Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden
Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/2.4.3:2.4.3 De gebiedsbeschermende bepalingen in de Natuurbeschermingswet 1998
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/2.4.3
2.4.3 De gebiedsbeschermende bepalingen in de Natuurbeschermingswet 1998
Documentgegevens:
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS448636:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat volgt uit de definitie van dit begrip (artikel 1 sub l Nbw 1998) en uit de redactie van de aanwijzingsbevoegdheid (artikel 10a, eerste lid Nbw 1998).
Zie art. 10a, lid 2 jo art. 11, lid 1 Nbw 1998.
Art. 19a, lid 3 Nbw 1998.
Bij AMvB kan de Minister van EZ voor bepaalde projecten of andere handelingen of categorieën als bevoegde instantie worden aangewezen. Zie art. 19d, lid 5 Nbw 1998.
Art. 19j, lid 1 en 2 Nbw 1998.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf worden in kort bestek de belangrijkste bepalingen voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden op een rij gezet. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten een uitgebreide analyse van de vormgeving, inhoud en juridische consequenties van het beheerplan voor Natura 2000-gebieden. In het kader van die analyse zal ook worden bekeken in hoeverre het beheerplan voldoet aan de vereisten van artikel 6, eerste, tweede, derde en vierde lid Hrl.
De aanwijzing van Natura 2000-gebieden vindt plaats op basis van artikel 10a Nbw 1998. Onder Natura 2000-gebieden worden verstaan: speciale beschermingszones ingevolge de Vrl en/of de Hrl.1 De Minister van EZ is bevoegd tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden. In een aanwijzingsbesluit worden de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende habitats en soorten van het betrokken Natura 2000-gebieden opgenomen. Op de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit is afdeling 3.4 Awb van toepassing.2 De rechtsgevolgen van de aanwijzing op basis van artikel 10a Nbw 1998 zijn te vinden in Titel 2 paragraaf 2 van de Nbw 1998.
Naar de mening van de wetgever is bij de realisering van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden een belangrijke rol weggelegd voor beheerplannen. In dergelijke plannen moeten onder meer de noodzakelijke maatregelen worden opgenomen om een gunstige staat van instandhouding van kwalificerende habitats en soorten te realiseren.3 De wijze van totstandkoming van deze plannen, de inhoudelijke vereisten en de juridische status, komen uitvoerig aan de orde in hoofdstuk 3 (‘Beheerplannen in de zin van artikel 19a en 19b Nbw 1998’).
Ingevolge artikel 19d Nbw 1998 zijn projecten of andere handelingen met mogelijke verslechterende of significante verstorende effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied vergunningplichting. In de meeste gevallen zijn Gedeputeerde Staten het bevoegde gezag.4 In bepaalde gevallen is geen Nbw 1998-vergunning nodig. Een aanvraag voor een Nbw 1998-vergunning wordt beoordeeld met behulp van het afwegingskader in de artikelen 19e-19h Nbw 1998. Artikel 19f Nbw 1998 omvat de zogenaamde passende beoordeling. Het opstellen van een passende beoordeling is verplicht bij projecten of plannen met (mogelijke) significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Dergelijke plannen of projecten kunnen alleen doorgang vinden indien wordt voldaan aan de vereisten van artikel 19g en 19h Nbw 1998. De juridische grondslag voor deze bepalingen is te vinden in artikel 6, derde en vierde lid, Hrl. Een uitgebreide analyse van de vergunningplicht en de habitattoets is te vinden in hoofdstuk 4 van dit boek.
Artikel 19j Nbw 1998 bevat een aparte regeling voor het toetsen van plannen met (mogelijke) significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het toetsingskader van de artikelen 19e-19h Nbw 1998 is van overeenkomstige toepassing. De instantie die bevoegd is tot het vaststellen van een ruimtelijk plan moet daarbij rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Het betrokken bestuursorgaan moet, indien mogelijkerwijs significant effecten optreden, een passende beoordeling opstellen.5 Deze problematiek komt uitgebreid aan de orde in hoofdstuk 6.