Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/6.8
6.8 Vervolging en sepot, transactie en strafbeschikking
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 12.
Zie de art. 167 lid 1 en 242 lid 1 Sv en Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 117 en 529.
In de hierna te bespreken Aanwijzing gebruik sepotgronden wordt onder sepot tevens begrepen het vervolgen van een strafbaar feit als overtreding, terwijl dat feit aanvankelijk was gekwalificeerd als misdrijf alsmede het wijzigen van de strafbeschikking als gevolg waarvan een aanvankelijk als misdrijf in de strafbeschikking betrokken feit alsnog als overtreding wordt gekwalificeerd.
Stcrt. 2009, 12 653.
Vooropgesteld moet worden dat reeds voor de invoering van de Wet OM-afdoening veel zaken door het openbaar ministerie werden afgedaan buiten de strafrechter om. Van het aantal misdrijfzaken werd in 2007 ongeveer 40% niet aan de aan de strafrechter voorgelegd. Het betrof hier in bijna 10% van de gevallen haalbaarheids- en opportuniteitssepots en in bijna 30% van de gevallen transacties en voorwaardelijke sepots.1 Hier zal ik stilstaan bij de diverse mogelijkheden die het OM heeft om zaken af te doen.
Vervolging behelst het door het openbaar ministerie betrekken van een strafrechter (onder wie de rechter-commissaris) in een strafzaak alsook het zonder tussenkomst van de strafrechter opleggen van een strafbeschikking. Het eerste deel van deze definitie ziet op diverse handelingen: dagvaarding van de verdachte voor het onderzoek ter terechtzitting, het vorderen van voorlopige hechtenis, de vordering tot instelling van een gerechtelijk vooronderzoek, het vorderen van een machtiging tot het instellen van een strafrechtelijke financieel onderzoek en het vorderen van een machtiging tot leggen van conservatoir beslag in de zin van art. 94a Sv.2 De voeging ad informandum betekent dat de zaak buiten de tenlastelegging om wordt voorgelegd aan de strafrechter met het oog op de strafbepaling inzake een wel ten laste gelegd delict. Het beperken van de vervolging tot de minst ernstige strafrechtelijke vorm van de gedraging zou men kunnen kwalificeren als een beperkt sepot.3
In de Aanwijzing gebruik sepotgronden4 heeft het College van procureurs-generaal de haalbaarheids- en opportuniteitsgronden gerubriceerd in een landelijke lijst. Uit die lijst kan worden afgeleid dat het OM anticipeert op het beslissingsmodel van de strafrechter. Aan die lijst kunnen onder de noemer technisch sepot namelijk de volgende haalbaarheidsgronden worden afgeleid: ten onrechte als verdachte vermeld (persoonsverwisseling, administratieve fouten van politie of parket, valse aangifte); onvoldoende bewijs (onvoldoende of niet overtuigend bewijs); niet ontvankelijk (verjaring, overlijden, klachtdelict zonder klacht, verdachte jonger dan 12 jaar of overschrijding van de redelijke termijn van art. 6 EVRM); burgerlijke rechter niet bevoegd (bijvoorbeeld in zaken waarin de militaire rechter bevoegd is); feit niet strafbaar (bestanddeel delict ontbreekt); dader niet strafbaar (noodweer of noodweer-exces in geval van psychische overmacht); onrechtmatig verkregen bewijs; bestuurlijke boete; en rechtmatige geweldsaanwending (politie)ambtenaar. De lijst bevat nog diverse andere sepotrubrieken die vooral zien op de toepassing van het opportuniteitsbeginsel. Die te onderscheiden sepotgronden hangen samen met: maatregelen genomen of nog te nemen door anderen dan de officier van justitie; de algemene rechtsorde; het gepleegde feit; de persoon van de verdachte; de verhouding tussen verdachte en benadeelde; of de beëindiging van de executie van de strafbeschikking. Ten slotte voorziet de lijst in administratief sepot wegens dubbele boeking.
Art. 74 Sr biedt de officier van justitie vanouds de mogelijkheid om voorwaarden te stellen ter voorkoming van de strafvervolging voor wat betreft overtredingen en misdrijven met een maximumstraf van niet meer dan zes jaar (lid 1). De voorwaarden die de officier kan stellen zijn: betaling van een geldsom aan de staat die niet meer bedraagt dan de wettelijke boete voor het betreffende feit; afstand van (in beslag genomen) voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring (of onttrekking aan het verkeer); betaling aan de staat van de waarde van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring; voldoening van het wederrechtelijke voordeel; gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade; en het verrichten van onbetaalde arbeid of het volgen van een leerproject gedurende ten hoogste honderdtwintig uren (lid 2). Een cumulatie van voorwaarden is niet uitgesloten. Met betrekking tot de zogenoemde politietransactie geldt dat uitsluitend de eerstgenoemde voorwaarde kan worden gesteld (art. 74c lid 2 Sr). De transactie is een voorwaardelijk sepot. Als aan de voorwaarden is voldaan vervalt het recht tot strafvordering, zo volgt uit de slotzin van art. 74 lid 1 Sr.5 Met de invoering van de strafbeschikking lijkt de transactie als bedoeld in art. 74 Sr en verder zijn langste tijd te hebben gehad. Vooralsnog wordt de transactiefiguur gehandhaafd naast deze nieuwe OM-afdoening. Indien de hiervoor opgesomde voorwaarden worden opgelegd met een strafbeschikking als bedoeld in art. 257a-257ba Sv, waarover zometeen meer, is geen sprake van een voorwaardelijk sepot, want de oplegging van een strafbeschikking is immers zelf een daad van vervolging. Vergelijkbaar met de transactie is de schikking. De officier kan ingevolge art. 551c Sv, zolang het onderzoek op de terechtzitting niet is gesloten, met de verdachte of veroordeelde een schriftelijke schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag aan de staat of tot overdracht van voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat hier niet om een voorwaardelijk sepot. De strafvervolging is hier immers al in een ver stadium. De schikking komt aldus in de plaats van de uitspraak van de rechter.
Art. 257a Sv biedt de officier van justitie de mogelijkheid een strafbeschikking uit te vaardigen indien hij vaststelt dat een overtreding is begaan dan wel een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar (lid 1). De volgende straffen en maatregelen kunnen daarbij worden opgelegd: (a) een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren; (b) een geldboete; (c) onttrekking aan het verkeer; (d) de verplichting tot betaling aan de staat van een geldsom ten behoeve van het slachtoffer; (e) ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste zes maanden (lid 2). Voorts kan de strafbeschikking aanwijzingen bevatten waaraan de verdachte moet voldoen. De aanwijzingen mogen de vrijheid van de verdachte zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. Zij kunnen inhouden: (a) afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer; (b) uitlevering, of voldoening aan de staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring; (c) voldoening aan de staat van een geldbedrag of overdracht van in beslag genomen voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge art. 36e Sr voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel; (d) storting van een vast te stellen geldsom in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen, waarbij het bedrag niet hoger kan zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het feit kan worden opgelegd; en (e) andere aanwijzingen, het gedrag van de verdachte betreffend, waaraan deze gedurende een bij de strafbeschikking te bepalen proeftijd van ten hoogste een jaar heeft te voldoen (lid 3). Indien het gaat om economische delicten voorziet art. 36 lid 1 WED in bijkomende aanwijzingen, te weten: dat wordt verricht hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, tenietgedaan hetgeen wederrechtelijk is verricht en dat prestaties tot het goedmaken van een en ander worden verricht, alles op kosten van de verdachte, voor zover niet anders wordt bepaald. De door politiefunctionarissen uit te vaardigen strafbeschikking kan — vergelijkbaar met de politietransactie — slechts bestaan uit de geldboete (art. 257b lid 2 Sv). Verder kan bij AMvB aan daartoe aan te wijzen lichamen of personen, met een publieke taak belast, binnen daarbij gestelde grenzen de bevoegdheid worden verleend een strafbeschikking uit te vaardigen (art. 257ba lid 1 Sv). De uitoefening van die bevoegdheid heeft dan plaats onder toezicht van en volgens richtlijnen vast te stellen door het College van procureurs-generaal. In dit verband zullen dan voorts regels worden gesteld bij AMvB (lid 2).
Vergelijkbaar met de beschikking houdende de oplegging van een bestuurlijke boete dient de strafbeschikking, schriftelijk te zijn, en te vermelden: (a) de naam en het van de verdachte bekende adres; (b) een opgave van het feit als bedoeld in art. 261 lid 1 en lid 2 Sv, dan wel een korte omschrijving van de gedraging ter zake waarvan de strafbeschikking wordt uitgevaardigd, alsmede de tijd waarop en de plaats waar deze gedraging werd verricht; (c) het strafbare feit dat deze gedraging oplevert; (d) de opgelegde straffen, maatregelen en aanwijzingen; (e) de dag waarop zij is uitgevaardigd; (f) de wijze waarop verzet kan worden ingesteld; (g) de wijze van tenuitvoerlegging (art. 257a lid 4 Sv). Ook geldt een met de in het bestuursrecht vergelijkbare hoorplicht waarin de verdachte zijn zienswijze kan geven. Zo zal in een aantal gevallen de verdachte, bijgestaan door een raadsman, gehoord moeten worden alvorens hem een boetebedrag van meer dan € 2.000 (of een onderneming, ingeval van een economisch delict, een boetebedrag van meer dan € 10.000) kan worden opgelegd (art. 257c lid 2 Sv en art. 36 lid 2 WED). Verder moet de verdachte zich eerst bereid verklaren een taakstraf te voldoen, zich te houden aan een rij ontzegging of zich te houden aan een aanwijzing zijn gedrag betreffend alvorens een strafbeschikking met die strekking kan worden uitgevaardigd. De verdachte wordt dan uiterlijk bij de aanvang van het horen gewezen op de mogelijkheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken (art. 257 lid 1 Sv). Van het horen van de verdachte wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Indien de strafbeschikking afwijkt van door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, worden de redenen die tot afwijken hebben geleid aan dit verslag toegevoegd, voor zover deze redenen niet reeds mondeling zijn opgegeven (art. 257c lid 3 Sv).