Hof Den Haag, 23-10-2024, nr. 22-005566-19
ECLI:NL:GHDHA:2024:2916
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
23-10-2024
- Zaaknummer
22-005566-19
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2024:2916, Uitspraak, Hof Den Haag, 23‑10‑2024; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:112
Uitspraak 23‑10‑2024
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-005566-19
Parketnummer: 10-732032-19
Datum uitspraak: 23 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 1997,
adres: [woonadres] , [woonplaats]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het impliciet subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 05 mei 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp voorwerp, in de buik, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op of omstreeks 05 mei 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp voorwerp, in de buik, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Standpunt verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota – primair op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde, vanwege het ontbreken van opzet. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte het mes heeft gebruikt om het slachtoffer van zich af te houden, terwijl het slachtoffer vervolgens in het mes is gelopen, zodat het opzet op de dood, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ontbreekt. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep toekomt op noodweer, nu de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door aangever, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en redelijkerwijs mocht denken in een noodweersituatie te hebben verkeerd. Meer subsidiair is een beroep gedaan op noodweerexces.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde veroordeeld moet worden. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het scenario dat het slachtoffer in het mes van de verdachte is gelopen niet aannemelijk is geworden en derhalve terzijde moet worden geschoven. Daarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte evenmin een beroep op noodweer(exces) toekomt.
Beoordeling
Het hof gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In de avond van 5 mei 2018 heeft een steekincident plaatsgevonden in de woning van de verdachte en haar toenmalige vriend, [slachtoffer] , tevens het slachtoffer. Meerdere buren hebben gehoord dat de verdachte en het slachtoffer hevig ruzie maakten en tegen elkaar schreeuwden. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat de verdachte en het slachtoffer elkaar daarbij over en weer met vuisten sloegen. Deze getuige heeft korte tijd later die avond de verdachte tegen haar horen zeggen: “Meisje bel de ambulance want ik heb hem gestoken”. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij het slachtoffer tegen de verdachte hoorde schreeuwen: “Je hebt mij gedood! Je hebt mij gedood!” In het ziekenhuis heeft de verdachte – nadat zij werd aangehouden door een verbalisant, waarbij haar was meegedeeld dat zij was aangehouden voor poging doodslag – gezegd: “Ik weet het, ik heb spijt”, of woorden van gelijke strekking.
Uit onderzoek is gebleken dat op de vloer van de woning van de verdachte een mes is aangetroffen, met op het lemmet een rode, op bloed gelijkende substantie. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven dat dit ook het mes is waarmee de verdachte is gestoken.
Blijkens de in het dossier bevindende medische informatie betreffende het slachtoffer, heeft hij een steekwond ter hoogte van zijn borstreek, rondom de hartstreek opgelopen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2018 volgt dat het slachtoffer rond de hartstreek was gestoken, hij veel bloed had verloren, hij geïntubeerd was en op de intensive-care afdeling buiten bewustzijn werd gehouden. Door de raadsman van het slachtoffer zijn voorts medische stukken in het geding gebracht, waarin bevestigd wordt dat het slachtoffer een steekverwonding had in het linkerdeel van zijn borstkas. Daarnaast volgt uit de stukken dat er een drain was geplaatst en dat het slachtoffer vier dagen in het ziekenhuis heeft gelegen.
Beoordeling alternatief scenario
De verdachte en haar raadsman hebben naar voren gebracht dat het slachtoffer op een andere wijze gewond is geraakt. De verdachte is – nadat zij en het slachtoffer elkaar over en weer hadden geslagen - naar de keuken gelopen. Het slachtoffer is toen achter haar aan gelopen, heeft de keukendeur dichtgedaan en wilde – ondanks dat de verdachte hem dat herhaalde malen had gevraagd - de woning niet verlaten. Hij bleef op haar afkomen. De verdachte heeft vervolgens een mes uit een la gepakt. Zij heeft dat mes onderhands vastgehouden om de verdachte op afstand te houden. Zij heeft geen steekbewegingen gemaakt, maar het slachtoffer is vervolgens in het mes gelopen, aldus de verdachte en de raadsman.
Het hof is van oordeel dat dit alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden. Tot dat oordeel draagt (mede) bij de mate van voorstelbaarheid en daarmee onwaarschijnlijkheid van het door de verdachte geschetste scenario. De steekwond bevond zich in het linkerdeel van de borst, ter hoogte van de hartstreek, terwijl de verdachte stellig heeft aangegeven dat zij het mes onderhands vast hield. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij laten zien hoe zij dit heeft gedaan, waarbij – naar het hof heeft waargenomen – het mes zich (globaal) moet hebben bevonden ter hoogte van, of iets onder, het middenrif van de verdachte. Verder heeft zij ter zitting verklaard dat het slachtoffer en zij even groot zijn. Het hof is van oordeel dat het, gelet op die omstandigheden en het geschetste hoogteverschil, niet mogelijk is dat de steekwond is ontstaan doordat het slachtoffer in het – onderhands vastgehouden - mes is gelopen. Alsdan zou de steekwond zich op een aanzienlijk lager niveau moeten hebben bevonden. Voorts vereist het ontstaan van een steekwond - naar algemene ervaringsregels – dat een mes met enige kracht in het lichaam wordt gebracht. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het niet aannemelijk dat de verdachte voornoemd letsel heeft opgelopen door in het mes te lopen.
Het alternatieve scenario wordt derhalve verworpen.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – kan buiten redelijke twijfel vastgesteld worden dat de verdachte het slachtoffer met het mes heeft gestoken.
Voorwaardelijk opzet
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet moet hebben gehad op de dood van het slachtoffer. Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat noch uit de verklaringen van de verdachte, noch anderszins, is gebleken dat de verdachte het oogmerk (het volle opzet) had om het slachtoffer om het leven te brengen.
De te beantwoorden vraag is vervolgens of de verdachte daartoe voorwaardelijk opzet heeft gehad.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is of, anders gezegd, om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans, is bovendien vereist dat de verdachte de wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden (bewustheid) en dat zij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen).
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer.
De verdachte heeft immers met een mes het slachtoffer rondom zijn hartstreek gestoken, waar zich onder meer vitale organen bevinden, zoals het hart en de longen. Dit handelen is naar de uiterlijke verschijningsvorm – behoudens contra-indicaties waarvan niet is gebleken – zodanig gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden en zij deze kans ook bewust heeft aanvaard.
Noodweer(exces)
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
Tussen de verdachte en het slachtoffer heeft voorafgaand aan het steekincident een ruzie plaatsgevonden, waarbij over en weer werd geslagen. Uit de afgelegde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat het slachtoffer de voordeur van de woning op slot had gedraaid. De verdachte is vervolgens naar boven gegaan, waarna het slachtoffer haar achtervolgde. De verdachte bleef roepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten. Hij gaf hieraan geen gehoor. Integendeel, hij bleef haar achtervolgen en de ruzie en het gevecht tussen hen beide werd vervolgd in de keuken. Het slachtoffer heeft toen de keukendeur dicht gedaan en is tussen haar en de deur blijven staan, zodat de verdachte niet naar buiten kon. Het slachtoffer kwam op haar af. Vervolgens heeft de verdachte een mes gepakt en heeft zij – zoals hiervoor vastgesteld - met het mes op aangever ingestoken.
Naar het oordeel van het hof kunnen deze gedragingen van het slachtoffer, temeer nu zich kort daarvoor een vechtpartij tussen hem en de verdachte had voorgedaan, weliswaar ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was, maar het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel voldoet niet aan het proportionaliteitsvereiste. Het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond.
Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.
Nu het hof heeft geoordeeld dat er sprake is van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, ziet het hof zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.
Naar het oordeel van het hof dient het verweer dat er sprake is van noodweerexces evenwel verworpen te worden, reeds nu dit verweer onvoldoende is onderbouwd en niet verder is geconcretiseerd.
Het beroep op noodweerexces zal daarom eveneens worden verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het impliciet primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Zij heeft het slachtoffer – haar toenmalige vriend – met een mes rondom zijn hartstreek gestoken, ten gevolge waarvan het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen. Als gevolg van het geweldsincident en het daaruit voortvloeiende letsel is het slachtoffer vier dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Door aldus te handelen, heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Ook overigens biedt het dossier of het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de verdachte zou kampen met een verstoorde agressieregulatie en/of dat sprake zou zijn van een patroon van geweld, of dat anderszins te vrezen is voor herhaling.
Verder heeft het hof bij het bepalen van de straf acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze op de terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft haar leven op orde. Ze heeft twee opleidingen afgerond, is zzp’er in de zorg en heeft een huis.
Bij de strafbepaling heeft het hof voorts ten gunste van de verdachte rekening gehouden met de houding van het slachtoffer. In de eerste plaats heeft hij zich in de aanloop naar het onderhavige steekincident fysiek niet onbetuigd gelaten jegens de verdachte. Voorts neemt het hof in ogenschouw dat het slachtoffer gedurende het onderzoek in de strafzaak zeer wisselend heeft verklaard, waarbij hij in zijn aangifte zelfs willekeurige mensen heeft beschuldigd en aanvankelijk niet wilde dat de verdachte zou worden vervolgd. Ook tot op heden heeft het slachtoffer kennelijk weinig duidelijkheid willen verschaffen over het incident en de aanloop daartoe.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof ziet echter – met de advocaat-generaal - in de bijzondere omstandigheden van dit geval en de persoonlijke situatie van de verdachte, in samenhang met het tijdsverloop en de houding van het slachtoffer, aanleiding om daarvan af te wijken en een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, in combinatie met oplegging van een taakstraf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormen.
Schending redelijke termijn
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
Met het instellen van hoger beroep op 3 december 2019 heeft de redelijke termijn van de berechting in hoger beroep een aanvang genomen. Het hof wijst arrest op 23 oktober 2024. Derhalve is de redelijke termijn met ruim 2 jaar en 10 maanden overschreden. Deze overschrijding is deels een gevolg van de onderzoekswensen van de verdediging.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de genoemde overschrijding verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof een korting op de duur van de taakstraf toepast. Waar het hof zonder schending een taakstraf voor de duur van 200 uren zou hebben opgelegd, wordt daarop nu, vanwege de schending van de redelijke termijn, 20 uren in mindering gebracht.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer]
In hoger beroep is door de raadsman van het slachtoffer [slachtoffer] verzocht om de verdachte een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ter vergoeding van materiele en immateriële schade, ter hoogte van
€ 13.190,00.
[slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg niet op de in de wet voorziene wijze (hetzij schriftelijk, hetzij in persoon of vertegenwoordigd ter terechtzitting) met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij gevoegd.
Door de raadsman van [slachtoffer] is aangevoerd dat de toepasselijkheid van artikel 421 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) buiten beschouwing kan blijven, gelet op het bepaalde in artikel 6:2 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek(BW) en voorts dat de toepasselijkheid in ieder geval niet in de weg staat aan oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De advocaat-generaal heeft verzocht [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding.
De raadsman van de verdachte heeft zich verzet tegen het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, nu dit in het onderhavige geval zou indruisen tegen het wettelijk systeem.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij zich niet heeft gevoegd in de strafzaak in eerste aanleg.
Het hof is van oordeel dat de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 421 Sv. niet terzijde kan worden gesteld met een beroep op artikel 6:2 lid 1 BW.
De wetsbepaling van artikel 421 lid 1 Sv. is geen bepaling die tussen de verdachte en de benadeelde partij als schuldenaar en schuldeiser van toepassing is, maar betreft een regel van orde in het strafproces.
Bovendien zou de opvatting dat op grond van de redelijkheid en billijkheid deze wetsbepaling niet geldt als een benadeelde partij zich in eerste aanleg niet heeft gevoegd, met zich brengen dat de bepaling van 421, lid 1 Sv. zelf onredelijk is en dus altijd buiten beschouwing moet blijven.
Naar het oordeel van het hof staat het wettelijk systeem in de weg aan het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot de verzochte schadevergoeding.
Binnen het wettelijk systeem is niet uitgesloten dat, onder omstandigheden, een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor schade die niet is gevorderd, dan wel niet zonder meer toewijsbaar is als vordering benadeelde partij. Deze mogelijkheid heeft echter niet tot doel om de wettelijke beperking, inhoudende dat een benadeelde partij zich niet pas in hoger beroep kan voegen met een vordering tot schadevergoeding, te omzeilen. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval van dit laatste sprake.
Een en ander betekent dat het hof de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering en dat niet zal worden overgegaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het impliciet primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 (drieënzestig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet- ontvankelijk in zijn vordering.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Brand,
mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. K.I. de Jong,
in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 oktober 2024.