Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/5.3.0
5.3.0 Introductie
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS465703:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Tweede evaluatie Wet bestuurlijke boeten (V-N 2004/2.6).
Zie Kamerstukken II, vergaderjaar 2006-2007, 31 124, nr. 3, p. 66 en bijvoorbeeld ook Haas/Jansen, p. 143. Overigens vind ik de letterlijke tekst van het eerste lid van artikel 67pa AWR niet uitblinken in helderheid. In deze bepaling wordt nl. alleen een uitzondering op de Awb gecodificeerd voor verzuimboeten en niet voor vergrijpboeten. Voor vergrijpboeten zou dan de hoofdregel van artikel 5:53 van de Awb wel hebben te gelden, zodat vergrijpboeten van € 340 of minder onder het lichte regime zouden vallen.
Overigens wordt voor de verplichte zienswijzeprocedure vaak de term hoorplicht gebruikt. De zienswijzeprocedure houdt echter geen plicht tot daadwerkelijk horen in, maar een plicht tot het uitnodigen van de overtreder om zijn zienswijze kenbaar te maken. Als de inspecteur dus de betrokkene heeft uitgenodigd, en deze ziet uiteindelijk af om van zijn hoorrecht gebruik te maken, dan is er geen sprake van schending van de zienswijzeprocedure.
Nicolaï benadrukt bij de bespreking van de hoorplicht van artikel 4:8 Awb vooral het verdedigingsbelang van belanghebbende (Nicolaï e.a., p. 412).
Zie T&C Awb, aantekening 1 bij de inleiding bij afdeling 4.1.2. Zie ook Feteris, M. W.C., 2007, p. 359, met betrekking tot de fiscale voorganger van de zienswijzeprocedure: artikel 67k AWR (oud).
Zie ook hoofdstuk 4, onderdeel 4.2.
Gedurende de beeldvormingsfase van het besluitvormingstraject, is het noodzakelijk dat de standpunten van de partijen voldoende over het voetlicht komen. Het is daarbij van belang dat de partijen niet slechts hun visie geven, maar ook direct (mondeling) kunnen reageren op de stellingen van de tegenpartij. Het bestuurlijke boeterecht kent daarvoor de mogelijkheid voor de belanghebbende om – voordat de boete wordt opgelegd – zijn verweer (mondeling) te voeren: de zienswijzeprocedure van artikel 5:50 Awb.
Deze zienswijzeprocedure vormt een belangrijke schakel in het fiscale (vergrijp) boeteonderzoek. Het geeft de inspecteur de gelegenheid om het finale bewijs te vergaren voor het opleggen van de vergrijpboete. Dit bewijs hoeft niet alleen betrekking te hebben op bijvoorbeeld het bewijs van het begaan van het beboetbare feit, maar het kan eveneens zien op strafverzwarende of strafverminderende omstandigheden. De zienswijzeprocedure is derhalve van groot belang voor het fiscale straftoemetingsonderzoek, zoals eerder bleek tijdens de Tweede Evaluatie Wet bestuurlijke boeten:
“Zowel de belastingadviseurs als de Belastingdienst zijn van mening dat de kennisgeving een belangrijke waarborg is. Op een groot deel van de kennisgevingen wordt gereageerd. Veelal gaat het in de reactie om de schuldkwalificatie, maar ook het aspect van de individuele straftoemeting wordt bespreekbaar gemaakt. Een aanmerkelijk deel van de contacten tussen belanghebbende en de Belastingdienst leidt ertoe dat de boete nog wordt aangepast.”1
In het strafrecht komt het beeldvormende onderzoek op tegenspraak terug in het onderzoek ter terechtzitting. In deze paragraaf 5.3 zal dan ook het onderzoek ter terechtzitting met de bestuursrechtelijke zienswijzeprocedure worden vergeleken, uiteraard met het oog op het belang daarvan voor de finale straftoemeting. Voordat dat ik doe zal ik eerst enkele inleidende opmerkingen plaatsen bij de inbedding van de zienswijzeprocedure in het fiscale boeterecht.
Het specifieke onderzoek naar de strafmaat – de vierde vraag van het beslissingsmodel van artikel 350 Sv – komt in de volgende paragraaf 5.4 aan bod.
Ter inleiding: de zienswijzeprocedure in het fiscale bestuurlijke boeterecht
De Awb maakt een onderscheid in procedureel opzicht tussen lage boeten (boeten tot maximaal € 340) en hoge boeten (boeten vanaf € 340). Bij het opleggen van een lage boete kan worden volstaan met het toezenden van een boetebeschikking (de lichte procedure). Als het bestuursorgaan een hoge boete wil opleggen, dan moet het de betrokkene vooraf in kennis stellen en de mogelijkheid bieden zijn zienswijze naar voren te brengen vóórdat de boetebeschikking wordt opgemaakt (artikel 5:53 Awb). Dit wordt ook wel de zware procedure genoemd.
Het onderscheid tussen de lichte en zware procedure geldt eveneens voor fiscale bestuurlijke boeten, met dien verstande dat de wetgever voor het onderscheid niet heeft aangehaakt bij het getalsmatige Awb-criterium (€ 340), maar bij het reeds bestaande onderscheid tussen fiscale verzuim- en vergrijpboeten (artikel 67pa, lid 1 AWR). Voor het opleggen van verzuimboeten is het volgen van de lichte procedure derhalve voldoende, ook wanneer deze hoger zijn dan € 340. De zware procedure moet worden toegepast als een vergrijpboete wordt opgelegd, ongeacht de hoogte van daarvan.2
Als een inspecteur van plan is een vergrijpboete op te leggen, dan is hij gehouden om de belastingplichtige vóóraf op de hoogte te stellen van het voornemen daartoe middels een rapport (artikel 5:48 Awb). Hij is daarbij tevens verplicht de belastingplichtige uit te nodigen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Deze verplichting3 geldt dus niet voor verzuimboeten. Dat neemt echter niet weg dat ook in die situaties de inspecteur bevoegd blijft om de overtreder te horen op grond van artikel 3:2 Awb.4
Hoewel de zienswijzeprocedure invulling geeft aan het beginsel van hoor-en-wederhoor,5 staat mijns inziens het beginsel van zorgvuldig onderzoek (artikel 3:2 Awb) voorop. Primair gaat het immers om de zorgvuldige voorbereiding van het te nemen boetebesluit.6 Bij het feitelijke horen van de betrokkene kan deze dubbelfunctie problematisch zijn. Gaat de inspecteur bijvoorbeeld bij het horen te veel uit van het verdedigingsbelang van de betrokkene, dan kan dat leiden tot een te passieve houding waardoor het belang van een zorgvuldige voorbereiding daaronder te lijden heeft. Anderzijds kan een proactieve houding van de inspecteur de betrokkene tijdens het horen het gevoel geven, dat hij slechts een rol heeft als onderzoeksobject. Dit gevoel wordt versterkt als het horen geschiedt door dezelfde persoon als degene die het voorafgaande heffings- en/of schuldonderzoek voor zijn rekening heeft genomen. Naar mijn mening zou het horen in de zienswijzeprocedure dan ook door een ander moeten worden waargenomen, dan degene die het vooronderzoek heeft geleid.7