Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.1
1.1 Aanleiding
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS714017:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met ‘ondernemer’ doel ik op de rechtspersoon die rechthebbende is van de onderneming. Het gaat om het rechtssubject. Zie nader: par. 1.6.1.
Een oorzaak hiervan is (onder andere) de globalisering en de zogenaamde ‘networked society’. De ‘networked society’ heeft te maken met de opkomst van de zogenaamde ‘regulatory state’, die gekarakteriseerd wordt door meer privatisering en gedecentraliseerde regulering. Vgl.: Osbourne & Gaebler 1992, p. 253-254. Zie voor een evolutie van het concept: Braithwaite, Journal of Public Administration 1999, p. 90-94; Braithwaite, British Journal of Criminology 2000, p. 222-238; Braithwaite 2008. De moderne ‘regulatory state’ wordt dikwijls omschreven als de ‘post-regulatory state’ (Black 2001) of ‘regulatory capitalism’ (Braithwaite 2008; Levi-Faur, The ANNALS of the American Academy of Political and Social Science 2005, p. 12-32). De opkomst van meer privatisering en decentralisering heeft geleid tot de evolutie van de westerse samenleving tot een open samenleving. Dit houdt in dat de macht niet langer geconcentreerd is in één institutie, maar verdeeld is tussen verscheidene actoren en open netwerken. Vandaar de term ‘networked society’. Vgl.: Crawford, Theoretical Criminology 2006, p. 449-479. In sommige gevallen lijkt de machtsinvloed van multinationals de macht van staten voorbij te zijn geschoten. Zij zijn too big to fail en too big to jail. Vgl. Van Erp 2016, p. 11.
De term ‘midden- en kleinbedrijf’(‘MKB’) verwijst naar die bedrijven die minder dan 250 werknemers hebben. ‘Jaarbericht Staat van het MKB 2021’, Nederlands Comité voor Ondernemerschap, p. 7.
‘Jaarbericht Staat van het MKB 2021’, Nederlands Comité voor Ondernemerschap, p. 7.
De European Environment Agency heeft zes internationale ‘drivers of change’ geformuleerd die naar verwachting Europa’s toekomstige leefomgeving zullen beïnvloeden. Het gaat om: bevolkingsgroei als gevolg van geboorte, verstedelijking en migratie, klimaatverandering, technologische vooruitgang, de groeiende schaarste van grondstoffen, de verandering in het geopolitieke en economische landschap en steeds meer uiteenlopende waarden, levensstijlen en overheidsmaatregelen tussen regio’s. Zie: European Environment Agency, Drivers of change of relevance for Europe’s environment and sustainability (EEA Report, nr. 25/2019), 2020. Zie over de vierde industriële revolutie: ‘The Fourth Industrial Revolution: what it means, how to respond’, World Economic Forum, 14 januari 2016.
Zie bijvoorbeeld de discussie over de eventuele aansprakelijkheid van Philips voor gebrekkige slaapapneu-apparaten: ‘Nederlandse apneupatiënten stellen Philips aansprakelijk’, NRC 28 oktober 2021.
Zo is bijvoorbeeld het gebruik van lithiumbatterijen niet zonder risico: ‘GM heralded this plant as a model for its electric car future. Then its batteries started exploding’, The Washington Post, 30 december 2021.
Rb. 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5337, JOR 2021/208, m.nt. S.J.M. Biesmans (Milieudefensie/Shell). Zie voor de discussie rondom de rol van banken in de stikstofcrisis: ‘Rabobank betuigt spijt voor rol in de stikstofcrisis’, Trouw 21 juli 2022; ‘Rabobank over rol stikstofcrisis: ‘Zouden nu anders handelen’’, NOS 22 juli 2022.
Boek 2 BW bevat bijvoorbeeld algemene bepalingen over de aansprakelijkheid van vennootschappen en bestuurders. Daarnaast zijn er enkele bijzondere regelingen te vinden in Boek 6 BW, zoals art. 6:171, 6:175, 6:181 (juncto art. 6:173, 6:174 en 6:179) en 6:185 BW. Verder bevat Boek 8 BW bepalingen over de aansprakelijkheid van (bedrijfsmatige) vervoerders (bijvoorbeeld: art. 8:1571 BW en 8:1673 BW).
Dit is al eerder in de literatuur opgemerkt door: Löwensteyn 1965, p. 7; Loth 1988, p. 233.
Par. 2.4.
Wolfsbergen 1946, p. 3; Slagter 1952, p. 9; Jansen 2012, par. 4.2.2.
Schut, RM Themis 1996, p. 283.
De concepten ‘daad’, ‘daderschap’, ‘onrechtmatigheid’ en ‘toerekenbaarheid’ worden overigens niet altijd scherp onderscheiden. Vooral in oudere literatuur en rechtspraak worden (sommige van) deze begrippen met dezelfde term aangeduid: schuld. Het gaat dan om ‘schuld in brede zin’. Een dergelijke samentrekking moet naar huidig recht worden verworpen. Dit proefschrift maakt daarom onderscheid tussen deze vier concepten.
Par. 3.2.3.
Par. 3.2.2 en 3.2.3.
Par. 2.5.4.
Het ging hier dan om schuld in enge zin: par. 2.5.5.
Een vroeg voorbeeld uit de rechtspraak: HR 25 november 1927, NJ 1928/364, m.nt. P. Scholten (Kretzschmar/Mendes de Léon). Zie voor meer verwijzingen: Asser/Kroeze 2-I 2021/80.
Löwensteyn 1965, p. 7. Löwensteyn bezigde deze woorden in het kader van de voorloper van art. 6:162 BW, maar ik meen dat deze woorden nog steeds relevant zijn voor het huidige artikel over onrechtmatige daad.
Löwensteyn 1965, p. 10.
Scholten 1899, p. 126 e.v.
Bijvoorbeeld: Faure & Hartlief, Maastricht Journal of European and Comparative Law 1996, p. 235-270, die spreken over een verschuiving van ‘negligence’ naar ‘strict liability’ als gevolg van ‘an expanding scope of enterprise liability’. Vgl. On 2020, p. 354, die schrijft dat ‘strict liability’ minder ‘business-friendly’ is. Ook in het strafrecht is dit ter discussie gesteld: Rense, DD 2005, p. 281 e.v., met verdere verwijzingen.
Een klassieker is: Priest, The Journal of Legal Studies 1985, p. 518.
James, jr., Tennessee Law Review 1965, p. 400; Nolan & Ursin 1995, p. 3-4; Keating, Michigan Law Review 1997, p. 1267, 1279; Geistfeld, UCLA Law Review 1998, p. 620-621; Keating 2023.
Zie bijvoorbeeld: Priest, The Journal of Legal Studies 1985, p. 518 e.v.; Keating 2023. Overigens menen andere auteurs dat enterprise liability tevens schuldelementen in zich heeft. Zie bijvoorbeeld Rabin, Maryland Law Review 1996, p. 1197.
Deze term is niet gedefinieerd in het Duitse recht. Wagner gebruikt deze term in zijn bewerking van de Münchener Kommentar BGB (§823 2019) om een apart leerstuk aan te duiden, maar hij definieert deze term niet.
Brüggemeier 2006, p. 134; Brüggemeier, European Journal of Comparative Law and Governance 2020, p. 375-376. Zie ook Steege 2022, p. 111, die de vraag opwerpt of het Duitse leerstuk Organisationspflichten een “quasi Gefährdungshaftung” (quasi-risicoaansprakelijkheid) is, maar het antwoord op deze vraag niet geeft.
Wantzen 2007, p. 3.
Par. 2.4.3.
Ondernemers vormen een belangrijke pijler van onze samenleving.1 Multinationals hebben de laatste decennia een significante economische en maatschappelijke macht verworven2 en ook de invloed van nationale grootbedrijven en het midden- en kleinbedrijf moet niet worden onderschat.3 Het is niet voor niets dat het Nederlands Comité voor Ondernemerschap het midden- en kleinbedrijf ‘het fundament van de Nederlandse economie’ noemt.4 Het bedrijfsleven levert een belangrijke bijdrage aan het creëren van werkgelegenheid, handel en groei van de economie. Ondernemen zorgt niet alleen voor (technologische en economische) vooruitgang, maar brengt ook risico’s met zich. Waar ondernemers optreden in het maatschappelijk verkeer, kunnen conflicten rijzen met andere (private) actoren.
In een maatschappij die drastisch verandert als gevolg van klimaatverandering, bevolkingsgroei en de zogenaamde vierde industriële revolutie,5 vervult het bedrijfsleven een spilfunctie. Aan de ene kant kunnen ondernemers met hun innoverende producten het hoofd bieden aan nieuwe uitdagingen. Aan de andere kant zullen ondernemingsactiviteiten nieuwe risico’s en schadevoorvallen in het leven roepen. Zo kunnen bijvoorbeeld commerciële producten die een antwoord moeten bieden op de steeds maar duurder wordende gezondheidszorg6 of die nodig zijn voor de energietransitie,7 schade veroorzaken. Verder zal de bijdrage van ondernemingsactiviteiten aan de milieu- en klimaatcrisis steeds meer onder een vergrootglas komen te liggen.8 Hoewel in veel van deze gevallen nog niet duidelijk is hoe ver de zorg van ondernemers jegens derden precies reikt, staat buiten kijf dat aan ondernemen een inherente verantwoordelijkheid is verbonden. De hoedanigheid van ondernemer brengt niet alleen rechten, maar ook plichten met zich.
Het Burgerlijk Wetboek (BW) bevat geen aansprakelijkheidsregeling die in algemene zin het buitencontractuele handelen van ondernemers reguleert, maar bevat slechts bepalingen die gelden voor specifieke typen ondernemers.9 Dit betekent dat schadeveroorzakend handelen door een ondernemer bij gebrek aan een contract en buiten de in de wet geregelde gevallen ‘gewoon’ via de regeling van de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) moet worden afgedaan. Art. 6:162 lid 1 BW bepaalt dat hij “die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, (…) verplicht [is] de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.” Lid 2 bepaalt dat een daad onrechtmatig is, als sprake is van “een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.” Een onrechtmatige daad is toerekenbaar aan de dader “indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt”, aldus lid 3.
De onrechtmatigedaadsregeling stelt traditiegetrouw het toerekenbare onrechtmatige handelen en nalaten van de individuele mens centraal.10 De focus op de individuele mens uit zich op twee wijzen. Ten eerste is de focus op het individu terug te zien in de grondslag van het onrechtmatigedaadsrecht. Het schuldbeginsel vormde in de negentiende eeuw de belangrijkste grondslag van de buitencontractuele aansprakelijkheid en vormt nog steeds een belangrijke grond voor de afwenteling van schade.11 Dit beginsel gaat uit van persoonlijke verwijtbaarheid:12 de persoon die anders heeft gehandeld dan hij behoorde te doen, terwijl die handeling vermijdbaar was, behoort de gevolgen te dragen. Schuld is sterk verbonden met de persoon van de dader.13
Ten tweede is de traditionele focus op het individu terug te zien in het positieve recht, namelijk in de (invulling van de) vereisten: ‘daad’, ‘daderschap’, ‘onrechtmatigheid’ en ‘toerekenbaarheid’.14 De ‘daad’ is de handeling die (of het nalaten dat) de schade heeft veroorzaakt. De ‘dader’ is degene die de handeling verricht of nalaat te verrichten.15 ‘Onrechtmatigheid’ is het criterium waarmee vastgesteld wordt of sprake is van een normschending. ‘Toerekenbaarheid’ ziet op het criterium waarmee vastgesteld wordt of de (onrechtmatige) gedraging aan de dader kan worden toegerekend. De begrippen ‘daad’, ‘daderschap’, ‘onrechtmatigheid’ en ‘toerekenbaarheid’ zijn sterk verweven met de fysieke persoon van de aangesproken partij. Deze elementen worden van oudsher ingevuld naar het voorbeeld van de individuele mens. Zo werd bijvoorbeeld lange tijd de daad uitgelegd als ‘fysieke handeling’ en de dader als ‘de fysiek handelende’.16 In het verlengde hiervan werd aangenomen dat ‘onrechtmatigheid’ alleen zag op de schending van een (persoonlijke) gedragsnorm17 en dat de onrechtmatige daad alleen aan de dader was toe te rekenen indien de dader op grond van zijn kennis en kunde anders had moeten en kunnen handelen.18 Deze invullingen veronderstellen dat de dader een fysiek persoon is, die in staat is fysiek te handelen, een gedragsnorm te schenden en kennis te hebben.
De traditionele focus op het individu vormt geen obstakel indien de ondernemer een natuurlijk persoon is (zoals een eenmanszaak). Er ontstaat echter een spanningsveld indien de laedens een rechtspersoon is. Een rechtspersoon kan niet zelf fysiek handelen en kennis hebben, maar kan wel aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad.19 Op dit spanningsveld is eerder al gewezen door Löwensteyn:
“Een norm als art. 1401 [OBW, thans art. 6:162 BW, red. TdW-vdL], geschreven om voor het rechtsleven in zijn totaliteit gelding te hebben, maar om historische redenen alleen geformuleerd met het oog op de natuurlijke persoon, moet naar zijn strekking worden geïnterpreteerd, zó dat zij voor de rechtspersoon tot dezelfde rechtsgevolgen leidt als voor de natuurlijke persoon.”20
De vraag is hoe deze herinterpretatie van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht gestalte krijgt en waartoe zij leidt. Löwensteyn meent dat de aansprakelijkheid van rechtspersonen uiteindelijk een (quasi-)risicoaansprakelijkheid is:
“Van welke aard is nu de aansprakelijkheid van de rechtspersoon ex art. 1401? In wezen is hier uiteraard sprake van een risico-aansprakelijkheid, omdat de rechtspersoon, hoe dan ook, aansprakelijk is voor daden waaraan zij geen schuld heeft noch kan hebben. Maar het is wel een bijzonder soort van risico-aansprakelijkheid. Zij wordt immers – althans in onze opvatting – uiteindelijk bepaald door . . . het element schuld. Het doel van deze aansprakelijkheid is immers slechts om de rechtspersoon, wat de aansprakelijkheid ex art. 1401 betreft, op één lijn te stellen met de natuurlijke persoon. Met de gebruikelijke voor alle rechtssubjecten geldende vormen van risico-aansprakelijkheid heeft zij dan ook niets uitstaande.”21
Löwensteyn staat hierin niet alleen. Scholten lijkt iets vergelijkbaars in zijn dissertatie uit 1899 te bepleiten. Hij betoogde dat naast aansprakelijkheid uit schuld een aantal gevallen moet worden onderscheiden waarin de aansprakelijkheid op grond van risico moet worden aangenomen. Hij noemde als voorbeeld de aansprakelijkheid van ondernemers.22 Ook in meer recente literatuur is gesuggereerd dat er een verband bestaat tussen risicoaansprakelijkheid en het bedrijfsmatige karakter van de aangesproken persoon.23
De idee van de aansprakelijkheid van ondernemers als (quasi-)risicoaansprakelijkheid is verwant aan de Amerikaanse theoretische stroming enterprise liability.24 Kort gezegd vormt de enterprise liability-gedachte een rechtvaardiging om ‘entrepreneurs’ (ondernemers) verantwoordelijk te houden voor schade die kenmerkend is voor hun ‘activities’.25 Sommige auteurs noemen enterprise liability een vorm van risicoaansprakelijkheid en zetten haar af tegen schuldaansprakelijkheid.26
Eenzelfde gedachte komt terug in de Duitse literatuur over de ‘Unternehmenshaftung’.27 In de Duitse literatuur leeft de gedachte dat een (bijzonder) aansprakelijkheidsregime voor ondernemers zich kan uiten in de vorm van een (quasi-)risicoaansprakelijkheid.28 Zo schrijft Wantzen:
“Eine solche Sonderstellung des Unternehmens kann sich in erster Linie durch einen modifizierten Sorgfaltsmaβstab für Unternehmen äuβern, der graduell bis hin zu einer strikten Haftung verschärft werden kann, wie es für den Haftungsgrund der Gefahrschaffung in den Verkehrspflichten des deutschen Deliktsrechts entwickelt worden ist. Das Extrem eines Sonderregimes der Unternehmenshaftung bildete ein der Gefährdungshaftung nachgebildeter Tatbestand, der eine Haftung eines Unternehmensträgers für sämtliche Drittschädigungen im Wirkungskreis des Unternehmens einer verschuldensunabhängigen Haftung unterstellte.”29
De vraag rijst of de buitencontractuele aansprakelijkheid van ondernemers naar Nederlands recht kan worden getypeerd als (quasi-)risicoaansprakelijkheid. Deze vraag ziet ten eerste op de grondslag van de buitencontractuele aansprakelijkheid van ondernemers. Op basis van bovengenoemde literatuur kan het beeld ontstaan dat de aansprakelijkheid van ondernemers in belangrijke mate gegrond is op het risicobeginsel. Het risicobeginsel is een verzameling van beginselen en beleidsoverwegingen die (op zichzelf of tezamen) een rechtvaardiging vormen voor de buitencontractuele aansprakelijkheid, ongeacht de aanwezigheid van schuld.30 In het verlengde hiervan ligt de vraag of het positieve buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht anders wordt ingekleurd indien de laedens een ondernemer is en, indien dit het geval is, of de reden hiervan de invloed van het risicobeginsel is.