Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.3.1
7.3.1 Inleiding
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS393472:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJEU 18 juli 2013, C-426/11, JAR 2013/216.
Richtlijn nr. 77/187 van 14 februari 1977 over het behoud van rechten bij overgang van ondernemingen is gewijzigd bij richtlijn 98/50 van 29 juni 1998 en, laatstelijk, bij richtlijn 2001/23 van 21 maart 2001, PbEG 22 maart 2001, L 82/16.
Zie onder meer R.M. Beltzer, ‘Overgang van onderneming en cao’, ARBAC 2011; J.H. Even, ‘Toepasselijke cao bij overgang van onderneming – 10 scenario’s’, TAP Special 2009/2; HvJEU 8 april 201, AR 2011, 0279, m.nt. A.R. Houweling, ‘Permanente nawerking van minimum cao’s: een tijdbom onder het cao-recht?’; HvJEU 18 juli 2013, AR 2013, 556, m.nt. R.M. Beltzer, ‘Het incorporatiebeding als tweederangs contractuele bepaling’; N. Jansen, ‘Cao’s en overgang en de betekenis van art. 14a Wet CAO’, ArbeidsRecht 2017/17; F. Dorssemont, ‘De binding van werkgevers aan collectieve arbeidsovereenkomsten’, ArA 2014, afl. 2; N. Jansen, ‘Parkwood: (vooral) oude wijn in nieuwe zakken’, ArA 2014, afl. 1.
Er zijn situaties denkbaar waarin meerdere cao’s van toepassing kunnen zijn op één arbeidsverhouding. Twee cao’s kunnen elkaar qua werkingssfeer overlappen, waardoor één arbeidsverhouding onder de werkingssfeer van beide cao’s kan vallen, maar het is ook mogelijk dat op één arbeidsverhouding zowel een bedrijfstak-cao als een ondernemings-cao van toepassing is. Samenloopproblemen doen zich eveneens voor bij de overgang van een onderneming wanneer een verkrijger gebonden is aan een eigen branche- of ondernemings-cao en door de overgang gehouden wordt een voor de vervreemder geldende andere cao toe te passen. De samenloop van cao’s brengt voor individuele werkgevers en werknemers in de praktijk rechtsonzekerheid mee, omdat niet altijd duidelijk is welke verplichting ten aanzien van een bepaald onderwerp op enig moment bestaat. Denk aan de betaling van premies aan een pensioen- of scholingsfonds, maar ook aan de hoogte van beloningen en allerhande toeslagen. In het huidige cao-stelsel zijn regels en uitgangspunten ontwikkeld die samenloop van cao’s moeten voorkomen of beperken, doordat bijvoorbeeld aan een cao voorrang wordt verleend boven een andere cao of doordat geen verbindendverklaring van cao-bepalingen plaatsvindt. Een mechanisme van voorrangverlening is uitgangspunt bij de samenloop van cao’s bij overgang van onderneming net als bij de samenloop van verbindend verklaarde cao-bepalingen van een branche-cao en een ondernemings-cao. In het laatste geval gaat – kort gezegd – de branche-cao voor op de ondernemings-cao, tenzij dispensatie is verleend. Als bepalingen van de branche-cao niet verbindend zijn verklaard, kan een werkgever samenloop voorkomen door het lidmaatschap van de werkgeversorganisatie op te zeggen (rekening houdend met opzegtermijnen) voordat hij een cao op ondernemingsniveau afsluit. Wanneer twee cao’s elkaar qua werkingssfeer overlappen, hoeft dat in de praktijk niet tot problemen te leiden. Een werkgever die wel lid is van de werkgeversvereniging die de ene cao afsluit, maar niet lid is van de werkgeversvereniging die een andere cao afsluit, is wel gebonden aan de ene cao, maar niet aan de andere. Lastiger wordt het wanneer één werkgeversvereniging bij overlappende cao’s partij is of wanneer van bepalingen van overlappende cao’s de verbindendverklaring wordt verzocht. Indien cao’s elkaar qua werkingssfeer overlappen, worden ter voorkoming van samenloopproblemen de bepalingen van overlappende cao’s niet verbindend verklaard. In deze paragraaf bespreek ik twee situaties van samenloop: overlappende werkingssferen bij verbindendverklaring en de samenloop van een verbindend verklaarde branche-cao en een ondernemings-cao. Ik bespreek specifiek deze twee situaties omdat in de systematiek die uit het cao-stelsel volgt ter voorkoming van samenloopproblemen, de collectieve onderhandelingsvrijheid (direct of indirect) wordt ingeperkt en het in het kader van dit onderzoek interessant is te bezien of bij die inperking de representativiteit van de betrokken vakbonden een rol speelt.
Bij de overgang van een onderneming wordt de collectieve contractsvrijheid ook doorkruist, maar dit onderwerp laat ik buiten beschouwing. De voorrangverlening bij overgang van onderneming houdt immers veeleer verband met de doelstelling van de richtlijn omtrent de overgang van ondernemingen (welke doelstelling overigens is genuanceerd door het Europese Hof1) dat werknemers bij een overgang behouden wat zij hadden.2 Dit uitgangspunt ligt ook ten grondslag aan de systematiek die uit de richtlijn voortvloeit met betrekking tot de rechten en verplichtingen uit collectieve overeenkomsten. Mede met het oog op de vakverenigingsvrijheid en het recht op collectieve onderhandelingen is in de richtlijn een voor collectieve overeenkomsten bijzonder regime opgenomen. Dit regime brengt mee dat een verkrijger weliswaar gehouden is de cao van de vervreemder na de overgang te handhaven, maar deze handhavingsverplichting is in de tijd beperkt. In de literatuur is overigens veel geschreven over de overgang van onderneming en collectieve overeenkomsten, waarnaar ik op deze plaats verwijs.3