Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VIII.2.2
VIII.2.2 Rechtsgevolgen (en rechtszekerheid)
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178815:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. A-G Timmerman, in zijn conclusie voor HR 26 november 2010, NJ 2011/ 55, m.nt. Van Schilfgaarde (Silver Lining), onder 3.18.
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 17.2, p. 304, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/291 en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/98.
Vgl. in dezelfde zin Van Schilfgaarde 2008, par. 10 e.v., Blanco Fernández 2010, par. 2 en De Mol van Otterloo 2010, par. 15.
Meijer 2010, par. 2.7 en A-G Timmerman, in zijn conclusie voor HR 26 november 2010, NJ 2011/55, m.nt. Van Schilfgaarde (Silver Lining), onder 3.16.
Althans na mededeling van de benoeming (art. 3:37 lid 3 BW). Aanvaarding is niet vereist nu de benoeming een eenzijdige rechtshandeling betreft. Anders o.m. Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 49.1, p. 874, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/ 195 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/240 onder h.
Zie uitvoeriger § IV.
Een voorbeeld hiervan is de derde die aan een stichting een aanbod tot de koop van een perceel heeft gedaan. Besluit het bestuur tot aanvaarding van dit aanbod, dan werkt dit besluit na mededeling rechtstreeks jegens de derde. Vgl. de casus die ten grondslag ligt aan HR 19 oktober 2001, JOR 2002/1, m.nt. Blanco Fernández (Stichting Utrechts Monumentenfonds).
Allereerst heeft het aantasten van een besluit, aldus de Hoge Raad, vaak ingrijpende rechtsgevolgen voor zowel de rechtspersoon als derden. In verband met de rechtszekerheid staat deze handeling daarom niet ter vrije beschikking van partijen, zodat scheidsmannen haar niet kunnen verrichten. De verwijzing naar de rechtszekerheid lijkt geen zelfstandig argument – het zijn vooral de rechtsgevolgen voor derden die volgens de Hoge Raad nopen tot een exclusieve bevoegdheid van de overheidsrechter.1
Het beroep van de Hoge Raad op de rechtsgevolgen voor derden kan maar moeilijk overtuigen. Met die gevolgen valt het mee, of het nu een besluit met interne dan wel externe werking betreft.
a Interne besluiten
De meeste besluiten hebben slechts interne werking. Dit betekent dat ze voor derden buiten de rechtspersoon – denk aan werknemers en schuldeisers – rechtens geen effect hebben. Niet besluitvorming maar vertegenwoordiging geeft immers de verhouding tussen de rechtspersoon en de derde vorm.2 Vernietigt een arbiter bijvoorbeeld het besluit van de algemene vergadering van een NV om het afstoten van een belangrijke deelneming goed te keuren (art. 2:107a lid 1 onder c BW), dan heeft dit geen invloed op de na vertegenwoordiging totstandgekomen overeenkomst tussen de rechtspersoon en de koper van de deelneming (art. 2:107a lid 2 BW). Een rechtsgevolg van de vernietiging, laat staan een ingrijpend rechtsgevolg, valt niet te ontdekken. Dat een intern besluit niet arbitrabel zou zijn, volgt daarom niet uit de bescherming van derden.3 Er zijn geen derden.
Een intern besluit kan uiteraard wel rechtsgevolg hebben binnen de rechtspersoon. Zo komt met een (intern) besluit van de algemene vergadering de jaarrekening vast te staan (art. 2:101/210 lid 3 BW) en daarmee de hoeveelheid winst die de NV en BV aan de aandeelhouders kan uitkeren (art. 2:105 lid 3/216 lid 1 BW). Vernietigt een scheidsgerecht het jaarrekeningbesluit, dan zou dit dus ook consequenties hebben voor aandeelhouders die niet in het arbitrale geding zijn betrokken. Meijer en, in diens voetspoor, advocaat-generaal Timmerman menen dat dit zich niet laat verenigen met het karakter van het arbitraal vonnis. Dat werkt immers uitsluitend tussen de partijen die de arbitrage hebben gevoerd.4 Deze redenering is evenwel niet sluitend. De aandeelhouders of de andere betrokkenen binnen de rechtspersoon kan immers de gelegenheid worden geboden zich te mengen in de arbitrageprocedure, zodat de werking van het arbitraal vonnis jegens alle betrokkenen binnen de rechtspersoon te rechtvaardigen is. Dat het aantasten van een besluit gevolgen kan hebben binnen de rechtspersoon, vormt geen absolute blokkade voor arbitrage. Het betekent slechts dat de arbitrageprocedure de nodige waarborgen moet kennen. Al met al is er met het oog op de rechtsgevolgen weinig reden voor de non-arbitraliteit van interne besluiten.
b Externe besluiten
Hoe zit het met externe besluiten? Een selecte groep van besluiten brengt rechtstreeks – dat wil zeggen zonder nadere vertegenwoordigingshandeling – wijziging in de band tussen de derde en de rechtspersoon of geldt daarvoor als (constitutieve) voorwaarde.5 Besluit bijvoorbeeld de algemene vergadering om een bestuurder te benoemen, dan is diegene zonder meer benoemd.6 Wordt een extern besluit vernietigd of is het nietig, dan werkt dit meteen door in de externe rechtsband. Meer concreet: de nietigheid of vernietiging van een benoemingsbesluit brengt met zich dat een persoon nooit bestuurder is geweest.
Een extern besluit heeft dus consequenties voor de derde. Toch is dit geen reden om arbitrage van deze groep besluiten zonder meer uit te sluiten. In de eerste plaats gaat het bij externe besluiten in verreweg de meeste gevallen niet om ‘daadwerkelijke’ derden, oftewel om personen die buiten de rechtspersoon staan. Een extern besluit raakt veelal de (kandidaat-)bestuurders (benoeming, ontslag en bezoldiging), de aandeelhouders van een vennootschap (emissie) of de leden van een vereniging (toelating en royement).7 Het bestaan van rechtsgevolgen voor dit soort betrokkenen is geen argument tegen arbitrage als zodanig, maar slechts tegen arbitrage zonder de nodige waarborgen. Ook hier geldt arbitrage niet als bezwaarlijk, op de voorwaarde dat de betrokkenen in de procedure kunnen interveniëren.
Waar het in een uitzonderlijk geval wel een derde, een buitenstaander, betreft,8 ziet diegene zich beschermd door art. 2:16 lid 2 BW. Indien de derde het gebrek in het besluit (en de arbitrage daarover) kende noch behoorde te kennen, dan kan hem volgens dit artikel de nietigheid of vernietiging niet worden tegengeworpen. Dit betekent dat de derde geen gevolgen ondervindt van de uitkomst van een procedure voor een scheidsgerecht. In de bescherming van deze – kleine – groep derden ligt derhalve geen argument tegen arbitrage.