Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.4.5.1
2.4.5.1 Is de maatschap procesbevoegd?
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS589245:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Solinge 2007, p. 212; Snijders, Klaassen & Meijer 2011/64; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/66.
Assink | Slagter 2013, § 99.1, p. 1904; Tervoort 2015d, nr. 10.1.1.
Knigge & Zilinsky in GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 51 Rv, aant. 6 (bijgewerkt tot 6 november 2013), met verwijzingen naar Van Schilfgaarde, Veegens, Cleveringa en Haardt. In deze zin ook: Honée 1988, sub 6 en Stokkermans 2015e, p. 1041.
Aldus ook: Teuben 2009, p. 274. Vgl. omgekeerd: Tervoort in GS Personenassociaties, nr. 3.7.2 (bijgewerkt tot 1 april 2014), waar hij stelt dat uit de door hem verdedigde processuele eenheid van de maatschap niet ook voor het materiële recht het bestaan van een zelfstandige eenheid als drager van rechten en verplichtingen volgt.
Art. 3:170 lid 2 BW betreft slechts het beheer van goederen, niet het beheer van schulden en andere rechtsverhoudingen, en is niet rechtstreeks van toepassing op een niet-ontbonden maatschap.
Groefsema 1993, p. 111-121; Kortmann 1994; Asser/Houben 7-X 2015/95.
Tervoort 2015d, nr. 10.1.1.
In deze zin ook, voor de CV met één beherend vennoot: HR 1 juli 1993, NJ 1993/687 (Power/Andross). Zie ook Asser/Maeijer 5-V 1995/416.
Zie ook art. 51 lid 2 Rv.
In Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6823, werd aan deze eis niet voldaan en werd de maatschap die als eisende partij optrad niet-ontvankelijk verklaard.
Asser 1997, p. 61, 64/65 en 69-71; Snijders, Klaassen & Meijer 2011/67 en 375, met veel jurisprudentieverwijzingen. Zie ook art. 431a Rv (overgang executiebevoegdheid). Over de faillissementscurator, zie ook art. 27-30 Fw.
Sommigen verdedigen dat de maatschap die een afgescheiden vermogen heeft, ook procesbevoegd moet zijn, ongeacht of het een stille dan wel een openbare maatschap betreft.1 Anderen verdedigen dat de stille maatschap niet en de openbare maatschap wel procesbevoegd is.2 Weer anderen verdedigen dat noch de stille, noch de openbare maatschap procesbevoegd is.3 Het is geen koekoek één zang.
Tot uitgangspunt neem ik dat een procedurele rechtspositie volgt uit een materiële rechtspositie.4 Kan een maatschap niet als zelfstandig rechtsdrager worden aangemerkt, dan is zij ook niet zelfstandig procesbevoegd. Behoort een tot het maatschapsvermogen behorende materiële rechtspositie gezamenlijk toe aan degenen die vennoot zijn op het moment waarop de rechtspositie wordt verkregen, dan geldt dat ook voor de bevoegdheid om ter zake van die rechtspositie in rechte op te treden.
Bij een vennotenwissel gaat een materiële rechtspositie die in naam van de maatschap is verkregen slechts over op de nieuwe groep vennoten, indien en voor zover die overgang uit het commune recht volgt. Voor zover dit niet het geval is – een door de oude groep vennoten gesloten koopovereenkomst gaat (nog) niet over op de nieuwe vennoten, omdat de wederpartij niet meewerkt – kunnen de juridische verhoudingen aldus worden geduid dat de bevoegdheid tot het beheren van de rechtspositie onder de koopovereenkomst in beginsel wel op de nieuwe groep vennoten overgaat. Dit kan impliciet of expliciet worden afgeleid uit de regelingen die ter zake van de voortzetting van de maatschap tussen de zittende, uitgetreden en nieuwe vennoten zijn gemaakt. Andersluidende afspraken zijn mogelijk, maar in beginsel is de groep vennoten in nieuwe samenstelling als beheerder bevoegd om op eigen naam beheersdaden te verrichten terzake van die nog op naam van de oude groep vennoten staande koopovereenkomst.
Beheer over andermans rechtspositie komt vaker voor. Het gemeenschapsrecht laat toe dat de deelgenoten aan een of meer van hen de bevoegdheid geven om beheersdaden betreffende het gemeenschappelijke goed te verrichten (art. 3:170 lid 2 BW).5 De tot beheer bevoegde deelgenoot kan die daden van beheer dan in beginsel op eigen naam verrichten. Voor zover de bevoegdheid mede het optreden in rechte betreft, kan de beheerder dit op eigen naam doen. Een vergelijkbaar geval is aan de orde bij wat, enigszins verwarrend, ‘cessie ter incasso’ wordt genoemd. Hiermee wordt gedoeld op een rechtsfiguur waarin de ‘cessionaris’ bevoegd is om op eigen naam een aan zijn opdrachtgever toebehorend vorderingsrecht te innen.6 Als uitgangspunt kan dus gelden: degenen die vennoot zijn op een bepaald moment, zijn op dat moment bevoegd om als eisende of verwerende partij in rechte op te treden ter zake van geschillen die het maatschapsvermogen betreffen.
Verdedigd wordt dat een executoriale titel moet kunnen worden verkregen ‘tegen’ het afgescheiden vermogen, dus ‘tegen de openbare maatschap als zodanig’ en dat dit slechts mogelijk is, indien deze als zodanig in rechte betrokken kan worden.7 Ik ben niet overtuigd van die noodwendigheid. Een afgescheiden vermogen is een rechtsobject, geen rechtssubject. Bovendien is het vraagstuk van de procesbevoegdheid niet beperkt tot de mogelijkheid van verhaal op het afgescheiden vermogen.8 Tot wie moet de wederpartij zich in een voorkomend geval wenden, als hij in rechte vernietiging of ontbinding van een door gezamenlijke vennoten gesloten koopovereenkomst wil vorderen? Deze rechtsvordering leidt op zichzelf niet tot een executoriale titel die verhaal op de tot het maatschapsvermogen behorende goederen mogelijk maakt. Het vraagstuk van de procesbevoegdheid is onderdeel van de meeromvattende vraag tot wie een wederpartij zich moet richten, als hij vennoten in rechte wil aanspreken op een tot het maatschapsvermogen behorende rechtspositie. Tot welke partij(en) moet de wederpartij zich wenden, als hij een wijziging van de koopovereenkomst wil bespreken of als hij een ingebrekestelling of een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wil doen uitgaan?
Op grond van het Biek-arrest (r.o. 3.4.2) kunnen vorderingen uit een overeenkomst die met een maatschap is aangegaan, worden ingesteld tegen de maatschap als zodanig; dergelijke vorderingen dienen te worden ingesteld tegen de gezamenlijke (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding vennoot zijn.9
Hieruit hoeft volgens mij geen rechtssubjectiviteit of zelfstandige procesbevoegdheid te worden afgeleid, ook niet voor de openbare maatschap. Men kan het aldus verstaan dat de vennoten ten tijde van de dagvaarding formeel procespartij worden. Hen mag de eiser bevoegd achten tot het op eigen naam procederen over tot het vennootschapsvermogen behorende rechtsposities, zo niet als rechthebbenden dan toch als lasthebbers van de rechthebbenden.
Zijn de (oude en nieuwe) vennoten en de verkoper het er niet over eens of een in naam van de maatschap gesloten koopovereenkomst na een vennotenwissel is overgegaan op de nieuwe groep vennoten, dan schiet het recht de verkoper te hulp: nu de maatschap als zodanig is voortgezet, mag hij ervan uitgaan dat de nieuwe groep vennoten zo niet rechthebbende dan toch beheerder van de koperspositie is geworden. Daarom mag hij zijn exploot uitbrengen aan de gezamenlijke (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding de vennoten zijn. Het moet daarbij natuurlijk nog wel om dezelfde maatschap, hetzelfde samenwerkingsverband, gaan als ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst.10 Na het uitbrengen van de dagvaarding kan in rechte worden bezien of anderen, zoals oude vennoten, mede in rechte moeten worden betrokken. In dat geval kunnen formele procespartijen worden toegevoegd of vervangen.
Als gedurende de gerechtelijke procedure een vennotenwissel plaatsvindt, en dus in het algemeen ten minste het beheer over het maatschapsvermogen zal overgaan van de oude op de nieuwe groep vennoten, hoeft de procespositie in een lopende procedure niet van rechtswege over te gaan op de nieuwe groep vennoten. De vennoten ten tijde van de dagvaarding kunnen een verzoek indienen tot vervanging van de formele procespartij aan hun kant, waarna in rechte kan worden beoordeeld of daartoe voldoende aanleiding bestaat. Van een automatisme hoeft geen sprake te zijn. De nieuwe groep vennoten kan ook met de oude groep vennoten afspreken dat deze laatsten de procedure op eigen naam voortzetten. Zolang geen verzoek tot wijziging van de formele procespartij wordt ingediend, mogen wederpartij en gerechtelijke instantie ervan uitgaan dat de vennoten ten tijde van de dagvaarding bevoegd blijven de gerechtelijke procedure voort te zetten.
Vindt lopende een procedure wijziging plaats in de formele procespartij, dan zal de nieuwe formele procespartij gebonden zijn aan de door de oude formele procespartij opgebouwde procespositie. Dit doet zich ook voor in het geval waarin een faillissementscurator lopende een gerechtelijke procedure wordt vervangen. Als na afloop van de procedure een vennotenwissel plaatsvindt, zullen de nieuwe vennoten ter zake van het maatschapsvermogen gebonden zijn aan de gewezen rechterlijke uitspraak. Een verkregen executoriale titel kan tegen alle bestanddelen van het maatschapsvermogen ten uitvoer worden gelegd, ongeacht wie daarop formeel rechtshebbende is. Zo kan de wederpartij, na veroordeling van de oude groep vennoten q.q., zijn vordering mede verhalen op de bestanddelen van het maatschapsvermogen die na een vennotenwissel aan de nieuwe groep vennoten zijn gaan toebehoren.
De situatie van de procesbevoegdheid bij de maatschap, na vennotenwissels, is vergelijkbaar met andere gevallen in het Nederlandse recht waarin mutaties bij formele procespartijen kunnen optreden, zoals bij het kind dat meerderjarig wordt, de rechtspersoon die wordt weggefuseerd, de cessionaris van een vordering die beroep kan instellen in een in eerste instantie door de cedent gevoerde procedure, en de curator die een ten name van de gefailleerde gestarte procedure kan overnemen.11 In deze benadering is qua procesbevoegdheid een onderscheid tussen stille en openbare maatschap onnodig.