Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.5.3.1
5.5.3.1 Inleiding
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS303173:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover HR 29 april 1987, nr. 23 731, BNB 1987/205 (noot L.F. Ploeger), waarin de Hoge Raad overweegt: ‘Volgens de MvT (Kamerstukken II 1968/69-1911, nr. 3, blz. 3 l.k.) bij het ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 2 juli 1969, Stb. 1969, 306, bij welke wet het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 is goedgekeurd, is bij de in dat besluit bedoelde relatiegeschenken ‘met name gedacht aan geschenken die de ondernemer om zakelijk motieven doet toekomen aan zijn afnemers, leveranciers of andere dergelijke betrekkingen’, en is bij de andere giften ‘in het algemeen gedoeld op bevoordelingen door de ondernemer van stichtingen en dergelijke instellingen die geen recht van vooraftrek hebben’. Uit HR 12 december 2008, nr. 41 732, BNB 2009/44 (noot Bijl) blijkt dat de drijfvoor voor het geven van relatiegeschenk gelegen moet zijn in de zakelijke verhoudingen tussen de gever van het relatiegeschenk en de afnemer daarvan.
À la het stukje worst dat de slager verstrekt aan de kinderen van zijn klanten.
Bij enkele van deze voorbeelden zou wellicht nog gesteld kunnen worden dat er geen sprake is van geschenken en dat een deel van de betaalde vergoeding betrekking heeft op het bijgeleverde goed (navigatiesysteem, speelgoedje) of de bijgeleverde dienst (toegang tot attractiepark, deelname aan kansspel).
Zie recent hierover nog Hof ’s-Hertogenbosch 15 april 2008, nr. 02/04865, V-N 2008/54.23; in onderdeel 5.3.9. heb ik vraagtekens geplaatst bij de juistheid van deze beslissing.
Het gaat hier om een andere categorie gratis leveringen of diensten dan ‘relatiegeschenken’ en ‘andere giften’ in de zin van art. 1, lid 1, letter a, en lid 2, van het Bua. Bij relatiegeschenken gaat het om geschenken aan bestaande klanten of leveranciers en bij andere giften om bevoordelingen van stichtingen en dergelijke instellingen.1 Ik heb hier het oog op geschenken die worden verstrekt in het kader van promotionele acties2, zoals de autodealer die bij de aanschaf van een auto een navigatiesysteem cadeau geeft, de fabrikant en leverancier van pampers die bij de aanschaf van 20 pakken pampers een entreekaartje voor een attractiepark cadeau geeft, de exploitant van een fastfood restaurant die bij de aanschaf van een bepaald assortiment aan eten en drinken een kinderspeelgoedje cadeau geeft, of de wasmiddelenfabrikant die bij aanschaf van waspoeder gelegenheid geeft om gratis deel te nemen aan een kansspel met de kans op het winnen van een prijs.3 Daarbij komt het veel voor dat het gratis goed of de gratis dienst aan de klant wordt verstrekt tegen de inlevering van eerder verstrekte zegels of waardebonnen (bijv. de leverancier van koffie en thee die bonnen verstrekt waarmee gespaard kan worden voor de aanschaf van een espressoapparaat). In al deze gevallen zou men zich kunnen afvragen of er wel sprake is van een geschenk. Men zou ook kunnen stellen dat een deel van de vergoeding betrekking heeft op het bijgeleverde ‘geschenk’. Het valt buiten het bestek van dit onderzoek om deze problematiek te bespreken. In de door mij te bespreken voorbeelden kan ervan uitgegaan worden dat de door de afnemer betaalde vergoeding enkel betrekking heeft op de hoofdprestatie en niet gedeeltelijk kan worden toegerekend aan het geschenk.
In alle hiervoor genoemde voorbeelden vindt de gratis verstrekking plaats in verband met een belaste prestatie. Er zijn ook gratis verstrekkingen denkbaar die niet plaatsvinden in verband met een belaste prestatie. Een voorbeeld hiervan is een autodealer die aan iedereen die bereid is een proefrit te maken in een van zijn auto’s een dvd ter waarde van € 20 aanbiedt.
Onder de tot 1 januari 2007 geldende wetgeving kon de ondernemer de aan dit soort gratis verstrekkingen toerekenbare voorbelasting in beginsel in aftrek brengen omdat de gratis verstrekte goederen en diensten werden gebezigd in het kader van de onderneming. Aan aftrekbeperking op grond van het Bua werd niet toegekomen, omdat er immers geen sprake was van relatiegeschenken en andere giften in de zin van het Bua. Alleen in het geval dat de gratis verstrekking kon worden aangemerkt als ‘een prestatie als bedoeld in artikel 11’ kon de aan de gratis verstrekking toerekenbare voorbelasting niet in aftrek worden gebracht.4