Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.13
4.7.13 De aard en omvang van de betrokken belangen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS507336:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
A-G Keus merkt op dat het antwoord op de vraag of een gedraging in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid, mede afhangt van de aard van het belang dat door deze gedraging is geschonden. Zie de conclusie van A-G Keus, onder 2.28, voor HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1130 (Bouwval Voorst).
Conclusie van A-G Spier, onder 4.22, voor HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Vgl. Jansen 2012a, p. 158.
Vgl. Hof Leeuwarden 8 mei 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW7272, r.o. 8.2-8.3 (Verbouwing Veendam), waarin het hof overweegt dat voor aansprakelijkheid wegens het verstrekken van onjuiste informatie nodig is dat de informatie door haar onjuistheid tot schade heeft geleid.
Hof Arnhem 17 juli 2007, r.o. 4.11, te kennen uit de conclusie van A-G Keus voor HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1130 (Bouwval Voorst).
Hof ‘s-Hertogenbosch 17 juni 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AH9155, r.o. 3.13 (’s-Hertogenbosch/Grasgroep).
Hof Leeuwarden 20 maart 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV9602 (Doorvaartbreedte Steendammerbrug), waarover ook paragraaf 6.6. Vgl. Hof Arnhem 11 maart 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC8598 (Staat/Achmea).
Vgl. HR 7 december 1979, NJ 1980/290 m.nt. G.J. Scholten (Van Hensbergen/’s-Gravenhage) en HR 14 september 1984, NJ 1985/85, r.o. 3.2 (Swinkels/Best) in het kader van een mededelingsplicht ter voorkoming van dwaling.
HR 7 december 1994, BNB 1995/36 (Bouwgrondbelasting).
Wolters 2013, p. 230.
Hof ‘s-Hertogenbosch 17 juni 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AH9155 (’s-Hertogenbosch/Grasgroep). Zie ook Rb. ‘s-Gravenhage 19 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0236, r.o. 4.9 (Bouwvergunning Katwijk), waarin de rechtbank in aanmerking neemt dat de vraag was gesteld met het oog op de eventuele aankoop van een perceel voor herhuisvesting en uitbreiding van een bedrijf, en het antwoord op de vraag doorslaggevend was voor de beslissing om dat perceel al dan niet aan te kopen, waarbij grote financiële belangen op het spel stonden waarvan de gemeente bekendheid droeg.
Hof ‘s-Hertogenbosch 7 juli 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ2227, r.o. 4.16 (LPG-vulpunt Uden I). Zie ook het verzetarrest Hof ‘s-Hertogenbosch 2 november 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3229, r.o. 3.9.1 (LPG-vulpunt Uden II). Anders: Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, r.o. 2.13-2.14 (Appartementencomplex Rijssen-Holten).
Vgl. hetgeen in paragraaf 4.7.12.1 is opgemerkt met betrekking tot ‘de aard van de informatie’.
Vgl. HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040, NJ 2011/6 m.nt. M.R. Mok, AB 2012/382 m.nt. S.M. Peek, JB 2010/249 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 3.4.2 (Eindhoven/ Curatoren), waaruit volgt dat het antwoord op de vraag of met het nemen van een besluit met overschrijding van een wettelijke beslistermijn onrechtmatig wordt gehandeld, mede kan afhangen van ‘de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden.’
De derde categorie van gezichtspunten heeft betrekking op de belangen met het oog waarop het verzoek om informatieverstrekking wordt gedaan (paragraaf 4.7.8).1 In dit verband formuleerde A-G Spier de volgende vraag: ‘Welke belangen stonden op het spel en was dat voor degene aan wie de informatie werd gevraagd en degene die het antwoord gaf (redelijkerwijs) kenbaar?’2 Uit deze omschrijving kan worden opgemaakt dat het met name gaat om de aard en de omvang van de betrokken belangen en het al dan niet kenbaar zijn of maken van deze belangen aan de informatie verstrekkende partij (in het verzoek om inlichtingen of anderszins). Daarnaast kan worden gedacht aan de aard en omvang van het (al dan niet (voor beide partijen) voorzienbare) nadeel dat is ontstaan doordat is gehandeld in het gerechtvaardigde vertrouwen dat juiste en volledige informatie is verstrekt.3 De vraag naar de betrokken belangen moet worden beantwoord op basis van een analyse die een gemengd feitelijk en juridisch karakter heeft. In dit verband kan worden aangesloten bij het bepaalde in artikel 6:98 BW, dat in paragraaf 7.2.1 nader wordt besproken.
Ingevolge artikel 6:98 BW komt slechts schade voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Binnen het kader van artikel 6:98 BW brengt de verzamelcategorie van de aard van de schade bijvoorbeeld mee dat letselschade eerder wordt toegerekend dan zaakschade, zaakschade eerder dan schade die bestaat in extra kosten en uitgaven en geleden verlies eerder dan gederfde winst.4
Het getroffen belang is in de regel vermogensrechtelijk van aard. Het ligt ook voor de hand dat in nagenoeg alle gevallen een op geld waardeerbaar belang wordt geschaad door de informatieverstrekking. Zonder de schending van een dergelijk belang is één van de vereisten voor schadevergoeding uit onrechtmatige daad afwezig, te weten schade.5 De aanwezigheid van financiële gevolgen van de informatieverstrekking betekent echter niet zonder meer dat het voorkomen van nadeel of het bewerkstelligen van voordeel in alle gevallen redengevend is voor het vragen van informatie. Denkbaar is immers dat er een ander belang dan het vermogensrechtelijke op de voorgrond treedt. In dit verband kan worden gewezen op een arrest van het Hof Arnhem, waarin een (onjuiste) handgeschreven mededeling van een wethouder van onvoldoende gewicht werd bevonden om te kunnen concluderen dat de betreffende gemeente onrechtmatig had gehandeld. Bij dit oordeel werd betrokken dat de eiser daarbij slechts een emotioneel belang had, bestaande uit een jarenlange wens om dicht bij zijn geboortegrond te wonen.6 De aanwezigheid van een louter immaterieel belang pleitte in deze zaak dus tegen het aannemen van onrechtmatigheid.
Het doel van het inwinnen van informatie speelt een voorname rol, alsook het antwoord op de vraag of dit doel kenbaar was voor de informatie verstrekkende partij.
Zo werd in een arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch in aanmerking genomen dat de betreffende burger het doel van het inwinnen van informatie opzettelijk niet kenbaar had gemaakt aan de gemeente, omdat hij wenste te voorkomen dat een conserverend voorbereidingsbesluit zou worden genomen indien door zijn vraag duidelijk zou worden dat ter plaatse geen bestemmingsplan gold.7 In een arrest van het Hof Leeuwarden stond een vraag naar de maximale breedte van een aantal bruggen centraal.8 Het waterschap antwoordde hierop dat de doorvaartbreedte van de Steendammerbrug 7,00 meter was. Nadien bleek dat een woonark niet onder de betreffende brug door kon varen, omdat de maximale doorvaartbreedte bij een open brug slechts 5,5 meter was. Het waterschap had echter niet behoeven te begrijpen dat de vraag zag op de breedte van de brug in geopende toestand, omdat niet duidelijk was gemaakt dat de vraag werd gesteld met het oog op het vervoer van de betreffende woonark naar een ligplaats. Dit belang was dus niet kenbaar.9
Het voornoemde uitgangspunt keert ook terug in de rechtspraak van de belastingrechter.
In een arrest uit 1994 lag de vraag voor of een gemeente de verwachting had gewekt dat na verwerving van een perceel geen bouwgrondbelasting verschuldigd zou zijn, door mede te delen dat de belanghebbende geen ontsluitingskosten c.q. ontsluitingsbijdragen verschuldigd zou zijn.10 Saillant is dat de belanghebbende wist dat de gemeenteraad een verordening tot heffing van bouwgrondbelasting had vastgesteld. Het bouwadviesbureau van belanghebbende had zijn vragen aan de gemeente hierop echter niet afgestemd. Volgens de Hoge Raad kan het bureau – en daarmee belanghebbende – ervan een verwijt worden gemaakt dat het in zijn vraagstelling aan de gemeente – ondanks die wetenschap – niet uitdrukkelijk heeft laten blijken dat het wilde weten of bouwgrondbelasting verschuldigd was. De belanghebbende mocht er dan ook niet op vertrouwen dat hij geen bouwgrondbelasting verschuldigd zou zijn.
Voorts komt betekenis toe aan de omvang van de (financiële) belangen van de burger die gemoeid zijn met het afgaan op de juistheid van de verstrekte informatie.11
Dit blijkt uit het voornoemde arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch,12 alsook uit een ander arrest van hetzelfde hof. In dit laatste arrest ging het om een omvangrijke ontwikkeling van een kantoorpand en een appartementencomplex door een projectontwikkelaar. Het hof overwoog: ‘Hiermee zijn omvangrijke investeringen gemoeid, zowel in de voorbereidingsfase als in de uitvoeringsfase. Het ligt voor de hand dat een projectontwikkelaar, ter voorkoming van onnodige kosten en inspanningen, zich ervan vergewist dat de bestaande belemmeringen voortvloeiend uit het vigerende bestemmingsplan zullen worden opgeheven en dat zich geen nieuwe belemmeringen zullen voordoen. Kennisneming van de inhoud van een voorontwerpbestemmingsplan en mondelinge mededelingen van ambtenaren en een wethouder over de inhoud daarvan zijn daarvoor niet voldoende.’13 In deze overweging wordt zowel betekenis toegekend aan de omvang van de betrokken belangen als aan de hoedanigheid van de burger, zijnde een professionele projectontwikkelaar.
Vuistregel mag zijn dat de betrokkenheid van grote belangen meebrengt dat minder snel mag worden vertrouwd op de juistheid van de verstrekte informatie. De mate van oplettendheid die in het maatschappelijk verkeer kan worden gevergd van de burger leidt in een dergelijk geval eerder tot het aannemen van een onderzoeksplicht, in de zin dat de burger (ook) eigen onderzoek had moeten doen en/of de verstrekte informatie had moeten (doen) verifiëren. Dit kan bijvoorbeeld door informatie in te winnen zonder dat daarbij de overheid wordt ingeschakeld, om zodoende de afhankelijkheid van overheidsinformatie – en het risico dat inherent is aan een dergelijke afhankelijkheid – te verminderen. Als gezichtspunt wijst (ook) de betrokkenheid van grote belangen evenwel niet altijd in dezelfde richting.14 In bepaalde (sprekende) gevallen zou men immers evengoed kunnen zeggen dat – de burger erop mag rekenen dat – de overheid extra zorgvuldigheid dient te etaleren bij de verstrekking van informatie waarbij grote belangen gemoeid zijn, tenminste indien de betrokkenheid van die belangen kenbaar was voor de overheid.15 Wiens onderzoeksplicht hier de doorslag geeft, zal dan ook steeds afhangen van de omstandigheden van het geval.