Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.1.3.1
17.3.1.3.1 Zuivere boetevragen
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498358:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het verhoor in fiscale boetezaken zal gewoonlijk worden afgenomen door de inspecteur of de door hem gemandateerde ambtenaren van de Belastingdienst. Het boeterechtelijk zwijgrecht kan worden ingeroepen tegenover toezichthouders in de zin van art. 5:11 Awb, bestuursorganen en ambtenaren die geen toezichthouder zijn. In fiscale boetezaken kan bij deze laatste categorie personen worden gedacht aan FIOD-ambtenaren en de belastingrechter die over een boetegeschil moet oordelen (zie over de belastingrechter § 17.3.1.4.3 hierna).
Zie § 15.4.3.4.1 hiervoor.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p 97.
Kamerstukken II 2005/06, 29 702, nr. 7, p. 42.
Zie § 16.4 hiervoor.
Met het oog op het aanvangsmoment van de criminal charge in fiscale boetezaken, ben ik in hoofdstuk 15 nagegaan wanneer een verhoor(situatie) als bedoeld in art. 5:10a, lid 1 Awb zich voordoet. Dat is kort gezegd het geval wanneer de inspecteur serieus overweegt om een boete op te leggen en zijn vragen daarop zijn gericht.1 Daarbij maakte ik een (situationeel) onderscheid tussen het formeel verhoor (= na oproeping) en het feitelijk verhoor (= naar aanleiding van een inlichtingenverzoek ex art. 47 AWR (zonder oproeping)). Omdat de wetgever kennelijk een feitelijke invulling van het verhoor-begrip in art. 5:10a Awb voorstaat, strekt het in dat artikel vastgelegde boeterechtelijk zwijgrecht zich uit tot beide typen verhoor.
‘Verklaringen omtrent de overtreding’: zuivere boetevragen
Hier is vooral nog van belang dat het boeterechtelijk zwijgrecht is beperkt tot ‘verklaringen omtrent de overtreding’. Die betreffen zuivere boetevragen. Als het gevraagde (mede) een heffingsbelang vertegenwoordigt, dan heft dit zwijgrecht de fiscale inlichtingenplicht ex art. 47, lid 1, onder a AWR niet op.2 De betrokkene moet vragen van de inspecteur met een heffingsbelang steeds beantwoorden; ook wanneer hij daardoor zichzelf zou belasten. De belastingplichtige kan bijvoorbeeld niet weigeren een voor de belastingheffing gestelde vraag over een ingediende belastingaangifte te beantwoorden op de enkele grond, dat uit het antwoord zou kunnen blijken dat de belastingaangifte niet geheel conform de waarheid is.3 De inspecteur mag wel vragen hoeveel inkomen iemand in een bepaald jaar had, maar niet of er inkomen opzettelijk is verzwegen.4 Hierbij maakt het geen verschil of de boeteling is ‘charged with a criminal offence’.
Voortzetting van fiscaal zwijgrecht in art. 67j AWR (oud) in fiscale boetezaken
In het fiscaal zwijgrecht ex art. 67j AWR (oud) werd al een onderscheid gemaakt tussen zuivere boetevragen en vragen met een heffingsbelang. Dit onderscheid is geënt op de procedurele scheiding die de belastingkamer van de HR sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw aanbrengt tussen de heffing- en sanctiesfeer.5 Omdat doelgebonden, zuivere boetevragen in fiscale boetezaken vrij zeldzaam zijn, had art. 67j AWR (oud) praktisch geen betekenis voor fiscale boetezaken. Voorzienbaar is dat het boeterechtelijk zwijgrecht in de Awb eenzelfde lot ten deel zal vallen. Wanneer dit juist is, dan is art. 5:10a Awb in fiscale boetezaken een (bijna) dode letter.