Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/5.2.2:5.2.2 Art. 3.6.1.2 Ontwerp Burgerlijk Wetboek
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/5.2.2
5.2.2 Art. 3.6.1.2 Ontwerp Burgerlijk Wetboek
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489664:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de niet ingevoerde titel 3.6 (O)BW (Bewind) werd – in art. 3.6.1.2 ten aanzien van zaaksvervanging bepaald:
‘Tenzij bij de instelling van het bewind anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in de plaats van een aan het bewind onderworpen goed te treden, benevens de vruchten en andere voordelen die een onder bewind staand goed oplevert.’1
In het Eindverslag I wordt – naar aanleiding van het betoog van Hammerstein2 – de vraag gesteld of het niet gewenst is de termen’ geacht moeten worden in de plaats te treden’ te vervangen door ‘rechtens in de plaats treden’. Het antwoord daarop luidt:
‘De omschrijving “geacht moeten worden in de plaats te treden” verdient de voorkeur boven de omschrijving, voorgesteld door Hammerstein. De door deze gebezigde term “rechtens” doet denken aan een verwijzing naar rechtsregels die elders in het nieuwe wetboek voor de hier bedoelde gevallen zouden zijn opgenomen. Zulke regels zijn er echter niet. De artikelen 3.6.1.2 en 3.7.1.1a (art. 3:167, JGG) beogen ten aanzien van de vraag of een goed voor de toepassing van die artikelen geacht moet worden voor een ander goed in de plaats te zijn getreden, de praktijk de nodige ruimte te laten om rekening te houden zowel met de aard van het bewind of de gemeenschapals met hetgeen is bepaald bij de instelling van het bewind of bij de rechtshandeling waarop de gemeenschapberust of nader is geregeld. Dat ligt ook voor de hand omdat deze beide artikelen moeten gelden voor vele uiteenlopende vormen van bewind en gemeenschap, waarvoor zich op dit punt moeilijk meer uitgewerkte algemene regels laten geven.
De term “geacht worden” is bovendien duidelijker met het oog op het geval, dat niet een goed volledig in de plaats van een ander treedt, maar alleen een vordering tot schadevergoeding in de plaats van de waardevermindering die een goed – bijvoorbeeld een beschadigde zaak – heeft ondergaan.’3