Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/6.2.3
6.2.3 De Goldene Zwanziger Jahre 1918-1929: van casuïstische naar samenhangende rechtsontwikkeling
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS586184:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voor meer informatie over empirische dataverzameling met betrekking tot de ontwikkeling van het Duitse concernrecht zie Hoffmann 1993, p. 62-67.
Hoffmann 1993, p. 61.
Aantal AG’s in 1919: 5.710 en in 1925: 13.010, ofwel een stijging van ruim 127%. Hoffmann 1993, p. 61.
Zie onder andere: F. Haussmann, Die Tochtergesellschaft: eine rechtliche Studie zur modernen Konzernbildung und zum Effektenkapitalismus, Berlin: Liebmann 1923; F. Haussmann, Grundlegung des Rechts der Unternehmenszusammenfassungen, Mannheim: J. Bensheimer Verlag 1926; H. Friedländer, Konzernrecht. Das Recht der Betriebs- und Unternehmens-Zusammenfassungen, Mannheim: J. Bensheimer Verlag 1927; H. Heinrich Kronstein, Die abhängige juristische Person, München: J. Schweitzer 1931.
Hommelhoff 1982, p. 10.
Het einde van de Eerste Wereldoorlog (1918) betekende tevens het einde van het Duitse Keizerrijk dat plaatsmaakte voor de Weimarrepubliek (1919-1933). De economische hoogconjunctuur van de Goldene Zwanziger Jahre (1924-1929) deed de misère van de Eerste Wereldoorlog ogenschijnlijk teniet. Berlijn was the place to be. De stad werd het decor van het expressionisme en de jazzmuziek. De schreeuwerige reclame-uitingen op Alexanderplatz deden voorbijgangers vermoeden dat het Duitsland weer voor de wind ging.
Ondernemers streefden net als in de voorgaande bloeitijd naar economische concentratie. Het concern als juridisch verschijnsel was wederom in trek. Deze tendens zette zich voort tot de beginjaren van de Grote Depressie. Het vaststellen van de precieze groei van het aantal concerns in de jaren twintig is onderhevig aan empirische problematiek.1 Toch lijkt er geen twijfel te bestaan over de sterke toename van het aantal concerns. Ook het toegenomen belang van het concern als verschijnsel in het economisch leven wordt niet betwist. Doorgaans wordt dit toegenomen belang afgeleid uit de significante groei van het aantal nieuw opgerichte AG’s in deze periode. De focus op de AG is belangrijk omdat ondanks het flexibele karakter van de GmbH, de AG in deze tijd de typische rechtsvorm was om te gebruiken in concernverband.2 Een stijging van het aantal AG’s lijkt dus te duiden op een stijging van het aantal concerns. Nu steeg het aantal AG’s gedurende de jaren twintig explosief.3 Deze groei van het aantal AG’s is derhalve indicatief voor de groei van het aantal concerns.
Het toegenomen belang van het concern is ook terug te zien in de literatuur van die tijd.4 Zo nam het aantal publicaties over het concern toe en ook werd in kwalitatief opzicht progressie geboekt. De casuïstische inslag van de rechtsontwikkeling, die kenmerkend is voor de voorgaande periode, is verdwenen. De gevolgen van concernvorming voor zowel de moedervennootschap als de dochtervennootschappen worden methodisch en samenhangend bestudeerd. Hierbij ontwikkelde zich in de literatuur de Einheitstheorie, die de economische eenheid van het concern benadrukt.5 Desalniettemin bleef de juridische zelfstandigheid van de moeder- en de dochtervennootschap het uitgangspunt in de rechtspraak. De wetgever stond vooralsnog langs de zijlijn en zou zich pas in de jaren dertig nadrukkelijker gaan bemoeien met de ontwikkeling van het concernrecht.