Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.4.1.1
6.4.1.1 Externe aansprakelijkheid van bestuurders voor schulden van de stichting
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232394:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, NJ 2018/330, m.nt. P. van Schilfgaarde. Hoewel het arrest gewezen is voor een vennootschap, mag worden aangenomen dat dit ook geldt voor een stichting, zie Asser/Rensen 2-III 2017/338a; Hof Arnhem-Leeuwarden 7 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7119, RN 2019/23.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/469. Zie ook Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/199. Het uitgangspunt is hoe een redelijk bekwame en voor zijn taak toegeruste bestuurder in de gegeven omstandigheden zou handelen, HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360, m.nt. J.M.M. Maeijer (Staleman/Van de Ven). Deze norm geldt niet alleen voor een professionele organisatie, maar ook voor de bestuurder van een vrijwilligersorganisatie, T.F.H. Reijnen, ‘Artikel 2:9 BW geldt ook voor een vrijwilliger als bestuurder’, JBN 2012/55. In de literatuur bestaat veel kritiek op het ‘persoonlijk ernstig verwijt’-criterium, zie voor een overzicht, W.A. Westenbroek, ‘Het trustkantoor als bestuurder en ‘omgaan’ in het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht’ (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:2018:470)’, Onderneming en Financiering 2018/3.
Als de statuten van de bij dode opgerichte stichting verplichten tot aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving, dan moet het bestuur hieraan voldoen. Doet het bestuur dat niet, dan wordt de omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die beogen de rechtspersoon te beschermen, als een zwaarwegende omstandigheid aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van artikel 2:9 BW vestigt, HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011, NJ 2003/455 (Schwandt/Berghuizer Papierfabriek). Dit betreft echter geen externe aansprakelijkheid. In tegenstelling tot de interne bestuurdersaansprakelijkheid, geldt het beginsel van collectieve aansprakelijkheid niet bij externe bestuurdersaansprakelijkheid, HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, NJ 2018/330, m.nt. P van Schilfgaarde.
Het is belangrijk te beseffen dat het hier niet de aansprakelijkheid van een erfgenaam (de stichting) betreft, maar de aansprakelijkheid van de bestuurders van die stichting. Uiteraard is elke erfgenaam gehouden de belangen van de schuldeisers in het oog te houden. Doet hij dat niet en is sprake van onrechtmatig handelen, zal dat tot aansprakelijkheid leiden. De gevolgen zijn echter gering: hij was als erfgenaam al aansprakelijk. Wellicht wordt het deel waarvoor hij aansprakelijk was groter. (De aansprakelijkheid is niet voor alle schulden gelijk. Zie daarover W.D. Kolkman Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, met name paragraaf 2.2 en 2.3). Verder is het algemene vermogensrecht van toepassing. Zo kan artikel 3:45 BW wellicht ingeroepen worden en wellicht artikel 4:182 lid 2 letters b en c BW. Dit staat echter los van de situatie als hier bedoeld. In de door mij besproken gevallen speelt de mogelijke aansprakelijkheid van een niet-schuldenaar, de bestuurders van de stichting-erfgenaam. Deze bestuurders zijn uitsluitend dan aansprakelijk voor schulden in geval zij hun bestuurstaak onbehoorlijk hebben uitgeoefend.
Artikel 430 Rv. Een geldlening in een notariële akte mag dan een executoriale titel opleveren, verhaalsvoorrang heeft deze vordering niet, evenmin is de schuldeiser separatist in de zin van artikelen 57 tot en met 60 Fw.
Vgl. Hof Leeuwarden 19 juni 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX4239, NJF 2012/351 (Stichting Racing Team Drenthe). In deze zaak ging het om schade door het besluit tot ontbinding van een stichting. Ik zie niet waarom dat anders zou zijn bij schade door een ander overijld en te lichtvaardig besluit.
Zie Asser/Rensen 2-III 2017/338a, waar – mijns inziens terecht – verdedigd wordt dat stilzitten ook kan leiden tot een ernstig verwijt. Zie ook HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, NJ 2018/330, m.nt. P van Schilfgaarde.
Zie voor de vereffeningsprocedure Asser/Perrick 4 2017/599a; Handboek Erfrecht, B.M.E.M. Schols 2015/XVI.
Indien een stichting tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, geldt als uitgangspunt dat alleen de stichting aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die stichting, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de stichting. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de stichting hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de stichting. Voorts vordert het maatschappelijk belang dat bestuurders hun handelen niet te zeer door defensieve overwegingen laten bepalen.
Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en de ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.1
Een bekende grond voor externe bestuurdersaansprakelijkheid vloeit voort uit benadeling van een schuldeiser van een rechtspersoon door het niet betaald en niet verhaald blijven van diens vordering. Dit geldt voor de bestuurder die:
namens de rechtspersoon heeft gehandeld, (hierna: grond A) of heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of
contractuele verplichtingen niet nakomt (hierna: grond B), en tevens
een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.2
De grondslag voor deze aansprakelijkheid is onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).
Hoe verhoudt deze norm zich tot de krachtens erfrecht verkregen verplichtingen? Als de bij dode opgerichte stichting erfgenaam is, zijn daardoor de bezittingen en schulden van de erflater, bezittingen en schulden van de stichting geworden. Is aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving daardoor ook noodzakelijk als – gerede – kans bestaat dat de nalatenschap negatief is?3 Indien het bestuur van de stichting weet of behoort te weten dat het saldo van de nalatenschap, en daardoor ook het vermogen van de stichting, negatief is, is het bestuur dan niet gehouden de belangen van alle schuldeisers van de nalatenschap – en daardoor van de stichting – in het oog te houden?4
Als de stichting wegens onvoldoende saldo van de nalatenschap de schulden van de nalatenschap niet kan voldoen, is sprake van een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst of wettelijke plicht. Als deze tekortkoming de stichting als schuldenaar kan worden aangerekend, verplicht deze tekortkoming de schuldenaar tot vergoeding van de schade (artikel 6:74 BW).5
Ten aanzien van de bij dode opgerichte stichting kan bij schulden van de nalatenschap geen sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid op basis van grond A (handelen namens de stichting). Het is de erflater die de nagelaten schulden is aangegaan, niet de stichting. De bestuurder heeft hier geen invloed op gehad. Grond B (toelaten niet-nakoming) zou onder omstandigheden wel kunnen gelden als het handelen of nalaten van de bestuurder, ook voor schulden van de nalatenschap.
Een voorbeeld ter illustratie. Stel tot de nalatenschap behoort een huis ter waarde van € 200.000, verder bevat de nalatenschap geen activa. De schulden bedragen € 225.000, bestaande uit een geldlening door een derde verstrekt aan de erflater groot € 150.000 (de geldlening is opgenomen in een notariële akte waarin een positieve en negatieve hypotheekverklaring is opgenomen; de grosse van de akte verschaft de schuldeiser dus een executoriale titel6) en overige schulden van € 75.000. Stel nu dat het bestuur onder dreiging van executie van het huis, het huis verkoopt en de geldlening aan de derde voldoet, dan kunnen de overige schulden niet meer volledig worden voldaan. In dat geval is de bij dode opgerichte stichting haar wettelijke verplichtingen – betaling van de overige schulden – niet nagekomen. Ik meen dat de bestuurders hiervan onder omstandigheden een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit zou het geval kunnen zijn als het besluit tot betaling overijld en te lichtvaardig is genomen.7 Ook het niet-aanvaarden van de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving zou aanleiding kunnen zijn voor een persoonlijk ernstig verwijt, als een bestuurder zich hier niet hard voor maakt.8
Het bovenstaande maakt dat ik van mening ben dat het bestuur de nalatenschap van de erflater/oprichter van de stichting beter kan aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Door op deze wijze te aanvaarden treedt de vereffeningsprocedure van afdeling 4.6.3 BW in werking.9 Gedurende de vereffening kan een individuele schuldeiser zijn vordering op de nalatenschap slechts ten uitvoerleggen als hij separatist is in de zin van de artikelen 57 tot en met 60 Fw. Als de nalatenschap negatief is en de erfgenaam (de bij dode opgerichte stichting) onvoldoende eigen vermogen heeft, is het in het belang van de schuldeisers dat de vereffeningsprocedure wordt doorlopen zodat alle schuldeisers zo veel mogelijk voldaan krijgen met inachtneming van hun voorrechten en preferenties.10 Als hiervoor in 6.4 al aangestipt, mag hierbij niet uit het oog worden verloren dat de bij dode opgerichte stichting per definitie direct na haar oprichting geen ander vermogen heeft dan dat verkregen uit de nalatenschap of uit een levensverzekering en geen andere schulden dan schulden van de nalatenschap. Als het bestuur van de bij dode opgerichte stichting ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’ niet weet te voorkomen – waardoor de meest assertieve schuldeisers betaald krijgen en de overige schuldeiser wellicht het nakijken hebben – zou sprake kunnen zijn van een ernstig persoonlijk verwijt, dat leidt tot bestuurdersaansprakelijkheid uit grond B (toelaten van niet-nakoming).
Het zuiver aanvaarden van een nalatenschap kan de bestuurders van een stichting daardoor zwaar op de maag komen te liggen.