Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/10.3.1
10.3.1 Levensverzekeringen en natura-uitvaartverzekeringen
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949864:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:914 en Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:915, JOR 2023/105, m.nt. A.M.M. Menken; PJ 2023/39, m.nt. S.H. Kuiper; Van Wijk, Vervuurt en Hamelijnck, VAST 2023/B-012; Pensioenrecht Updates 2023/30 (Eisers/DNB).
Zie ook over art. 14 AVG hoofdstuk 7.4.3.
In hoofdstuk 7.5 heb ik beschreven dat de regels ten aanzien van de Basisregistratie Personen stringent zijn, en dat een verzekeraar zijn adressenbestand dus niet met informatie uit deze basisregistratie in het kader van een portefeuilleoverdracht in orde kan maken.
Wet van 25 oktober 2021, houdende regels over de toegankelijkheid van informatie van publiek belang (Wet open overheid) (Staatsblad 2021, 499).
Art. 3:119 lid 1 Wft spreekt over het verzetrecht van de “betrokken polishouders”. Dit zijn de polishouders van de polissen die worden overgedragen. Zie hierover hoofdstuk 1.4. Art. 3:119 lid 5 Wft bevat een definitie van “polishouder”. Bij een juridische fusie ga ik er daarom vanuit dat het Wft-verzetrecht toekomt aan de polishouders van de verdwijnende rechtspersoon. Bij een juridische splitsing komt het Wft-verzetrecht dan toe aan de polishouders van de portefeuille die wordt afgesplitst. Zie hoofdstuk 5.6.2.3.
Met een individuele kennisgeving bedoel ik dat de Wft-verzetgerechtigden een mededeling ontvangen, en uiteraard niet dat de tekst daarvan dan ook nog eens per individu geïndividualiseerd zou moeten zijn.
Op grond van art. 7:968 BW kan de aanwijzing van een derde als begunstigde niet meer worden herroepen indien die derde haar op rechtsgeldige wijze heeft aanvaard. Op welke wijze een begunstiging rechtsgeldig kan worden aanvaard, is geregeld in art. 7:969 BW.
Inleiding
Door de wijze van bekendmaken bestaat de kans dat een polishouder niet op de hoogte is van de voorgenomen portefeuilleoverdracht, juridische fusie of juridische splitsing. Hij kan dan dus ook geen gebruik maken van het in de Wft aan hem toegekende verzetrecht. Het is niet alleen in het belang van de polishouder dat deze op de hoogte is. Door de bestuursrechtelijke Optas/Aegon-uitspraken is het óók in het belang van de betrokken verzekeraars dat polishouders op de hoogte zijn van een voorgenomen portefeuilleoverdracht. Ook andere gezichtspunten leiden tot de conclusie dat het tijd is voor verandering in de wijze van informatievoorziening. Ik ga hier in dit hoofdstuk verder op in. Aan het slot doe ik een voorstel voor een voortaan te volgen informatieproces.
Wijze van informatievoorziening leidt tot kans dat polishouder niet op de hoogte is
DNB geeft in het geval van een overdracht van een portefeuille van levensverzekeringen of natura-uitvaartverzekeringen aan de verzekeraar opdracht om van zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling te doen in de Staatscourant en op andere door DNB te bepalen wijze (art. 3:119 lid 1 Wft). De “andere door DNB te bepalen wijze” is tot nu toe meestal een publicatie in drie landelijke dagbladen. De verzettermijn voor polishouders begint de dag na de publicatie. In geval van juridische fusie en juridische splitsing van verzekeraars zijn zowel de vennootschapsrechtelijke bepalingen die daarover zijn opgenomen in Boek 2 BW van toepassing, als de bepalingen in de Wft met betrekking tot portefeuilleoverdracht (art. 3:115 Wft). Ook in geval van een juridische fusie en een juridische splitsing van verzekeraars plaatst de verzekeraar dus in verband met het in art. 3:119 lid 1 Wft bepaalde advertenties in drie landelijke dagbladen. Dit element van het proces van een portefeuilleoverdracht is echter géén wettelijk voorschrift. De tekst van art. 3:119 Wft spreekt over een “andere door DNB te bepalen wijze”. Dat opdracht wordt gegeven voor advertenties is een keuze, en niet een wettelijk voorschrift.
De vraag rijst hoe groot de kans is dat de polishouder de desbetreffende advertentie ziet. Als hij geen abonnement heeft op één van deze dagbladen zal hij in de praktijk waarschijnlijk niet op de hoogte zijn van de mogelijkheid met betrekking tot zijn verzekeringsovereenkomst dit recht uit te oefenen. Maar ook als hij wel een abonnement heeft op dat specifieke dagblad bestaat de kans, dat de polishouder net die dag zijn krant niet leest. Als hij die dag zijn krant leest, zou hij de advertentie over het hoofd kunnen zien. Dit probleem wordt inmiddels in jurisprudentie ook onderkend.1
De wijze van informatievoorziening op grond van Boek 2 BW over een voorgenomen juridische fusie of juridische splitsing draagt niet of nauwelijks bij aan de kans dat een polishouder daarvan wél op de hoogte is. In geval van een juridische fusie van verzekeraars of een juridische splitsing van een verzekeraar moet er ook op grond van Boek 2 BW een advertentie worden geplaatst. Dit gaat om een kleine advertentie in één landelijk verspreid dagblad. Deze advertentie zal dus niet of nauwelijks bijdragen aan de bewustwording onder polishouders van een verzekeraar dat deze een juridische fusie of juridische splitsing voorbereidt.
Gesteld kan worden dat uit andere bepalingen in de Wft en bijbehorende regelgeving ook geen juridische verplichting voortvloeit om de polishouders een mededeling te sturen over de portefeuilleoverdracht. Als er wel een mededeling wordt verzonden aan betrokkenen, kan daarvan gesteld worden dat daarmee ook aan verplichtingen op grond van art. 4:20 lid 3 Wft wordt voldaan, voor zover wordt aangenomen dat uit dat wetsartikel in het geval van een portefeuilleoverdracht wel informatieverplichtingen voortvloeien.
Kortom, door de wijze van bekendmaken bestaat de kans dat een polishouder niet op de hoogte is van de voorgenomen portefeuilleoverdracht, juridische fusie of juridische splitsing. Hij kan dan dus ook geen gebruik van het in de Wft aan hem toegekende verzetrecht. Dit terwijl de wettekst van art. 3:119 Wft DNB al wel de ruimte geeft om opdracht te geven de polishouder op een andere manier dan door dagbladadvertenties te informeren.
Door bestuursrechtelijke jurisprudentie is het óók in het belang van de betrokken verzekeraars dat polishouders op de hoogte zijn van een voorgenomen portefeuilleoverdracht
Men kan naar aanleiding van de recente bestuursrechtelijke jurisprudentie over de juridische fusie tussen Optas Pensioenen en Aegon Levensverzekering stellen, dat het inmiddels bij portefeuilleoverdrachten ook in het eigen belang is van verzekeraars om ervoor te zorgen dat polishouders op de hoogte zijn van de voorgenomen portefeuilleoverdracht en de daarvoor door DNB verleende instemming.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat een polishouder belanghebbende is in de zin van art. 1:2 Awb ten aanzien van de instemming van DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft. In hoofdstuk 6.6 ben ik ingegaan op deze uitspraak.
Er moet dus voortaan van worden uitgegaan dat een polishouder van een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar op grond van de Awb met betrekking tot het instemmingsbesluit van DNB een bestuursrechtelijke procedure kan volgen. Het herroepen van het instemmingsbesluit van DNB heeft tot gevolg dat de portefeuilleoverdracht nietig is.
De overdragende verzekeraar doet er bij een portefeuilleoverdracht dus verstandig aan de polishouders op de hoogte te stellen van het instemmingsbesluit van DNB. Alleen dan kunnen polishouders immers later niet aanvoeren dat zij pas dan op de hoogte zijn geraakt van het instemmingsbesluit. Zij kunnen anders alsnog binnen een termijn van twee weken bezwaar maken bij DNB.
Met individuele kennisgevingen in het kader van de Wft kan meteen aan verplichtingen op grond van de AVG worden voldaan
Indien de overdragende verzekeraar een individuele kennisgeving zou versturen aan de polishouders om hen over de voorgenomen portefeuilleoverdracht en het Wft-verzetrecht te informeren, dan kan hij daarin meteen ook informatie opnemen die hij en de verkrijgende verzekeraar op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming verplicht zijn aan de betrokkenen te verstrekken.
In hoofdstuk 7.4 ben ik ingegaan op de AVG. Na de “closing” van de transactie mag de overdragende verzekeraar de persoonsgegevens in zijn administratie (betreffende de verzekeringsovereenkomsten) overdragen aan de verkrijgende verzekeraar.2 Het is verdedigbaar dat de overdragende verzekeraar verplicht is om de betrokkenen op grond van art. 13 AVG te informeren over deze overdracht van de verzekeringsadministratie. De verkrijgende verzekeraar moet op grond van art. 14 AVG de betrokkenen na de “closing” binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk binnen één maand na de verkrijging van de persoonsgegevens, informeren welke rechtspersoon de verwerkingsverantwoordelijke is geworden en waar de betrokkenen het privacy statement kunnen vinden, tenzij de betrokkenen reeds over deze informatie beschikken. Als de overdragende verzekeraar dus al in een individuele kennisgeving aan de betrokkenen heeft toegevoegd welke rechtspersoon aan de zijde van de verkrijgende verzekeraar de verwerkingsverantwoordelijke wordt en waar diens privacy statement te vinden is, dan hoeft de verkrijgende verzekeraar niet meer aan deze verplichting te voldoen (art. 14 lid 5 AVG).3
De gedachte dringt zich daardoor op dat een verzekeraar nauwelijks argumenten, bijvoorbeeld gebaseerd op de kosten daarvan, heeft om tegen het versturen van individuele kennisgevingen te zijn in het kader van de Wft-procedure. Met die individuele kennisgevingen in het kader van de Wft kan dan immers meteen aan verplichtingen op grond van de AVG worden voldaan.
Belangen van degenen die keurig hun adreswijzigingen doorgeven horen te prevaleren boven de belangen van degenen die dat niet doen
Het plaatsen van advertenties werd in het verleden wel beargumenteerd door te stellen dat de verzekeraar niet over de juiste adressen van alle polishouders beschikt. Daartegen kan men echter opwerpen dat de polishouders die wel keurig aan hun administratieve verplichtingen voldoen daar niet onder zouden moeten lijden, doordat zij dan ook geen individuele kennisgeving over een portefeuilleoverdracht ontvangen.
De administratie van een levensverzekeraar en een natura-uitvaartverzekeraar is niet volledig juist en niet geheel volledig. Een belangrijke reden daarvan is dat een deel van de verzekeringnemers de verzekeraar niet op de hoogte stelt van een adreswijziging. Van deze polishouders staat dus niet het juiste adres in de administratie van de verzekeraar.4 Indien de verzekeraar bij een portefeuilleoverdracht een advertentie plaatst, kunnen ook deze polishouders daardoor dan wel op de hoogte zijn van de voorgenomen overdracht van de verzekeringsportefeuille.
Hier rijst de principiële vraag of het kunnen bereiken van polishouders die hebben nagelaten een adreswijziging aan de verzekeraar te sturen, in redelijkheid de reden kan zijn om zich dan ook via een advertentie te richten tot polishouders die hun persoonlijke administratieve taken in het algemeen wel keurig vervullen. De laatste groep heeft daardoor een grote kans niet op de hoogte te zijn van een voorgenomen overdracht en de mogelijkheid op grond van de Wft in verzet te komen. Overigens zullen er ook polishouders zijn die een adreswijziging niet doorgeven, omdat zij “vergeten” zijn dat zij een polis hebben. Voor deze mensen heeft ook het plaatsen van een advertentie geen zin.
De recente wijziging van bijlage 4 van het Besluit basisregistratie personen faciliteert óók het versturen van individuele kennisgevingen aan Wft-verzetgerechtigden
Het “probleem” van de niet volledig juiste en niet geheel volledige administratie van de verzekeraar om individuele kennisgevingen te versturen zal op korte termijn kleiner worden, doordat het mogelijk wordt gemaakt dat verzekeraars systematisch meldingen ontvangen uit de Basisregistratie Personen van het overlijden van ingezetenen van Nederland. Dit faciliteert ook het eventueel versturen van individuele kennisgevingen aan Wft-verzetgerechtigden in het geval van een portefeuilleoverdracht door een verzekeraar. Deze wijziging van bijlage 4 van het Besluit basisregistratie personen lost overigens niet het probleem op dat verzekeraars met betrekking tot verzekeringen waarvan het verzetrecht nog toekomt aan de verzekeringnemer (terwijl deze verzekeringnemer niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met mededelingen langs elektronische weg) niet altijd beschikken over het juiste postadres van de desbetreffende verzekeringnemer. Zie hierover verder hoofdstuk 7.5.3.
Ook aan art. 7:933 BW kunnen argumenten vóór het versturen van individuele kennisgevingen ontleend worden
In het debat over adverteren ten opzichte van het versturen van individuele kennisgevingen in het kader van een portefeuilleoverdracht, zou men zich strikt genomen zelfs kunnen afvragen of de opdrachten van DNB om te adverteren eigenlijk opdrachten aan de verzekeraar zijn om in strijd te handelen met art. 7:933 BW. Op grond van art. 7:933 BW moet de verzekeraar mededelingen waartoe de verzekeringsovereenkomst aanleiding geeft schriftelijk versturen. De term “schriftelijk” omvat alle vormen die de modernste techniek kent. De klant ontvangt mededelingen elektronisch als hij daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd. De verzending moet dan op een zodanige wijze gebeuren dat de mededelingen kunnen worden opgeslagen op een duurzame drager. De vraagt rijst of DNB, indien zij de verzekeraar op grond van art. 3:119 en 3:120 Wft opdracht geeft om advertenties te plaatsen in landelijke dagbladen, aan de verzekeraar eigenlijk opdracht geeft tot een handelen in strijd met art. 7:933 BW. Mijns inziens zijn er argumenten om die vraag bevestigend te beantwoorden. Zie verder hoofdstuk 7.6.2.
Versturen van individuele kennisgevingen past ook beter in de huidige tijdgeest van transparantie
Ten slotte wil ik opmerken dat er in het algemeen een maatschappelijke trend is waarin een grotere mate van transparantie wordt verwacht van de overheid, financiële instellingen en andere organisaties. Ik wijs bijvoorbeeld op de recente Wet open overheid.5 Ook in dat kader lijkt het passender om van verzekeraars te verlangen dat zij in geval van een portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing individuele kennisgevingen versturen aan polishouders, in plaats van adverteren.
Conclusie
De conclusie dringt zich dus op dat het inmiddels tijd is geworden dat DNB niet langer op grond van art. 3:119 lid 1 Wft aan levensverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars opdracht geeft om advertenties in dagbladen te plaatsen.
Door de wijze van bekendmaken bestaat immers de kans dat een polishouder niet op de hoogte is van de voorgenomen portefeuilleoverdracht, juridische fusie of juridische splitsing. Hij kan dan dus ook geen gebruik van het in de Wft aan hem toegekende verzetrecht. Het verzetrecht is het recht van de polishouder waarmee hij eventueel invloed kan uitoefenen op het al dan niet doorgaan van de transactie.
Het versturen van individuele kennisgevingen aan polishouders is in het geval van een portefeuilleoverdracht door recente jurisprudentie ook in het belang van de betrokken verzekeraars zelf. Het is in hun eigen belang om te voorkomen dat in een later stadium uit hoofde van de Awb bezwaar wordt ingediend tegen het instemmingsbesluit van DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft, met de hierboven en in hoofdstuk 6.6 geschetste gevolgen. Het is nu in feite in het eigen belang van de betrokken verzekeraars dat de polishouder op de hoogte is dat DNB met de portefeuilleoverdracht heeft ingestemd.
Mogelijk kan de overdragende verzekeraar voor de kosten die gepaard gaan met het versturen van individuele kennisgevingen ook afspraken maken met de verkrijgende verzekeraar. Dit omdat de verkrijgende verzekeraar na de portefeuilleoverdracht anders zelf kennisgevingen moet versturen op grond van art. 14 AVG. Verder kan men aanvoeren dat de belangen van degenen die gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomst keurig hun adreswijzigingen doorgeven aan de verzekeraar hier horen te prevaleren boven de belangen van degenen die dat niet doen. De wijziging van het Besluit basisregistratie personen zal ook het versturen van individuele kennisgevingen aan Wft-verzetgerechtigden faciliteren. Overigens zou men deze aanpak ook kunnen beargumenteren op grond van het bepaalde in art. 7:933 BW, en meer in het algemeen, de tijdgeest van transparantie.
Mijn voorstel
DNB geeft in het geval van een overdracht van een portefeuille van levensverzekeringen of natura-uitvaartverzekeringen aan de verzekeraar opdracht om van zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling te doen in de Staatscourant en op andere door DNB te bepalen wijze (art. 3:119 lid 1 Wft). In de praktijk is de “andere door DNB te bepalen wijze” tot nu toe meestal een publicatie in drie landelijke dagbladen. Ik stel voor dat DNB voortaan opdracht geeft om (naast de mededeling in de Staatscourant) de Wft-verzetgerechtigden6 een individuele kennisgeving7 toe te sturen. De overdragende verzekeraar kondigt hierin de voorgenomen overdracht aan en wijst op het Wft-verzetrecht. In deze kennisgeving kan dan ook een passage gewijd worden aan op grond van de AVG te verstrekken informatie. In aanbeveling 2 in hoofdstuk 10.4 heb ik uiteengezet welke informatie de kennisgeving verder nog zou kunnen bevatten. De overnemende verzekeraar doet er uiteraard verstandig aan in de transactiedocumentatie te bedingen dat de inhoud van een individuele kennisgeving zijn instemming behoeft. Er is, zoals al eerder vermeld, geen wijziging van de Wft vereist om hiertoe over te kunnen gaan.
Strikt genomen volgt uit de Optas/Aegon jurisprudentie dat een belanghebbende een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft met betrekking tot de beschikking op grond van art. 3:119 lid 4 Wft. Het recht van bezwaar en beroep heeft dus geen betrekking op de opdracht om mededeling te doen van het voornemen tot overdracht zoals omschreven in art. 3:119 lid 1 Wft (zie hoofdstuk 6.6.1). Dit impliceert dat de overdragende verzekeraar er in beginsel verstandig aan doet om wederom een individuele kennisgeving te versturen nadat DNB het instemmingsbesluit heeft genomen.
De overdragende verzekeraar zal zich in de praktijk ongetwijfeld afvragen in welke mate het versturen van een tweede individuele kennisgeving aan degenen die voorafgaand aan de verzettermijn al een kennisgeving hebben ontvangen, voor hem wat betreft moeite en kosten belastend is. Het bestand van Wft-verzetgerechtigden zal in verband met de eerste kennisgeving waarschijnlijk al gesplitst zijn in een bestand met degenen aan wie een elektronische mededeling kan worden verstuurd en degenen aan wie een brief moet worden gestuurd (zie hoofdstuk 7.6). De moeite en kosten van het verzenden van een tweede individuele kennisgeving zijn dan mogelijk beperkt. Indien bijvoorbeeld het bestand voor brieven groot is, zou dat anders kunnen zijn. Die verzekeraar zou dan kunnen zoeken naar andere oplossingen. Wat ik bijvoorbeeld kan bedenken, is dat in de eerste brief wordt medegedeeld dat er in een bepaalde periode een speciaal telefoonnummer beschikbaar is waarop navraag kan worden gedaan of het besluit is genomen, of dat aangekondigd wordt dat er een publicatie komt op de website van de verzekeraar zodra het besluit is genomen.
De betrokken verzekeraars zullen zich overigens echter ook moeten afvragen of er belanghebbenden zijn die de eerste individuele kennisgeving niet hebben ontvangen (omdat zij geen Wft-verzetrecht hebben), maar die beter wel een kennisgeving ontvangen dat DNB een instemmingsbesluit heeft genomen (omdat zij wel een Awb-bezwaarrecht hebben). De kring van belanghebbenden die op grond van de Awb bezwaar kan maken tegen het instemmingsbesluit van DNB zal namelijk in beginsel groter zijn dan de kring van Wft-verzetgerechtigden. Op grond van art. 3:119 lid 5 Wft worden voor de toepassing van het Wft-verzetrecht onder de term “polishouder” verstaan: “de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde”. Het recht om een bestuursrechtelijke procedure te volgen tegen een door DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft genomen instemmingsbesluit komt naar mijn mening niet alleen toe aan een polishouder (zoals genoemd in de uitspraak van het CBb van 14 december 2021), maar ook aan de begunstigde van een collectieve levensverzekering, en de begunstigde van een individuele levensverzekering die al een uitkering geniet of waarvan de begunstiging op grond van art. 7:968 BW al onherroepelijk is geworden (zie hoofdstuk 6.6.6). De begunstigden van collectieve levensverzekeringen hebben geen Wft-verzetrecht (zie hoofdstuk 5.6.2.3) en zullen daarom geen individuele kennisgeving hebben gekregen met een aankondiging van de voorgenomen overdracht en het Wft-verzetrecht. Ook degenen die bij een individuele levensverzekering de begunstiging hebben aanvaard,8 maar waarbij nog geen sprake is van een opeisbare uitkering, zullen die aankondiging niet hebben ontvangen.
De betrokken verzekeraars zullen een beslissing moeten nemen of zij deze begunstigden wél een individuele kennisgeving willen toesturen dat DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft instemming heeft verleend. Indien zij dat niet doen, lopen zij in theorie het risico dat er in de toekomst alsnog vanuit deze groep bezwaar wordt gemaakt tegen het instemmingsbesluit van DNB met alle gevolgen van dien (ontvankelijkheid van bezwaar en beroep en uiteindelijk mogelijk nietigheid van de portefeuilleoverdracht). Verzekeraars zullen de beslissing om al dan niet een individuele kennisgeving te versturen aan belanghebbenden die de eerste kennisgeving niet hebben ontvangen, dan waarschijnlijk laten afhangen van de kans dat dit risico zich daadwerkelijk verwezenlijkt.