dat de curator ten aanzien van een dividenduitkering een beroep doet op andere gronden voor aansprakelijkheid. Hetzelfde geldt voor het inroepen van gronden voor aantasting van het uitkeringsbesluit.” (Kamerstukken I 2011/12, 31 058, E, p. 16).
De faillissementspauliana wordt niet zelden ingeroepen in vennootschappelijke verhoudingen, bijvoorbeeld tegen rechtshandelingen verricht in het kader van de financiering bij oprichting, concernfinanciering en sterfhuisconstructies.1 Het uitgangspunt is dat transacties tussen onderling verbonden vennootschappen en tussen aandeelhouders en hun vennootschappen, op hun merites aan de artikelen 42 Fw e.v. moeten worden getoetst.2
In lijn hiermee wordt algemeen aangenomen dat de (faillissements)pauliana tevens van toepassing is op uitkeringen aan aandeelhouders. Hoewel de Hoge Raad dit nooit uitdrukkelijk heeft overwogen, bestaat hierover in de juridische literatuur geen discussie.3 Ook in de lagere rechtspraak is deze toepasselijkheid meermalen aanvaard.4 Verschil van mening bestaat niettemin over de wijze waarop de dividenduitkering in het systeem van de pauliana moet worden ingepast. Mijns inziens mag het daarom opmerkelijk heten dat in de omvangrijke toelichting bij de wet Flex-BV nauwelijks aandacht is besteed aan de mogelijke samenloop van art. 2:216 BW met de pauliana. Pas tijdens het debat in de Eerste Kamer, en vanwege specifiek daarop gerichte vragen van de Kamerleden, heeft het departement enig licht laten schijnen op deze kwestie. In de Eerste Memorie van Antwoord werd aanvankelijk gesuggereerd dat de in art. 2:216 lid 3 BW vervatte restitutieverplichting voor aandeelhouders een lex specialis van de (faillissements)pauliana betrof.5 Deze overweging gaf echter aanleiding tot kritiek in de juridische literatuur, en tot nieuwe Kamervragen, zodat het departement in de Tweede Memorie van Antwoord op haar schreden terugkeerde.6 Daarin werd uitdrukkelijk overwogen dat art. 2:216 lid 3 BW niet in de weg staat aan de vernietiging van een dividend op grond van de pauliana.7