Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.4.3.1
5.4.3.1 Uniebegrip
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291553:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de uit 1997 daterende Study on the application of Value Added Tax to the property sector, nr. XXI/96/CB-3021, p. 10-11, die Arthur Andersen in opdracht van De Europese Commissie heeft verricht, is reeds voor een verduidelijking van dit begrip gepleit om een uiteenlopende uitleg in de lidstaten te voorkomen.
In België wordt uitgegaan van zelfstandig in aanmerking te nemen gedeelten van een gebouw indien het gebouw gesplitst kan worden in appartementsrechten die elk een privatief gedeelte (lees: afzonderlijk te gebruiken gedeelte) en een aandeel in gemeenschappelijke delen bevatten (circulaire nr. AFZ/2001-1292-N (AFZ/24/2002 – E.T.103.009) van 6 december 2002).
In art. 12 lid 1, onderdeel a, art. 135 lid 1, onderdeel j en art. 137 lid 1, onderdeel b Btw-richtlijn wordt gesproken van ‘de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw’. Uit art. 12 lid 1, onderdeel a Btw-richtlijn is af te leiden dat een gedeelte van een gebouw een afzonderlijk moment van eerste ingebruikneming kent. Voor de toepassing van de vrijstelling en haar uitzondering in art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn betekent dit dat bij de (op)levering van een gedeelte van een gebouw beoordeeld moet worden of dit gedeelte van het gebouw nieuw of oud is. Daarnaast volgt uit art. 137 lid 1, onderdeel b Btw-richtlijn dat de optie voor een belaste levering van een oud gebouw ook openstaat voor de levering van een gedeelte van een oud gebouw. Omdat voor de uitleg van dit begrip niet naar het recht van de lidstaten wordt verwezen, is sprake van een uniebegrip. Zowel in de Btw-richtlijn als in art. 13terBtw-uitvoeringsverordening is dit begrip echter niet gedefinieerd.1 Ook het Hof van Justitie heeft zich over dit begrip nog niet uitgelaten. Uit voormelde richtlijnbepalingen is niettemin af te leiden dat het gedeelte van een gebouw zelfstandig overdraagbaar moet zijn, aangezien gesproken wordt over de levering van een gedeelte van een gebouw. Op grond van de concurrentieneutraliteit meen ik dat voor delen van gebouwen die niet zelfstandig overdraagbaar zijn, maar die zich wel lenen voor zelfstandige overdraagbaarheid hetzelfde heeft te gelden. Hierbij kan gedacht worden aan een appartement in een appartementencomplex waarvan de eigendom niet is gesplitst in appartementsrechten. Dat in België2 en in Nederland (zie paragraaf 5.4.3.2) een deel van een gebouw dat zelfstandig kan worden gebruikt aangemerkt wordt als een afzonderlijk in aanmerking te nemen gedeelte van een gebouw, acht ik hiermee in overeenstemming.