Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/6.3
6.3 Het slachtoffer: aangifte, klacht tegen niet vervolgen, voeging als benadeelde partij en spreekrecht
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 75-77.
Art. 44 lid 5 Wet op de rechtsbijstand luidt: 'Ongeacht de draagkracht is rechtsbijstand aan een slachtoffer van een misdrijf tegen de zeden of een geweldsmisdrijf kosteloos, indien in de desbetreffende zaak vervolging is ingesteld en het slachtoffer overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven in aanmerking komt voor een uitkering.'
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 78.
Stijnen, JKB Verslag 1992-1995 (Justitieel Klachten Buro Rotterdam, 1996), hoofdstuk 4.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 80.
EHRM 26 maart 1985, no. 8978/80 (X and Y). Zie verder het recht op handhaving in hoofdstuk 2.
Zie 1-1R 8 mei 2007, LJN AZ6708, par. 3.6.
De lasterlijke klacht behelst het opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid een valse klacht of aangifte op schrift (doen) stellen, waardoor de eer of goede naam van die persoon wordt aangerand (art. 268 Sr). Op dit delict staat maximaal twee jaar gevangenisstraf, terwijl op de gewone valse aangifte of klacht, die bestaat uit het opzettelijk aangifte of klacht doen van een delict waarvan men weet dat het niet is gepleegd (art. 188 sr), maximaal een jaar staat.
BR 7 maart 1972, NJ 1973/35.
Hof Amsterdam 21 januari 2009, LJN BH0496 (Wilders).
Hierdoor kan het hof het opportuniteitsbeginsel van het OM respecteren.
Onder meer HR 7 april 2006, LJN AU9736; 19 oktober 2007, NJ 2008/26 en 25 april 2008, LJN BD0457.
Ik ga hier uit van de wettekst per 1 januari 2011 (Stb. 2010, 1 en 291).
BR 11 april 2006, LJN AV 4007 .
Kamerstukkenil 1989/90, 21 345, nr. 3, p. 11: 'Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces.'
HR 12 februari 2002, LJN AD6993. Op grond van eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad kwam A-G Wortel tot een andere conclusie bij dit arrest.
Hof Arnhem 13 februari 2009, RF 2009/40.
Rb Amsterdam 24 juni 2009, LJN BJ5134 en 11 januari 2010, LJN BL0547 (Golden Sun). In die laaste zaak oordeelde de rechtbank overigens wel dat de curator die zich wilde voegen als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard diende te worden.
BR 9 december 2008, LJN BF5074, par. 5.4.
Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 6, p. 1 en BR 20 juni 1989, NJ 1990/93.
Rb Amsterdam 24 juni 2009, LJN BJ5134.
Zie voor een en ander BR 19 maart 2002, LJN AD8963.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 86.
Art. 3 Kaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in het strafproces (Pb. L. 82, 22 maart 2001). Zie daarover verder Zwartjes, 'Slachtoffer: van toeschouwer naar procespartij?', Strafblad 2008, p. 488-496.
1-11( 19 april 2002, LJN AS9314.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 87.
Vooropgesteld zij dat het vervolgingsmonopolie bij het OM ligt, zodat het slachtoffer slechts een beperkte rol kan spelen in het strafproces. Hoewel in Nederland niet veel discussie is over het uitgangspunt dat het slachtoffer niet zelf een strafzaak kan entameren zijn er in de loop der tijd wel een aantal wettelijke maatregelen getroffen om de positie van het slachtoffer te versterken.1 Welke rechten heeft het slachtoffer wel? Het slachtoffer kan zich laten bijstaan door een raadsman. Dit lijkt evident: ieder kan zich immers in het rechtsverkeer laten bijstaan door een raadsman. Waar het hier echter om gaat is dat in bepaalde gevallen de rechtsbijstand aan het slachtoffer kosteloos is.2
Het slachtoffer kan aangifte doen van het delict waarvan hij slachtoffer is geworden. Het slachtoffer oefent in het strafrecht vooral een negatieve controle uit op het strafrechtapparaat,3 zonder aangifte zal er veelal geen sprake zijn van opsporing en dus niet van vervolging. De aangiftebereidheid is dus van belang voor het aantal geregistreerde misdrijven. Ook hier geldt dat niet sprake is van een exclusief recht van het slachtoffer, want ingevolge art. 161 Sv is een ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit bevoegd daarvan aangifte of klacht te doen. Dit recht correspondeert met een plicht van de opsporingsambtenaren tot het in ontvangst nemen van een mondelinge of schriftelijke aangifte, zo volgt uit art. 163 lid 5 Sv, waarbij voorts de mondelinge aangifte door de ambtenaar op schrift wordt gesteld. De plicht om een aangifte in ontvangst te nemen wordt wel eens 'vergeten' door politiefunctionarissen, zo is de ervaring.4 Overigens is ā behoudens het geval dat de aangever zich zelf daarmee incrimineert of verschoonbaarheid ā sprake van een aangifteplicht ingeval kennis wordt gedragen van bepaalde ernstige misdrijven alsmede ā en ditmaal ongeclausuleerd ā ingeval kennis wordt gedragen van het feit dat iemand wordt gevangen gehouden op een niet daarvoor bestemde plaats (art. 160 Sv). Voor 'openbare colleges en ambtenaren die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast', geldt voorts dat zij verplicht zijn daarvan onverwijld bij het OM gedocumenteerd aangifte te doen ingeval het kort gezegd gaat om ambtsmisdrijven (art. 162 Sv).
Van de aangifte moet worden onderscheiden de klacht, die bestaat uit een 'aangifte met een verzoek om vervolging' van een delict dat alleen op klacht vervolgbaar is (art. 164 Sv). Een aantal delicten kan uitsluitend worden vervolgd nadat een dergelijke klacht is gedaan. Hier doet zich de negatieve controle door het slachtoffer, zijn naasten, nabestaanden of wettelijke vertegenwoordiger5 het sterkst gevoelen. Deze delicten zijn onder te verdelen in zogenoemde absolute en relatieve klachtdelicten.6 absolute klachtdelicten zijn wegens de specifieke aard ervan slechts vervolgbaar op klacht van het slachtoffer. Te denken valt bijvoorbeeld aan belediging van anderen dan officials (art. 269 Sr) en aan schaking (art. 281 Sr). Bij relatieve klachtdelicten gaat het om misdrijven die gewoonlijk ambtshalve vervolgbaar zijn, maar die ingeval van een bijzondere wettelijke relatie tussen dader en slachtoffer alleen op klacht vervolgbaar zijn. Zo zijn diefstal en stroperij tussen echtelieden alleen op klacht vervolgbaar (art. 316 Sr). Een klacht kan in beginsel gedurende drie maanden worden ingediend na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het delict (art. 66 Sr). Bij bepaalde delicten geldt een klachttermijn gelijk aan de verjaringstermijn.7 De klager kan binnen acht dagen de klacht eenmalig intrekken (art. 67 Sr). Mede met het oog op de eisen die het EHRM stelt aan de mogelijkheid voor slachtoffers en hun vertegenwoordigers om effectief vervolging af te kunnen dwingen opdat de hen toekomende mensenrechten effectief worden gehandhaafd,8 zal de rechter niet te formalistisch moeten omgaan met het klachtvereiste.9 Met het oog op effectievere handhaving is in een aantal gevallen, zoals bij een aantal zedendelicten, het klachtvereiste komen te vervallen. Het doen van een valse of lasterlijke aangifte of klacht is strafbaar.10
Het slachtoffer kan niet alleen aangifte doen of een klacht indienen, maar kan ook trachten daadwerkelijk vervolging af te dwingen via een klachtprocedure bij het gerechtshof. Art. 12 Sv luidt:
`1. Wordt een strafbaar feit niet vervolgd, de vervolging niet voortgezet, of vindt de vervolging plaats door het uitvaardigen van een strafbeschikking, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof, binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging is genomen, dan wel de strafbeschikking is uitgevaardigd. Indien de beslissing is genomen door een officier van justitie bij het landelijk parket of bij het functioneel parket, is het gerechtshof te ' s-Gravenhage bevoegd.
2. Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging rechtstreeks wordt getroffen.'
Uit het tweede lid van art. 12 Sv volgt dat dit klachtrecht zich niet enkel uitstrekt tot het slachtoffer. Ook belangenorganisaties kunnen worden geacht rechtstreeks in de belangen die zij vertegenwoordigen te worden getroffen door de beslissing van het openbaar ministerie om niet te vervolgen. Volgens een al wat oudere beschikking van de Hoge Raad houdt het begrip belanghebbende in de zin van art. 12 Sv het midden tussen het te eng geoordeelde begrip benadeelde enerzijds en de als te ruim beschouwde begrippen belangstellende en een ieder anderzijds, zodat als belanghebbende slechts kan worden beschouwd iemand, die door het achterwege blijven van een strafvervolging getroffen is in een belang, dat hem bepaaldelijk aangaat.11 Een recent voorbeeld waarin dit criterium wordt toegepast vormt de beschikking van het Hof Amsterdam waarin de klacht inzake de weigering van het OM om de parlementariƫr Wilders te vervolgen wegens onder meer groepsbelediging (137c Sr) en het aanzetten tot haat (art. 137d Sr) voorlag. Het Hof overwoog:
`Het hof is van oordeel dat de juiste maatstaf gevonden kan worden in de vrees voor maatschappelijke onrust die kan ontstaan wanneer het functioneren van de democratische rechtsorde door wanorde daadwerkelijk wordt verstoord. In dat perspectief gezien, hebben individuele burgers er een concreet belang bij dat een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dient te worden afgewend. In zoverre zal het hof ā overeenkomstig de opvatting van het openbaar ministerie ā alle klagers als rechtstreeks belanghebbenden aanmerken, waardoor zij ontvankelijk zijn in hun beklag, temeer nu klagers in het bijzonder hebben geklaagd met betrekking tot groepsbelediging en het aanzetten tot haat, zijnde delicten van openbare orde, hetgeen het belang van klagers des te meer bestempelt tot een verifieerbaar en hen persoonlijk aangaand belang.' 12
Indien het beklag tot de kennisneming van het gerechtshof behoort, de klager ontvankelijk is en het gerechtshof van oordeel is dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaats hebben, beveelt het gerechtshof dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft. Tenzij het gerechtshof anders bepaalt, kan de vervolging niet worden ingesteld of voortgezet door het uitvaardigen van een strafbeschikking (art. 12i lid 1 Sv). Het gerechtshof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend (art. 12i lid 2 Sv).13 Overigens neemt het Hof niet altijd in eerste aanleg kennis van een klacht als bedoeld in art. 12 Sv. Indien het beklag een strafbaar feit betreft waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt, dan moet de klacht worden ingediend bij de Hoge Raad (art. 13a Sv). In voorkomende gevallen waarin de klachten zagen op gestelde ambtsmisdrijven door een of meer ministers oordeelde de Hoge Raad de klacht kennelijk niet-ontvankelijk omdat de opdracht tot vervolging ter zake van zodanige ambtsmisdrijven uitsluitend kan worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.14 Met het oog op de rechtszekerheid is er wel een termijn verbonden aan de beklagtermijn indien de vervolging is 'afgekocht' met een transactie; binnen drie maanden nadat de rechtstreeks belanghebbende bekend is geworden met de transactie(voorwaarden) dient de klacht te worden ingediend, met dien verstande dat die termijn niet geldt indien de verdachte niet aan de gestelde voorwaarden voldoet (art. 12k Sv). De termijn van drie maanden gaat eveneens lopen zodra de rechtstreeks belanghebbende bekend is geworden met de betekening van de kennisgeving van niet verdere vervolging aan de verdachte (art. 121 lid 2 Sv). Indien de verdachte met succes in bezwaar is gekomen tegen de beslissing tot verdere vervolging of tegen de dagvaarding is beklag uitgesloten (art. 121 lid 1 Sv).
Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding in het strafproces voegen als benadeelde partij (art. 51f lid 1 Sv).15 Gewoonlijk zal het gaan om het slachtoffer (art. 51a lid 1 Sv) of diens nabestaanden (art. 51f lid 2 Sv). Gelet op art. 51a lid 1 Sv wordt als slachtoffer aangemerkt degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Slachtoffers kunnen zowel natuurlijke als rechtspersonen zijn. Ook de fiscus kan zich voegen als benadeelde partij.16 Wat is rechtstreekse schade? Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever hier een relativiteitsvereiste voor ogen heeft gehad.17 Nabestaanden worden echter wel als benadeelde partij erkend (thans art. 51d Sv). Met betrekking tot rechtstreekse schade kan zich de vraag voordoen of de vordering van de bank die zich als benadeelde partij stelde wel verband houdt met het strafbare feit. Het oordeel van het Hof Amsterdam dat de bank schade had geleden door valsheid van de van een derde uitgegane opdracht, welke schade eruit bestond dat de bank het rekeningtegoed van de gedupeerde onderneming ter hoogte van de overboeking moest aanvullen, hield stand, alsmede diens oordeel dat er blijkbaar voldoende verband bestond tussen deze valsheid door een derde en het door de verdachte hiertoe tegen vergoeding beschikbaar stellen van zijn rekening, pinpas en pincode.18
Het voordeel is dat het slachtoffer dan niet zelf een civiele procedure hoeft te entameren om zijn schade op de dader te verhalen. Eis was destijds dat de vordering eenvoudig van aard is. Uit art. 361 lid 3 Sv (oud) volgde namelijk dat de rechtbank in het geval de vordering van de benadeelde partij naar haar oordeel niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, kan bepalen dat zij in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het Hof Arnhem oordeelde in een omvangrijke beleggingsfraudezaak waarin de benadeelden zich na een niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg nogmaals hadden gevoegd in het hoger beroep:
`De vorderingen zijn niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partijen kunnen daarom thans in hun vordering niet worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het is het hof bovendien bekend dat niet alle benadeelden zich in het strafproces hebben gevoegd. Het thans afwikkelen van slechts een klein deel van alle vorderingen zou kunnen leiden tot doublures en/of ongelijkheid van de behandeling van crediteuren, nu het hof niet op de hoogte is van de afwikkeling van de vorderingen in verschillende faillissementen. Het hof begrijpt dat bovenstaande beslissing hoogst onbevredigend is voor de benadeelde partijen, maar ziet in de gegeven situatie geen andere beslissingsmogelijkheid.'19
De rechtbank Amsterdam achtte nadien het oordeel over de vorderingen van de veertig respectievelijk tweehonderd benadeelde partijen in twee beleggingsfraudezaken daarentegen niet zodanig moeilijk dat daarover niet zou kunnen worden beslist.20 Daarbij was het ook niet noodzakelijk dat alle slachtoffers waren opgenomen in de tenlastelegging om hen als benadeelde partij te kunnen ontvangen. De Hoge Raad overwoog namelijk eerder in een beleggingsfraudezaak dat uit de bewijsvoering bleek dat niet alleen de in tenlastelegging genoemde personen waren opgelicht, maar ook anderen en dat de door die benadeelde partijen geleden schade in zodanig nauw verband stond met de bewezenverklaarde oplichting, dat die schade door de oplichting rechtstreeks aan hen is toegebracht.21 Voeging als benadeelde kon echter niet plaatsvinden ter zake van ad informandum gevoegde feiten.22 Met betrekking tot het verweer dat de benadeelden de schade aan zichelf hadden te wijten overwoog de rechtbank Amsterdam dat een beroep op art. 6:101 BW de verdachte niet kon baten. De omstandigheid dat sprake was van oplichting door verdachte (en zijn mededaders) van benadeelden bracht namelijk mee dat de mate waarin een eventueel gebrek aan zorg door de benadeelden aan de schade heeft bijgedragen in het niet viel tegenover de mate waarin het gedrag van verdachte aan de schade heeft bijgedragen. Bovendien verzette de billijkheid zich er ook tegen dat verdachte een deel van de door oplichting verkregen baten op die grond zou kunnen behouden. Inzake de hoogte van de schadevergoeding overwoog de rechtbank verder dat de wettelijke rente en de beoogde rente op de beleggingen in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking kwamen.23 Het slachtoffer kan de vordering splitsen. Hij kan zich bijvoorbeeld uitsluitend voegen inzake de materiƫle schade die hij ten gevolge van het delict heeft geleden, zich alleen voegen inzake het niet betwiste deel van de vordering of zich slechts met betrekking tot een voorschot voegen. In deze gevallen kan hij zich voor het overige tot de burgerlijke rechter wenden. Kosten van rechtsbijstand vallen niet onder de geleden schade.24
Per 1 januari 2011 is het vereiste dat de vordering eenvoudig van aard is gewijzigd. In art. 361 lid 3 Sv is thans bepaald dat indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve kan bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Voorts zijn art. 36f lid 1 Sr en art. 361 lid 2 Sv aangepast, opdat ook ter zake van ad informandum gevoegde feiten schadevergoeding kan worden gevorderd. Voor zover de verdachte nog geen 14 jaren oud is wordt de vordering van de benadeelde geacht te zijn gericht tegen de ouders of voogd van de verdachte. Die zijn verplicht te verschijnen op de terechtzitting (art. 496 Sv). Het doel van deze wetswijzigingen is de positie van het slachtoffer in het strafproces te verstevigen.
Opdat het slachtoffer daadwerkelijk de mogelijkheid krijgt zich te voegen rust op het OM een informatieplicht (art. 5 la Sv) en kan de benadeelde partij het OM en ter zitting de strafrechter vragen om relevante processtukken en kan hij zelf ook stukken indienen (art. 51b sv). De officier van justitie kan de kennisneming van bepaalde processtukken of het toevoegen van documenten weigeren in het belang van het onderzoek, dan wel in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, van de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend (art. 51b lid 3 Sv). Tegen die beslissing kan bezwaar worden gemaakt bij de rechtbank (art. 51b lid 4 Sv). De benadeelde kan zich vervolgens voor de strafzitting voegen door middel van een door het OM opgesteld formulier (art. 51g Sv). Het OM is gehouden het slachtoffer desgevraagd op de hoogte te stellen van de voortgang van de zaak en het tijdstip van de zitting (art. 51a lid 3 Sv) en op te roepen voor de zitting voor het afleggen van een verklaring (art. 51e Sv). De benadeelde partij kan ter terechtzitting stukken ter staving van de door hem gestelde schade overleggen, maar geen getuigen of deskundigen aanbrengen (art. 334 lid 1 Sv). Wel kan hij aan de getuigen en deskundigen vragen stellen voor zover die zijn vordering betreffen (art. 334 lid 3 Sv). Indien het OM de zaak seponeert moet het de benadeelde partij hierover gemotiveerd inlichten (art. 51f lid 3 Sv). Verder heeft het slachtoffer of diens nabestaande het recht op de strafzitting een verklaring af te leggen over de gevolgen die het strafbare feit voor hem heeft opgeleverd indien het gaat om een ernstig misdrijf (art. 51e en 302 Sv). Het slachtoffer kan er ook voor kiezen een schriftelijke verklaring op te stellen en die aan het OM over te leggen opdat die wordt toegevoegd aan het strafdossier. Deze laatstgenoemde vorm van niet bij wet geregelde participatie kan ook plaatshebben indien er geen sprake is van een delict dat een spreekrecht 'oplevert' .25 In de Europese context heeft daarbij voorts te gelden dat het slachtoffer ook bewijselementen mag aanleveren.26
Ten slotte kan het slachtoffer ingeval van ernstig lichamelijk letsel een aanspraak maken op een uitkering krachtens de Wet schadefonds geweldsmisdrijven indien de schade niet op andere wijze kan worden verhaald of worden vergoed (de art. 3 en 6 van die wet). Verzoeken om schadevergoeding krachtens die wet worden beoordeeld door een commissie. Bij afwijzing van de claim of bij toekenning van een onredelijke lage vergoeding kan de benadeelde kan binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de commissie is bekendgemaakt een verzoekschrift indienen bij het gerechtshof Den Haag (art. 14 Wet schadefonds geweldsmisdrijven).
De gebruikmaking door het (vermeende) slachtoffer van de bovengenoemde bevoegdheden heeft in een aantal gevallen gevolgen voor de (beoogde) verdachte. Indien de verdachte meent dat sprake is van een lasterlijke klacht kan hij daarvan aangifte doen. Indien het slachtoffer van een geweldsdelict zelf ook geweld heeft gebruikt tegen de verdachte, kan de laatste een tegenaangifte doen. Tussen slachtoffer en verdachte kan zodoende in voorkomend geval van petten worden gewisseld. Verder zal de verdachte zich wellicht willen verweren in een eventuele klachtprocedure, de vordering van de benadeelde willen betwisten en een eventuele verklaring van het slachtoffer ter zitting willen weerspreken. Deze mogelijkheden heeft de verdachte ook. Zo kan het gerechtshof pas bevelen dat vervolging plaatsheeft of wordt voortgezet, nadat eerst de persoon wiens vervolging wordt verlangd is opgeroepen, opdat die zich uit kan laten over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop het berust (art. 12e lid 2 Sv). Indien de benadeelde partij zich heeft gevoegd en het OM vervolging instelt of voortzet doet het OM zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de verdachte van die voeging, welke mededeling de inhoud van de vordering en waarop deze berust bevat (art. 51g lid 2 Sv). De verdachte kan de vordering weerspreken, maar kan niet als getuige worden gehoord ter zake van de vordering van de benadeelde, zo oordeelde Hoge Raad.27 Indien de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist bestaat de kans dat het slachtoffer als materiƫle getuige moet worden aangemerkt, met als gevolg dat de verdediging het recht op ondervraging moeilijk kan worden ontzegd. Indien de rechter er dan van afziet om het slachtoffer als getuige te beƫdigen zal hij zeer voorzichtig met de verklaring van het slachtoffer moeten omgaan, aldus Corstens.28