Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:83 BW:Verzuim zonder ingebrekestelling
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:83 BW
Verzuim zonder ingebrekestelling
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. W.L. Valk, actueel t/m 05-01-2026
Actueel t/m
05-01-2026
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. W.L. Valk
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:83 BW
Deze bepaling beschrijft drie gevallen waarin het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. Uit hetgeen hiervoor naar aanleiding van art. 6:74 en 6:81 BW gezegd is1, volgt dat de schuldeiser de feiten zal moeten stellen (en zo nodig bewijzen) waaruit volgt dat zich een van deze gevallen voordoet, dan wel feiten die meebrengen dat op andere grond het verzuim is ingetreden in verband met de beperkende dan wel aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid.2 Volgens de benadering van de sluimerende stelplicht zal in de stelling van de schuldeiser dat de schuldenaar tekort is geschoten, besloten kunnen liggen dat het verzuim is ingetreden (in het bijzonder in het geval van een tekortkoming die bestaat in een ondeugdelijk presteren).3
Fatale termijn (onder a)
De vraag of partijen een voor voldoening bepaalde termijn zijn overeengekomen, is een vraag naar de inhoud van de overeenkomst, waarvoor de bij art. 3:33 en 3:35 BW beschreven regels van stelplicht en bewijslast gelden.4 Uit de gekozen ātenzijā-formulering aan het slot is af te leiden dat het aan de schuldenaar is in dat verband de feiten te stellen (en zo nodig te bewijzen) die meebrengen dat een tussen partijen overeengekomen termijn een andere strekking heeft.5
Onrechtmatige daad/schadevergoeding (geval b)
Als de verbintenis van de schuldeiser voortvloeit uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW e.v.) of indien de verbintenis strekt tot schadevergoeding als bedoeld in art. 6:74 lid 1 BW en zij niet terstond wordt nagekomen, treedt het verzuim in zonder ingebrekestelling. Op de voet van genoemde artikelen dient de stelplicht en bewijslast te worden beoordeeld. Het verzuim treedt in vanaf het moment waarop de schade wordt geleden.6
Mededeling schuldenaar (geval c)
Het is aan de schuldeiser de feiten te stellen (en zo nodig te bewijzen) waaruit volgt dat schuldenaar een mededeling gedaan heeft waaruit de schuldeiser moet afleiden dat de schuldenaar zal tekortschieten in de nakoming van zijn verbintenis.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:83 BW
Verzuim zonder ingebrekestelling
mr. W.L. Valk, actueel t/m 05-01-2026
05-01-2026
01-01-1992 tot: -
mr. W.L. Valk
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:83 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 83
Uitgangspunt
Deze bepaling beschrijft drie gevallen waarin het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. Uit hetgeen hiervoor naar aanleiding van art. 6:74 en 6:81 BW gezegd is1, volgt dat de schuldeiser de feiten zal moeten stellen (en zo nodig bewijzen) waaruit volgt dat zich een van deze gevallen voordoet, dan wel feiten die meebrengen dat op andere grond het verzuim is ingetreden in verband met de beperkende dan wel aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid.2 Volgens de benadering van de sluimerende stelplicht zal in de stelling van de schuldeiser dat de schuldenaar tekort is geschoten, besloten kunnen liggen dat het verzuim is ingetreden (in het bijzonder in het geval van een tekortkoming die bestaat in een ondeugdelijk presteren).3
Fatale termijn (onder a)
De vraag of partijen een voor voldoening bepaalde termijn zijn overeengekomen, is een vraag naar de inhoud van de overeenkomst, waarvoor de bij art. 3:33 en 3:35 BW beschreven regels van stelplicht en bewijslast gelden.4 Uit de gekozen ātenzijā-formulering aan het slot is af te leiden dat het aan de schuldenaar is in dat verband de feiten te stellen (en zo nodig te bewijzen) die meebrengen dat een tussen partijen overeengekomen termijn een andere strekking heeft.5
Onrechtmatige daad/schadevergoeding (geval b)
Als de verbintenis van de schuldeiser voortvloeit uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW e.v.) of indien de verbintenis strekt tot schadevergoeding als bedoeld in art. 6:74 lid 1 BW en zij niet terstond wordt nagekomen, treedt het verzuim in zonder ingebrekestelling. Op de voet van genoemde artikelen dient de stelplicht en bewijslast te worden beoordeeld. Het verzuim treedt in vanaf het moment waarop de schade wordt geleden.6
Mededeling schuldenaar (geval c)
Het is aan de schuldeiser de feiten te stellen (en zo nodig te bewijzen) waaruit volgt dat schuldenaar een mededeling gedaan heeft waaruit de schuldeiser moet afleiden dat de schuldenaar zal tekortschieten in de nakoming van zijn verbintenis.
Voetnoten
1.
Van den Brink & Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 en 6:81 BW.
2.
De opsomming van art. 6:83 BW is immers niet limitatief. Zie: MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 296, en wat betreft de rechtspraak onder meer HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4358, NJ 2003/257 m.nt. Hijma (Fraanje/Gƶtte) en HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581, NJ 2020/197 m.nt. Smeehuijzen (Fraanje/Alukon).
3.
Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:81 BW (Past de rechter het verzuimvereiste ook ambtshalve toe?).
4.
Meijer & Wattendorff, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:33 en 3:35 BW.
5.
Asser/Sieburgh 6-I 2024/394; Bakker, GS Verbintenissenrecht, art. 6:83 BW, aant. 12.
6.
HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198, NJ 2015/425 m.nt. Tjong Tjin Tai (Dexia/Oerlemans) met betrekking tot het geval van art. 6:162 BW. Hetzelfde zal gelden voor het geval van art. 6:74 BW.