Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.B.10
10. Artikel 88
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474945:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 20, ingediend door de heer Slob. Zie tevens onderdeel A.2.C van dit hoofdstuk.
Aanvankelijk was dit artikel genummerd als 87a.
Handelingen II 2005/2006, nr. 105, p. 6429.
D.W. Bruil, ‘Kavelruil geregeld?’, p. 634.
Wellicht kon via een aanvulling van de wettelijke regeling bij AMvB nu eindelijk het manco van de (te) summiere wettelijke regeling van de kavelruil worden opgelost
D.W. Bruil, A. Verduijn, ‘Herverkaveling en kavelruil: katalysatoren voor de inrichting van het landelijk gebied’, p. 62. Zie tevens nt 858.
Zie W.J.M. Voermans en Ph. Eijlander, ‘Regelgeven in de schemerzone: De kwaliteit van ministeriële regelingen onderzocht’, in: RegelMaat 2002/4, p. 125, waar gesproken wordt over ‘mineure onderwerpen’ ‘(…)zoals de vaststelling van voorschriften van administratieve aard (vaststelling van aanvraagformulieren, protocollen, et cetera), de uitwerking van regelingsdetails (tarieven, hoogte van bedragen), de vaststelling van voorschriften die dikwijls wijziging behoeven of voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.’
Tijdens de plenaire behandeling van de WILG is bij amendement1artikel 882 aan de wet toegevoegd. Met dit artikel is de mogelijkheid geschapen om diverse nog openstaande vragen op een later tijdstip bij AMvB te kunnen beantwoorden. De inhoud van deze AMvB diende in goed overleg met de KNB te worden vastgesteld.3
Over deze ‘noodgreep’, die, gezien de reeds vergevorderde staat van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel, de enige mogelijkheid was om de zo gewenste duidelijkheid alsnog in een later stadium te kunnen verkrijgen, wordt in de literatuur verschillend geoordeeld. Bruil is geen voorstander van deze gang van zaken en oordeelt aldus: ‘Met de minister (zie de brief) vermag ik de meerwaarde van zo’n AMvB niet in te zien’.4 Preller is daarentegen voorstander van de ‘AMvB-route’: ‘(…) in de afgelopen jaren (bestond) veel onduidelijkheid (…) over de bepalingen waaraan een kavelmilovereenkomst zou moeten voldoen, hetgeen heeft geleid tot een aantal uitspraken van de bestuursrechter. Om onduidelijkheden in de toekomst te voorkomen is het van belang dat door middel van een algemene maatregel van bestuur nadere eisen worden gesteld aan bedoelde overeenkomsten.’ Mijn voorkeur neigt in deze naar de opvatting- Preller, aangezien de nog openstaande of onvoldoende beantwoorde vragen essentiële punten betroffen, die voor de praktische toepassing van kavelruil van groot belang zijn.5 Met name de vraag of er behalve de bepalingen uit artikel 16 WILG ook andere bepalingen van landinrichting uit de WILG van toepassing zijn op de kavelruil (en zo ja, welke) en het voorstel om een aantal termen die bij kavelruil gebruikt worden, zoals de termen ‘ruil’ of ‘koop’, in de wet te omschrijven zijn belangrijke thema’s, die, mits voldoende beantwoord en toegelicht, de meerwaarde van de AMvB zouden onderstrepen. Helaas is de AMvB niet het beleidsstuk gebleken dat op alle punten de gewenste duidelijkheid heeft gegeven en op onderdelen de toepassingsmogelijkheden van kavelruil zelfs heeft beperkt, maar dit neemt niet weg dat de gedachtengang om de AMvB in te zetten als middel om de summiere wettelijke kaders nader te kunnen inkleuren mijns inziens een goede is. Zonder artikel 88 was de (rechts)onzekerheid en daarmee de kans op een stroom aan jurisprudentie groot geweest. Dat is nu (gedeeltelijk) voorkomen.
Los van het voorgaande staat echter de door Bruil opgeworpen kwestie inzake de juridische toelaatbaarheid van de AMvB: houdt de mogelijkheid tot het stellen van ‘nadere eisen’ voor de wetgever ook de bevoegdheid om de wettelijke omschrijvingen te beperken?6 Mijns inziens is delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister alleen mogelijk ten aanzien van onderwerpen van een gering gewicht.7 Zoals hierna in onderdeel E zal blijken kan ten aanzien van de inhoud van de AMvB zeker niet gesproken worden over een onderwerp van gering gewicht en importantie: de (nadelige) gevolgen voor de kavelruil-praktijk zijn aanzienlijk. Hoewel een volledig onderzoek naar de toelaatbaarheid van de ‘AMvB-route’ het bestek van dit onderzoek te buiten ga, neig ik naar een ontkennend antwoord op de vraag en sluit ik mij derhalve op dit punt aan bij de door Bruil geuite twijfels ten aanzien van deze kwestie.
Ter uitvoering van artikel 88 zijn de wettelijke regels van kavelruil bij AMvB aangevuld in het nieuwe artikel 31a van het Besluit inrichting landelijk gebied, dat op 1 januari 2010 in werking is getreden, waarover meer in onderdeel E van dit hoofdstuk. In de Nota van Toelichting bij dit Besluit zijn de nog openstaande praktijkvragen door de minister beantwoord. Voor een nadere bespreking, alsmede over de twijfel met betrekking tot de mate waarin de KNB invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud van dit besluit, verwijs ik naar onderdeel E van dit hoofdstuk.