Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.2.1
7.2.1 Forum rei en alternatieve fora; art. 2, 5 EEX-Vo
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431772:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Considerans, overweging 8, EEX-Verordening.
De statutaire vestigingsplaats behoeft niet altijd voldoende binding met de forumstaat te verzekeren. Dat is bijv. het geval indien de rechtspersoon behalve de oprichting geen enkele binding met het oprichtingsland heeft (zgn. formeel buitenlandse vennootschap).
Dit betekent echter niet dat beide fora altijd even 'competent' zijn. Zo is het gerecht in de plaats waar de schadelijke gevolgen van een onrechtmatige daad zich voordoen op basis van art. 5 sub 3 EEX-Vo slechts bevoegd om kennis te nemen van de lokale schade, terwijl de gerechten in de woonplaats van de verweerder op grond van art. 2 EEX-Vo in dat geval bevoegd zijn om kennis te nemen van de volledige schade. Zie voor het EEX-Verdrag: HvJ EG 7 maart 1995, C-68/93, Jur. 1993, p. 1-415, NJ 1996, 269 (ThMdB), Shevill/Presse Alliance.
PbEG 1979, C 59/71.
Toetredingsverdrag van 9 oktober 1978, Trb. 1978, 175.
Toel. Rapport Schlosser, EEX-Verdrag, nr. 78.
Considerans, overweging 12, EEX-Verordening. Om deze reden worden de bevoegdheidsgronden in art. 5 ook wel vergeleken met fora convenienti (conclusie A-G Léger, onder nr. 239, voor C-281/ 02, Jur. 2005, p. 1-1383, Owusu/Jackson).
In het algemeen geldt dat de zaken waarin de EEX-Verordening wordt toegepast een aanknopingspunt moeten hebben met het grondgebied van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is.1 Deze verbondenheid kan onder meer bestaan uit de woonplaats van een der partijen of het onderwerp van het geschil. De woonplaats van de verweerder vormt het belangrijkste aanknopingspunt. Dit aanknopingspunt bakent in beginsel het formele toepassingsgebied van de EEX-Verordening af (art. 4 lid 1 EEX-Vo). Bovendien knoopt de hoofdregel in art. 2 EEX-Vo aan bij de woonplaats van de verweerder (forum rei, vgl. art. 2 Rv). Art. 2 heeft het karakter van een algemeen beginsel en is gestoeld op het principe dat de verweerder zich in het algemeen gemakkelijker zal kunnen verdedigen voor gerechten van zijn woonplaats dan voor buitenlandse gerechten. Voor de vaststelling van de woonplaats van natuurlijke personen past de geadieerde rechter zijn interne recht toe (art. 59 lid 1 EEX-Vo).2 De woonplaats van vennootschappen en rechtspersonen wordt autonoom bepaald door art. 60 lid 1 EEX-Vo. Op grond van dit artikel hebben vennootschappen en rechtspersonen woonplaats in de lidstaat waarin zij hun statutaire zetel,3 hoofdbestuur of hoofdvestiging hebben.
Art. 5 EEX-Vo geeft alternatieve bevoegdheidsgronden voor een aantal specifieke onderwerpen zoals bijvoorbeeld verbintenissen uit overeenkomst, onderhoudsverplichtingen en onrechtmatige daad, op grond waarvan de verweerder ook voor het gerecht in andere lidstaten dan die van zijn woonplaats kan worden opgeroepen. Er bestaat geen hiërarchie tussen de hoofdregel van art. 2 EEX-Vo en de alternatieve fora van art. 5 EEX-Vo.4 Het is de eiser die bepaalt voor welk gerecht de zaak aanhangig wordt gemaakt. Het gerecht dat op basis van art. 5 bevoegd is mag de eiser niet verwijzen naar het 'natuurlijke' forum van art. 2. Het Toelichtend Rapport van P. Schlosser,5 behorend bij het verdrag tot toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het EEX-Verdrag,6 merkt hierover het volgende op: 'Zijn er rechters in meerdere Staten bevoegd, dan heeft de eiser bewust een keuzerecht gekregen, dat door de toepassing van de 'doctrine of the forum conveniens' niet mag worden verzwakt.'7
De alternatieve bevoegdheidsgronden in art. 5 EEX-Vo zijn gebaseerd op het bestaan van een nauwe band tussen het geschil en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen.8 Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EG onder het EEX-Verdrag moet aan art. 5 een strikte uitleg worden gegeven die niet verder mag gaan dan de door het verdrag uitdrukkelijk voorziene gevallen. Uit de rechtspraak blijkt verder dat bij de uitleg van art. 5 EEX-Verdrag rekening moet worden gehouden met het beginsel van rechtszekerheid. Dit beginsel vereist onder meer dat regels die afwijken van de algemene bevoegdheidsregel, zoals art. 5, op een zodanige wijze worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien voor welke andere gerechten dan die van zijn woonplaats hij opgeroepen zou kunnen worden.9