Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/2.4.2:2.4.2 Aansprakelijkheid vennootschap (rechtspersoon)
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/2.4.2
2.4.2 Aansprakelijkheid vennootschap (rechtspersoon)
Documentgegevens:
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS348513:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881 (Van de Riet/Hoffmann); bevestigd in HR 5 september 2014, NJ 2015/21 m.nt. P. van Schilfgaarde (Hezemans/Tulip Air Lease).
HR 6 april 1979, NJ 1980/34.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verhouding tussen de aansprakelijkheid van de vennootschap en de aansprakelijkheid van de bestuurder bij schadetoebrengende handelingen van de bestuurder verdient ook aandacht. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat zich de situatie kan voordoen dat de bestuurder een gedraging verricht ter zake waarvan hij aansprakelijk is uit schending van een op hem persoonlijk rustende norm, waarbij dit suggereert dat hij niet in het kader van zijn bestuurlijke taakvervulling heeft gehandeld, terwijl diezelfde gedragingen ook als gedragingen van de vennootschap kunnen gelden.1 Gesteld kan worden dat het criterium uit het arrest Kleuterschool/Babbel2 op grond waarvan gedragingen aan de rechtspersoon worden toegerekend indien zij in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de rechtspersoon gelden, in de opvatting van de Hoge Raad ruimer is dan het criterium van de bestuurlijke taakvervulling. Een gedraging kan naar de eisen van het maatschappelijk verkeer als een gedraging van de vennootschap worden aangemerkt, terwijl zij wordt geacht niet in het kader van de bestuurlijke taakvervulling te zijn verricht.
Het is mogelijk dat de Hoge Raad de verhouding tussen de aansprakelijkheid in het kader van de bestuurlijke taakvervulling en de aansprakelijkheid buiten dat kader als een glijdende schaal ziet. Bij aansprakelijkheid wegens schending van een op de bestuurder buiten zijn taakvervulling liggende norm zal namelijk niet elke verbinding met het bestuurderschap en de rechtspersoon zoek zijn. De hoedanigheid van bestuurder is bij een aansprakelijkstelling in de geest van Van de Riet/Hoffmann dan wel aanwezig, maar leidt wegens haar geringe omvang niet ertoe dat de maatstaf van het ‘ernstig verwijt’ moet worden toegepast. Indien deze conclusie juist is, plaatst zij de rechter voor de moeilijke opgave in elke zaak te beoordelen hoe groot het verband is geweest tussen de gedragingen en de bestuurlijke taakvervulling om al dan niet van een aansprakelijkheid naar Van de Riet/Hoffmann te kunnen spreken en de maatstaf van het ‘ernstig verwijt’ toe te passen. Deze systematiek werd in het verleden echter juist afgewezen door de Hoge Raad. Dit gebeurde in het reeds besproken arrest Kretzschmar/Mendes de Leon.