HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, NJ 2022/178, m.nt. A.J. Machielse.
HR, 27-01-2026, nr. 24/04079
ECLI:NL:HR:2026:112
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-01-2026
- Zaaknummer
24/04079
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:112, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑01‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:2916
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1240
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑06‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0032
JIN 2026/14 met annotatie van mr. C. van Oort
NTS 2026/10
Uitspraak 27‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Poging tot doodslag door naar aanleiding van ruzie in hun woning met mes in hartstreek van haar toenmalige vriend te steken, art. 287 Sr. Noodweer, proportionaliteitseis (art. 41.1 Sr). Staat steken met mes in hartstreek in redelijke verhouding tot ernst van (dreigende) aanranding en omstandigheden waaronder deze plaatsvond? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:456 m.b.t. proportionaliteitseis bij noodweer. Hof heeft vastgesteld dat (i) ruzie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangever, waarbij over en weer (met vuisten) werd geslagen, (ii) aangever de voordeur van woning van verdachte en aangever op slot heeft gedraaid, (iii) aangever de verdachte door woning heeft achtervolgd terwijl zij bleef roepen dat hij haar met rust moest laten, (iv) gevecht tussen hen beiden werd vervolgd in keuken, (v) aangever de keukendeur dicht heeft gedaan en tussen verdachte en deur is blijven staan zodat verdachte niet naar buiten kon, (vi) aangever op verdachte af is gekomen en (vii) verdachte een mes heeft gepakt en aangever heeft gestoken. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat verdedigingsmiddel van verdachte niet voldoet aan proportionaliteitseis, omdat met mes steken in hartstreek van aangever niet in redelijke verhouding staat tot (dreigende) aanranding. Dat oordeel is, gelet op wat door raadsman ttz. in hoger beroep naar voren is gebracht en in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij is van belang dat hof zich niet heeft uitgelaten over juistheid van de door verdediging ttz. gegeven feitenlezing, die erop neerkomt dat verdachte, toen aangever haar in afgesloten keuken aanviel, mes heeft gepakt om hem daarmee “af te dreigen”, dat aangever daarop heeft geprobeerd mes van haar af te pakken en dat hij bij die worsteling met mes in borst is geraakt. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04079
Datum 27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2024, nummer 22-005566-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer. Het klaagt over het oordeel dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 05 mei 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 oktober 2024, inhoudende:
[slachtoffer] en ik kregen ruzie. Ik heb hem toen gevraagd of hij de woning wilde verlaten, maar dat wilde hij niet. Hij had de huissleutel en ik heb hem toen om de sleutel gevraagd. Ook die wilde hij niet afgeven aan mij. De verbale ruzie begon een vechtpartij te worden. Er werd gescholden en geslagen over en weer.
Ik ben vervolgens op een gegeven moment mijn woning weer in gegaan en [slachtoffer] is achter mij aangekomen. Hij heeft de voordeur op slot gedaan. Ik ben toen van mijn huiskamer naar de keuken gelopen. Hij liep achter mij aan. Ik zei toen dat hij mij met rust moest laten. Vervolgens ontstond er weer een gevecht in de keuken. Hij gaf mij geen ruimte. Hij bleef tussen mij en de keukendeur staan, zodat ik er niet langs kon. Hij had de keukendeur ook dicht gedaan, zodat ik niet naar buiten kon. De voordeur was nog steeds op slot. Ik heb toen de keukenla opengemaakt en een mes gepakt.
U vraagt mij of het mes op pagina 52 van het dossier het mes is dat ik heb gebruikt. Ja.
Ik hield het mes vast met mijn rechterhand. Ik had het mes onderhands vast. U vraagt mij of ik het mes toch niet bovenhands heb vastgehad. Nee, ik weet zeker dat ik het mes voor mij uit, onderhands, vast hield.
U vraagt mij hoe lang het slachtoffer is. Volgens mij is hij even lang als ik.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 8 mei 2018. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 10-12) :
V: Jij woont aan de [a-straat] te [plaats].
V: Kan jij ons vertellen wat er op de zaterdag 05 mei 2018 op zondag 06 mei 2018 is gebeurd?
A: Op zaterdag begon het tussen 22:30 uur en 23:00 uur. Ik liep mijn unit binnen en hoorde de buren op [1] ruzie maken. Het was boos geschreeuw. Ik hoorde dat er over en weer geslagen werd. Ik kon niet verstaan wat er werd gezegd. Er was veel gebonk tegen de deuren en muren en ik hoorde ook dat ze elkaar aan het slaan waren. Ik klopte aan. Het meisje had de deur geopend. Ze gingen gewoon door met schelden en stonden tegenover elkaar. (...) Toen werd het een gevecht. Ze sloegen elkaar met vuisten over en weer. (...) Ik heb toen de deur geopend en zag de jongen en het meisje in een soort van paniek achter elkaar aan rennen. Het meisje van [1] kwam mijn kant oplopen en keek mij met grote ogen aan. Ze zei letterlijk: "Meisje bel de ambulance want ik heb hem gestoken". Toen ze dat zei keek ik naar de jongen van [1] en zag dat hij zijn hand of handen op zijn buikstreek hield.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 29 mei 2018. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 13-14):
Het gaat om een incident op zaterdag 5 mei 2018 omstreeks 23:00 uur. Ik was die avond thuis. De deur van onze unit stond dus open. Ik woon op nummer [2]. Ik hoorde opeens een hoop herrie uit de unit met het nummer [1]. Deze unit is tegenover onze unit. Opeens ging de deur van de unit [1] open en zag ik dat er een jongen en een meisje uit de unit kwamen. Deze wonen daar ook. Ik hoorde de jongen tegen het meisje schreeuwen: "Je hebt mij gedood! Je hebt mij gedood!" Hij herhaalde dit meerdere malen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2018. Dit proces verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 26-27):
Wij, verbalisanten kregen de opdracht om naar het Erasmus MC te Rotterdam te gaan.
Hierop deelde ik de vrouw mede dat zij aangehouden was ter zake poging doodslag. Ik hoorde haar huilend antwoorden: “Ik weet het, ik heb spijt”, of woorden van gelijke strekking.
De arts nam mij mee naar een ruimte waar ik het slachtoffer vanaf de gang kon zien liggen. Ik hoorde de arts zeggen dat de man rond de hartstreek was gestoken en dat hij veel bloed had verloren. Ik vroeg of de man aanspreekbaar was, ik hoorde de arts zeggen dat de man geïntubeerd was en dat hij buiten bewustzijn werd gehouden. Ik zag dat de man op een plank lag en de CT-scan in ging. Ik zag dat het een getint persoon betrof. Er werd door een personeelslid vanuit het ziekenhuis gezegd dat hij mogelijk [slachtoffer] heette.
5. Een geschrift, te weten een klinische brief van het Erasmus MC d.d. 10 mei 2018, inhoudende:
Patiënt: [slachtoffer]
Bovengenoemde patiënt was opgenomen van 6 mei 2018 tot en met 10 mei 2018 voor het specialisme Traumachirurgie in verband met een steekwond thorax links.
Beloop: patiënt werd na plaatsing van een thoraxdrain links en intubatie op 6 mei 2018 opgenomen op de Intensive Care voor hemodynamische ondersteuning na een steekwond in de linker thorax. Patiënt kon op 10 mei 2018 naar huis.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2019. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 52-53):
Op zaterdag 2 februari 2019 werd het navolgende onderzoek uitgevoerd. Een foto met het mes en bevindingen waar het mes in de woning aangetroffen is en of er bloed op het mes zit.
Fotografische opname 1 en 2 geven weer hoe het mes werd aangetroffen, na het openen van de toegangsdeur tot de woning. Fotografische opname 4 geeft het mes weer en op het mes is te zien dat er een rode, kennelijk op bloed gelijkende substantie, op het mes aanwezig is.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt over het beroep op noodweer in:
“Mocht u toch tot een bewezen verklaring komen dan wordt uit het verhaal van [verdachte] wel duidelijk dat zij uiteindelijk tijdens de ruzie met [slachtoffer] geen kant op kon.
Het verhaal wordt op belangrijke punten door de verklaring van de getuige [getuige 1] d.d. 8 mei 2024 ondersteund. Zij hoorde buren ruzie maken in het Papiaments.
Zij hadden vaker ruzie, maar nu was het heftiger.
Nadat, na aanbellen de deur werd geopend door het meisje ging het schelden door.
Het meisje gaf een klap. Toen werd het een gevecht. Ze sloegen elkaar over en weer.
“het meisje riep naar mij dat ik 112 moest bellen. De jongen gooide toen de deur dicht”.
Er lijkt dan al sprake te zijn van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, er is in elk geval voor [verdachte] een noodsituatie, zij roept niet voor niets 112 bellen.
[slachtoffer] gooit daarna de deur dicht. De getuige hoort dat het gevecht doorging en belde de politie. Het dichttrekken van de deur door [slachtoffer] voorkomt dat een uitweg voor [verdachte]. Zij vlucht naar de slaapkamer, [slachtoffer] volgt. Zij gaat naar de keuken en [slachtoffer] volgt. Volgens de getuige [getuige 1], die net de politie heeft gebeld, hoorde zij eerst dat het niet heftiger werd. “Toen zij had neergelegd werd het opeens heftiger”.
[verdachte] kan feitelijk geen kant op en wordt in haar eigen woning die zij niet kan verlaten aangevallen door de sterkere [slachtoffer]. Zij kon zich niet onttrekken.
Staand tegen het keukenblok gebruikt pakt zij een mes uit dit blok om [slachtoffer] van zich af te houden. Zij had in deze situatie geen andere optie. Feitelijk vastgezet in haar eigen woning was er geen andere optie meer. Zij moest zich wel verdedigen.
Het afdreigen met het mes was in de gegeven situatie ook een proportionele reactie.
Uit niets blijkt dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan een aanvallende actie.
[slachtoffer] probeert het mes af te pakken en in de worsteling wordt hij in de borst geraakt.
En dit alles gebeurde in de heftige en zeer emotionele situatie, direct veroorzaakt door de zeer heftige situatie.”
2.2.4
Het hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen:
“Het hof gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In de avond van 5 mei 2018 heeft een steekincident plaatsgevonden in de woning van de verdachte en haar toenmalige vriend, [slachtoffer], tevens het slachtoffer. Meerdere buren hebben gehoord dat de verdachte en het slachtoffer hevig ruzie maakten en tegen elkaar schreeuwden. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat de verdachte en het slachtoffer elkaar daarbij over en weer met vuisten sloegen. (...)
Noodweer(exces)
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
Tussen de verdachte en het slachtoffer heeft voorafgaand aan het steekincident een ruzie plaatsgevonden, waarbij over en weer werd geslagen. Uit de afgelegde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat het slachtoffer de voordeur van de woning op slot had gedraaid. De verdachte is vervolgens naar boven gegaan, waarna het slachtoffer haar achtervolgde. De verdachte bleef roepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten. Hij gaf hieraan geen gehoor. Integendeel, hij bleef haar achtervolgen en de ruzie en het gevecht tussen hen beide werd vervolgd in de keuken. Het slachtoffer heeft toen de keukendeur dicht gedaan en is tussen haar en de deur blijven staan, zodat de verdachte niet naar buiten kon. Het slachtoffer kwam op haar af. Vervolgens heeft de verdachte een mes gepakt en heeft zij – zoals hiervoor vastgesteld – met het mes op aangever ingestoken.
Naar het oordeel van het hof kunnen deze gedragingen van het slachtoffer, temeer nu zich kort daarvoor een vechtpartij tussen hem en de verdachte had voorgedaan, weliswaar ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was, maar het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel voldoet niet aan het proportionaliteitsvereiste. Het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond.
Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.”
2.3
Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer of noodweerexces is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. Als de rechter het beroep verwerpt, moet hij duidelijk maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.De proportionaliteitseis bij noodweer strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn als zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband geldende – tot terughoudendheid aanzettende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de manier waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen of een vuist. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.5.3.)
2.4.1
Het hof heeft vastgesteld dat (i) een ruzie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever, waarbij over en weer (met vuisten) werd geslagen, (ii) de aangever de voordeur van de woning van de verdachte en de aangever op slot heeft gedraaid, (iii) de aangever de verdachte door de woning heeft achtervolgd terwijl zij bleef roepen dat hij haar met rust moest laten, (iv) het gevecht tussen hen beiden werd vervolgd in de keuken, (v) de aangever de keukendeur dicht heeft gedaan en tussen de verdachte en de deur is blijven staan zodat de verdachte niet naar buiten kon, (vi) de aangever op de verdachte af is gekomen en (vii) de verdachte een mes heeft gepakt en de aangever heeft gestoken. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het verdedigingsmiddel van de verdachte niet voldoet aan de proportionaliteitseis, omdat het met een mes steken in de hartstreek van de aangever niet in redelijke verhouding staat tot de (dreigende) aanranding.
2.4.2
Dat oordeel is, gelet op wat door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2024 naar voren is gebracht en in het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld, niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij is van belang dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de juistheid van de door de verdediging op die terechtzitting gegeven feitenlezing, die erop neerkomt dat de verdachte, toen de aangever haar in de afgesloten keuken aanviel, een mes heeft gepakt om hem daarmee “af te dreigen”, dat de aangever daarop heeft geprobeerd het mes van haar af te pakken en dat hij bij die worsteling met het mes in de borst is geraakt.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.
Beroepschrift 26‑06‑2025
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 24/04079
Betekening aanzegging: 16 mei 2025
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte],
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20240361
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag d.d. 23 oktober 2024, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uur.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 41 Sr alsmede de artt. 359 en 415 Sv, en wel omdat het oordeel van het hof dat verdachte — nu het door verdachte met een mes in de hartstreek van de aangever steken niet voldeed aan het proportionaliteitsvereiste — geen beroep op noodweer toekwam onjuist althans onbegrijpelijk/onvoldoende met redenen omkleed is.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is onder meer een poging doodslag jegens [slachtoffer] ten laste gelegd.
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 oktober 2024 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
(…)
Ik ben vervolgens op een gegeven moment mijn woning weer in. gegaan en [slachtoffer] is achter mij aangekomen. Hij heeft de voordeur op slot gedaan. Ik ben toen van de huiskamer naar de keuken gelopen. Hij liep achter mij aan. Ik zei toen dat hij mij met rust moest laten. Vervolgens ontstond er weer een gevecht in de keuken. Hij gaf mij geen ruimte. Hij bleef tussen mij en de keukendeur staan, zodat ik er niet langs kon. Hij had de keukendeur ook dicht gedaan, zodat ik niet naar, buiten kon. De voordeur was nog steeds op slot. Ik heb toen de keukenla opengemaakt en een mes gepakt. Ik heb dit mes niet gepakt om hem te steken, enkel om hem van mij af te- houden. Ik hield het mes voor me en riep steeds tegen hem ‘Ga weg!’. Hij kwam toen toch naar mij toe en toen zag ik ineens dat hij gestoken was.
(…)
U vraagt mij nogmaals de situatie in, de keuken te schetsen. We waren aan het vechten. Hij gaf mij een klap en ik heb vervolgens het mes uit de keukenla gepakt. Ik zei toen tegen hem dat hij weg moest gaan, maar in plaats van weg te gaan, kwam hij naar mij toe. Hij wilde het mes afpakken. Ik weet niet meer exact hoe het is gegaan, maar ik zag op een gegeven moment dat hij was gestoken. Ik heb hem niet gestoken. U vraagt mij of ik heb overwogen om een stap achteruit te doen. Ik kon niet naar achteren, want ik stond met mijn rug tegen een keukenkastje aan.
(…)
U vraagt mij wat maakte dat ik de keukenla open trok om daaruit een mes te halen. Er werd over en weer geslagen. Hij had mij een harde klap gegeven en ik wilde dat hij wegging. U vraagt mij of ik weg had kunnen lopen. Nee, [slachtoffer] stond voor mij en de keukendeur achter hem was dicht. Hij stond ook tussen mij en de keukendeur. Hij gaf mij geen ruimte.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities.’
1.3
In de pleitnotities van mr. J.H.S. de Vogel, advocaat te Rotterdam, is onder meer aangevoerd:
‘Nu heeft zij wel haar eigen verhaal verteld van 5 mei 2024 verteld.
Zij kwam terug van een softbalwedstrijd. Zij kreeg een telefoontje van een meisje, dat zij [slachtoffer] voor mij naar huis had gestuurd. Hij was al thuis toen het dat telefoontje ging. Toen begon de ruzie. Zij deelde [slachtoffer] mede:
‘Ga van mijn huis weg. Geef mij de sleutel’.
Dat deed hij niet, ze begonnen te vechten. Zij ging naar de deur, opende deze en roep naar de buurvrouw, bel 112.
[slachtoffer] sloot de deur en hij pakte toen mij telefoon af. Hij probeerde de deur, hij heeft de deur van de keuken dichtgemaakt. Ze ging naar binnen, naar de slaapkamer. Hij kwam haar achterna naar keuken, hij kwam erachter aan. Zij gingen weer vechten, duwen. Hij gaf een klap. Wilde wel weg, maar dat lukte niet. Hij kwam steeds naar haar. Stond bij keukenblok, pakte een mes om hem uit de buurt te houden. Hij kwam naar mij toe, en probeerde het mes te pakken en zij liet niet los. Ik denk dat dat hij toen is geraakt.
(…)
Mocht u toch tot een bewezenverklaring komen dan wordt uit het verhaal van [verdachte] wel duidelijk dat zij uiteindelijk tijdens de ruzie met [slachtoffer] geen kant op kon. Het verhaal wordt op belangrijke punten door de verklaring van de getuige [getuige 1] d.d. 8 mei 2024 ondersteund. Zij hoorde buren ruzie maken in het Papiaments. Zij hadden vaker ruzie, maar nu was het heftiger. Nadat, na aanbellen de deur werd geopend door het meisje ging het schelden door.
Het meisje gaf een klap. Toen werd het een gevecht. Ze sloegen elkaar over en weer. Het meisje riep naar mij dat ik 112 moest bellen. De jongen gooide toen de deur dicht’.
Er lijkt dan al sprake te zijn van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, er is in elk geval voor [verdachte] een noodsituatie, zij roept niet voor niets 112 bellen. [slachtoffer] gooit daarna de deur dicht. De getuige hoort dat het gevecht doorging en belde de politie. Het dichttrekken van de door [slachtoffer] voorkomt dat een uitweg voor [verdachte]. Zij vlucht naar de slaapkamer. [slachtoffer] volgt. Zij gaat naar de keuken en [slachtoffer] volgt. Volgens de getuige [getuige 1], die net de politie heeft gebeld, hoorde zij eerst dat het niet heftiger werd. ‘Toen zij had neergelegd werd het opeens heftiger’. [verdachte] kan feitelijk geen kant op en wordt in haar eigen woning die zij niet verlaten kan aangevallen door de sterkere [slachtoffer]. Zij kon zich niet onttrekken. Staand tegen het keukenblok gebruikt pakt zij een mes uit dit blok om [slachtoffer] van zich af te houden. Zij had in deze situatie geen andere optie meer. Zij moest zich wel verdedigen. Het afdreigen met het mes was in de gegeven situatie ook een proportionele reactie. Uit niets blijkt dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan een aanvallende actie. [slachtoffer] probeert het mes af te pakken en in de worsteling wordt hij in de borst geraakt. En dit alles gebeurde in de heftige en zeer emotionele situatie, direct veroorzaakt door de zeer heftige situatie.
Subsidiair: noodweer.
Als het dan geen noodweer is en de grenzen voor een noodzakelijke verdediging zouden zijn overschreden dan is dit veroorzaakt door die heftige gemoedsbeweging.
Meer subsidiair: noodweerexces’
1.4
In het arrest heeft het hof het tenlastegelegde bewezen verklaard. Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof onder meer als bewijsmiddel gebruikt (voor zover in dit kader relevant):
‘1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 oktober 2024, inhoudende:
[slachtoffer] en ik kregen ruzie. Ik heb hem toen gevraagd of hij de woning wilde verlaten, maar dat wilde hij niet. Hij had de huissleutel en ik heb hem toen om de sleutel gevraagd. Ook die wilde hij niet afgeven aan mij. De verbale ruzie begon een vechtpartij te worden. Er werd gescholden en geslagen over en weer.
Ik ben vervolgens op een gegeven moment mijn woning weer in gegaan en [slachtoffer] is achter mij aangekomen. Hij heeft de voordeur op slot gedaan. Ik ben toen van mijn huiskamer naar de keuken gelopen. Hij liep achter mij aan. Ik zei toen dat hij mij met rust moest laten. Vervolgens ontstond er weer een gevecht in de keuken. Hij gaf mij geen ruimte. Hij bleef tussen mij en de keukendeur staan, zodat ik er niet langs kon. Hij had de keukendeur ook dicht gedaan, zodat ik niet naar buiten kon. De voordeur was nog steeds op slot. Ik heb toen de keukenla opengemaakt en een mes gepakt.
(…)
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige A. [getuige 1] d.d. 8 mei 2018. Dit proces-verbaal houdt onder meer in — zakelijk weergegeven — (blz. 10–12):
V: Jij woont aan de [a-straat] te [a-plaats].
V: Kan jij ons vertellen wat er op de zaterdag 05 mei 2018 op zondag 06 mei 2018 is gebeurd?
A: Op zaterdag begon het tussen 22:30 uur en 23:00 uur. Ik liep mijn unit binnen en hoorde de buren op [001] ruzie maken. Het was boos geschreeuw. Ik hoorde dat er over en weer geslagen werd. Ik kon niet verstaan wat er werd gezegd. Er was veel gebonk tegen de deuren en muren en ik hoorde ook dat ze elkaar aan het slaan waren. Ik klopte aan. Het meisje had de deur geopend. Ze gingen gewoon door met schelden en stonden tegenover elkaar. (…) Toen werd het een gevecht. Ze sloegen elkaar met vuisten over en weer. (…) Ik heb toen de deur geopend en zag de jongen en het meisje in een soort van paniek achter elkaar aan rennen. Het meisje van [001] kwam mijn kant oplopen en keek mij met grote ogen aan. Ze zei letterlijk:
‘Meisje bel de ambulance want ik heb hem gestoken’.
Toen ze dat zei keek ik naar de jongen van [001] en zag dat hij zijn hand of handen op zijn buikstreek hield.
(…)’
1.5
Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen en daartoe het navolgende overwogen:
‘Noodweer (exces)
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt, het hof het volgende vast.
Tussen de verdachte en het slachtoffer heeft voorafgaand aan het steekincident een ruzie plaatsgevonden, waarbij over en weer werd geslagen. Uit de afgelegde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger, beroep leidt het hof af dat het slachtoffer de voordeur van de woning op slot had gedraaid. De verdachte is vervolgens naar boven gegaan, waarna het slachtoffer haar achtervolgde. De verdachte bleef roepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten. Hij gaf hieraan geen gehoor. Integendeel, hij bleef haar achtervolgen en de ruzie en het gevecht tussen hen beide werd vervolgd in de keuken. Het slachtoffer heeft toen de keukendeur dicht gedaan en is tussen haar en de deur blijven staan, zodat de verdachte niet naar buiten kon. Het slachtoffer kwam op haar af. Vervolgens heeft de verdachte een mes gepakt en heeft zij — zoals hiervoor vastgesteld — met het mes op aangever ingestoken.
Naar het oordeel van het hof kunnen deze gedragingen van het slachtoffer, temeer nu zich kort daarvoor een vechtpartij, tussen hem en de verdachte had voorgedaan, weliswaar ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was, maar het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel voldoet niet aan het proportionaliteitsvereiste. Het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond.
Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.’
1.6
Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter (i) de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken, (ii) beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het verweer is voldaan en (iii) een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Bij het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd. Als de verdachte in dit verband weigert te antwoorden op nadere vragen met betrekking tot de door of namens hem gestelde gang van zaken, mag de rechter die omstandigheid in zijn beoordeling betrekken. Voor aanvaarding van het beroep is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Voor vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop een beroep op noodweer steunt, geldt (anders dan voor beslissing over bewezenverklaring) niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij beoordeling van de feitelijke grondslag van een beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens verdachte is aangevoerd en in het licht van verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over precieze feitelijke toedracht niet in de weg. Wanneer de rechter de feitelijke toedracht van het beroep niet aannemelijk geworden acht, verwerpt hij het beroep. Ook wanneer hij oordeelt dat de door hem aannemelijk geachte feitelijke toedracht het beroep niet kan doen slagen omdat niet aan voorwaarden voor aanvaarding van dat beroep is voldaan, verwerpt hij het beroep. De rechter kan overigens onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep achterwege laten, als hij tot oordeel komt dat (veronderstellenderwijs uitgaand van aannemelijkheid van gestelde feitelijke toedracht) het beroep niet kan slagen. Wel moet uit de uitspraak volgen op welke grond verwerping berust.1.
1.7
De door het hof genoemde proportionaliteitseis bij noodweer strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij — als verdedigingsmiddel — niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband — tot terughoudendheid nopende — maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.2. De manier waarop de aangevallene zich heeft verdedigd behoeft niet de beste of optimaal te zijn geweest.3. Een zekere overreactie van de verdediger moet de aanvaller op de koop toenemen.4.
1.8
Uit het overzichtsarrest noodweer5. volgt dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond in beginsel niet in redelijke verhouding staat tot een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist. De rechtspraak van de Hoge Raad laat evenwel zien dat bijzondere omstandigheden dit anders kunnen maken.6. Gedacht kan worden aan situaties waarin iemand met een overtalsituatie geconfronteerd wordt en niet weg kan komen;7. aan situaties waarin de aanranding meer om het lijf heeft dan een aanval met blote handen of vuisten, zoals het langdurig dichtknijpen van de keel;8. of aan de situatie waarin de verdachte zich geconfronteerd ziet met iemand die veel groter is dan hij.9.
1.9
Ter Haar heeft wel gesteld dat er niet strikt moet worden gekeken naar ‘mes versus vuisten’, maar naar de gehele situatie ter plaatse en de dreiging die daarvan uitgaat. Voorts geldt volgens Ter Haar dat de verdediger geen risico's hoeft te lopen met zijn keuze voor een bepaald verdedigend optreden. Wanneer hij tegen een overmacht komt te staan en niet zeker is of hij het met zijn vuisten af kan, hoeft hij zich daarop niet te verlaten. De aanvaller weet, wat Ter Haar betreft, dat hij wel eens te maken kan krijgen met een verdedigend optreden dat zwaarder kan zijn dan zijn aanval. Van een evenwicht tussen aanval en verdediging hoeft wat hem betreft dan ook geen sprake te zijn.10. Annotator Van Kempen lijkt eenzelfde lijn als Ter Haar aan te houden. Van Kempen wijst er op dat uit het overzichtsarrest uit 2016 naar voren komt dat de ‘tot terughoudendheid nopende’ maatstaf voor de proportionaliteitseis bij noodweer is ‘of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding’. Het gaat volgens Van Kempen dus niet om een zuivere evenredigheidstoets maar om een redelijkheidsbeoordeling. Vereist voor noodweer is voorts niet dat de verhouding redelijk is, maar slechts dat die niet onredelijk is. Bovendien wordt hierbij van de rechter niet een strikte maar juist een coulante beoordeling verwacht. Een en ander impliceert volgens Van Kempen dat eventuele onevenredigheid tussen de verdedigingsgedraging en de ernst van de aanranding niet per se impliceert dat ook sprake is van een onredelijke verhouding.11. Ook annotator Machielse is van mening dat de Hoge Raad er geen blijk van heeft willen geven de noodweerbevoegdheid strikt te begrenzen. Uitgangspunt van de proportionaliteitseis bij noodweer is, zo meent Machielse, dat een gedraging niet straffeloos dient te zijn als zij — als verdedigingsmiddel — niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De maatstaf waaraan — met terughoudendheid — moet worden getoetst is of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.12.
1.10
Het hof heeft in de bewijsmiddelen vastgesteld dat:
- —
Verdachte en aangever ruzie hadden en de verbale ruzie uitmondde in een vechtpartij;
- —
Dat er zowel binnen als buiten de woning door verdachte en aangever over en weer geslagen is;
- —
Dat verdachte op een gegeven moment weer de woning in is gelopen, aangever haar achterna kwam en de deur op slot deed;
- —
Dat verdachte aangever vroeg haar met rust te laten en er vervolgens weer een gevecht in de keuken ontstond;
- —
Dat aangever verdachte geen ruimte gaf, tussen verdachte en de keukendeur bleef staan zodat zij niet weg kon en dat aangever de keukendeur ook dicht had gedaan zodat verdachte niet naar buiten kon;
- —
Verdachte vervolgens een mes gepakt heeft;
- —
Aangever uiteindelijk door het door aangeefster vastgehouden mes in de borststreek gewond is geraakt en naar het ziekenhuis is vervoerd;
1.11
Namens verdachte heeft de verdediging in hoger beroep subsidiair een beroep op noodweer gedaan. Dit nu verdachte zich niet aan de situatie kon onttrekken en zij klappen ontving van de sterkere, mannelijke verdachte. Dientengevolge voldeed de verdedigingshandeling van verdachte aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
1.12
Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen. Hiertoe heeft het hof overwogen dat de gedragingen van het slachtoffer, temeer nu zich kort daarvoor een vechtpartij tussen hem en de verdachte had voorgedaan, weliswaar ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was, maar het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel niet voldoet aan het proportionaliteitsvereiste. Het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer staat volgens het hof niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond.
1.13
Dit oordeel van het hof/de verwerping van het verweer is echter onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende met redenen omkleed, nu het hof, door kennelijk enkel de dreiging van een wederrechtelijke aanranding vast te stellen en in diens beoordeling van de proportionaliteit mee te nemen en ook heeft nagelaten de omstandigheden waaronder het steken heeft plaatsgevonden nader aan te duiden/vast te stellen, zodat het hof dientengevolge niet de vereiste vergelijking tussen de omvang van deze aanranding en het al dan niet disproportionele karakter van het door verdachte gebruikte verdedigingsmiddel kon of heeft kunnen maken. Het voorgaande klemt temeer nu er in casu — zoals door het hof ook in de bewijsmiddelen is vastgesteld — sprake was van een reeds in de keuken ontstaan en zich vlak voor het steekincident afspelend gevecht waarin verdachte als kwetsbare vrouw in haar eigen woning klappen ontving13. van de sterkere mannelijke verdachte14. en verdachte aangever eerst heeft gevraagd weg te gaan, welke oproep niet door aangever gehonoreerd werd. Nu aangever vervolgens ook de mogelijkheid tot onttrekking door verdachte onmogelijk heeft gemaakt15. kan — mede in het licht van de geldende terughoudende toetsingsmaatstaf van de disproportionaliteit16. — niet of niet zonder meer gezegd worden dat het door verdachte met een mes in de borststreek steken van aangever disproportioneel was, nu verdachte geen andere uitweg meer had, zij als zwakkere partij niet met zekerheid kon weten of zij aangever wel met haar blote vuisten kon afweren.
1.14
Het arrest van het hof kan dan ook niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 26 juni 2025
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑06‑2025
Vgl. Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, rov. 3.5.3.
CAG Keulen 3 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:373.
Aldus N. Jörg in zijn noot onder HR 15 december 2020, NJ 2021/247.
HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456 (NJ 2016/316, m.nt. N. Rozemond.
CAG Van Wees voorafgaand aan HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:70 (afgedaan via art. 81 RO), randnummer 3.6.
Vgl. HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, r.o. 2.4.
Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, r.o. 2.4.
Vgl. HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, r.o. 2.4. In deze zaak had de verdachte het hem belagende slachtoffer gestoken in zijn onderarm, waardoor eerder aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan.
R.H. Ter Haar, ‘Grondslag en grenzen van noodweer(exces)’, Bsb 2020/4, p. 185–192, p. 189.
P.H.P.H.M.C. van Kempen, noot behorende bij HR 10 januari 2023, NJ 2023/88, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, randnummer 6.
A.J. Machielse, noot behorende bij HR 31 oktober 2023, NJ 2024/10, m.nt. A.J. Machielse, randnummer 13 onder verwijzing naar HR 14 april 2020, NJ 2020/176 en de eerdergenoemde noot van Van Kempen.
Verdachte heeft op zitting verklaard dat zij een harde klap van aangever ontving en dat zij wilde dat aangever wegging: p-v van de terechtzitting van het hof d.d. 9 oktober 2024, p. 6.
Zoals de verdediging ook heeft aangevoerd in diens pleitnota.
In tegenstelling tot bijv. de zaak in het eerder verwezen arrest HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:70 waarin sprake was van een situatie welke zich op straat afspeelde: CAG Van Wees, randnummer 3.8.
Hiervoor wordt andermaal terugverwezen naar de onder randnummers 1.4–1.9 weergeven opvattingen in de literatuur en jurisprudentie, meer in het bijzonder die waaruit naar voren komt dat de Hoge Raad geen zuivere evenredigheidstoets maar een redelijkheidsbeoordeling toepast en dat hierbij van de strafrechter een coulante beoordeling gevraagd wordt.