Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.0.I
I.I Onderzoeksthema
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624595:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
‘Panta rhei kai ouden menei’. Deze zinspreuk karakteriseert de filosofie van de presocratische filosoof Heraclitus. Zie over delegatie in het erfrecht ook mijn publicaties Bauduin 2011; Bauduin 2012a; Bauduin 2012c; Bauduin 2014 evenals de publicatie Bauduin & Reijnen 2014. Deze publicaties hebben aan de basis gestaan van dit onderzoek en zijn hierin nader uitgewerkt en genuanceerd. Wat in dit onderzoek onder delegatie in het erfrecht wordt verstaan, wordt toegelicht in de paragraaf ‘Terminologie en reikwijdte’.
In navolging van de wet gebruik ik de term ‘erflater’ daar waar ook ‘testateur’ kan worden gelezen.
Met deze laatste vraag kampt bijvoorbeeld de erflater die het door hem uitgeoefende familiebedrijf wil nalaten aan een van zijn, ten tijde van het testeren nog minderjarige, kinderen. Wie van de kinderen zal zich zo ontwikkelen dat hij of zij geschikt is om het bedrijf voort te zetten? Wellicht kan deze keuze pas worden gemaakt enige tijd na het overlijden van de erflater. Bijvoorbeeld op het moment dat de kinderen een bepaalde studie hebben afgerond. Vgl. het Frühzeitiges Unternehmertestament waarover onder meer Sens 1990, p. 5 e.v. en Kossmann 1994.
Zie voor de behoefte aan wilsdelegatie ook Kleijn 1969, p. 281; Rookmaker 2003b, p. 18; Kleijn 2004a, p. 80; Bauduin 2012a, p. 33-34; Bauduin & Reijnen 2014, p. 179.
Voor de terminologie van het begrip ‘uiterste wil’ verwijs ik naar Breemhaar 1992, p. 18-19; Waaijer, Handboek Erfrecht 2011, p. 125-126; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 150.
Zie hierover ook F. Schols 2009a. Het vormvoorschrift van art. 4:42 lid 3 BW bepaalt dat een uiterste wilsbeschikking slechts door erflater persoonlijk kan worden gemaakt en herroepen. Vertegenwoordiging door een wettelijk vertegenwoordiger of een gevolmachtigde is daarmee uitgesloten. Schols gaat in zijn artikel onder andere in op de vraag of direct testamentair ingrijpen (‘testamentaire vertegenwoordiging’) door de rechter wenselijk zou zijn indien een meerderjarig persoon testeeronbekwaam is en daardoor een reeds gemaakte uiterste wilsbeschikking niet meer kan herroepen. Bij gewijzigde omstandigheden kan dit immers tot ongerechtvaardigde en ongewenste gevolgen leiden. Het probleem dat F. Schols schetst, kan worden verzacht indien het delegeren van testeerbevoegdheden mogelijk is. Een erflater zou dan in zijn uiterste wilsbeschikking al rekening kunnen houden met een eventueel later intredende wilsonbekwaamheid door in het testament aan een vertrouwenspersoon de bevoegdheid te geven om, aan de hand van door de erflater gegeven richtlijnen, de uiterste wilsbeschikkingen aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden. Zie over wils(on) bekwaamheid en testeren ook Jennekens & Jennekens-Schinkel 2005, p. 595-599 en Waaijer 2005, p. 599-604.
De term ‘wilsdelegatie’ ontleen ik aan Rombach 1969, p. 421. Gelet op de doelstelling geschiedt dit blootleggen van de civielrechtelijke grenzen van wilsdelegatie primair aan de hand van het positieve recht. Enkel daar waar een rechtshistorische beschouwing inzichten verschaft die rechtstreeks van belang zijn voor het delegatievraagstuk komt het oude recht aan bod. Voorts blijft een fiscale behandeling van het delegatievraagstuk, eveneens gelet op de doelstelling van dit onderzoek, achterwege. Het manuscript is in beginsel afgesloten op 31 juli 2014..
De gevleugelde uitdrukking ‘alles stroomt en niets is blijvend’ raakt de kern van de behoefte aan delegatie in het erfrecht.1 Bij het maken van een uiterste wilsbeschikking kampt de erflater met nogal wat onzekerheden.2 Wat is de omvang van het vermogen op het moment van overlijden en wanneer vindt dit overlijden plaats? Is er een langstlevende partner en hoe oud wordt deze partner? Zijn er (klein)kinderen, hoe oud zijn deze kinderen op het moment van erflaters overlijden en hoe ontwikkelen zij zich in de periode hiervoor en hierna?3 Wat zijn de wensen van de ‘achterblijvende’ personen? Blijft de fiscale wetgeving zoals deze is ten tijde van het testeren of komt er een wetswijziging waardoor de uiterste wil een fiscale uitwerking geniet, anders dan de erflater voor ogen stond?4
Deze onzekerheden vloeien voort uit en worden verklaard door het (veelal aanzienlijke) tijdsverloop tussen de dag waarop de erflater testeert en de dag waarop hij overlijdt. Meestal verstrijken er heel wat jaren tussen deze twee momenten. Jaren waarin situaties kunnen veranderen. Soms zijn deze veranderingen zo ingrijpend dat de in de uiterste wil vastgelegde beschikkingen geheel anders blijken uit te pakken dan door de erflater ten tijde van het testeren werd beoogd.5 De erflater heeft weliswaar een mogelijkheid om in te spelen op gewijzigde en/of onvoorziene omstandigheden door het bepaalde in art. 4:42 lid 2 BW: de erflater kan een uiterste wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen. Deze bepaling biedt de erflater evenwel niet altijd soelaas. Wat immers te doen als ouderdom de erflater overmeestert, in die zin dat hij niet meer in staat is zijn wil te bepalen en daardoor een eerder gemaakte uiterste wilsbeschikking niet kan herroepen?6 Dient de erflater in een dergelijk geval vastgepind te worden op een reeds gemaakte keuze, die door gewijzigde omstandigheden niet meer strookt met zijn laatste wil? Een bevestigend antwoord krenkt niet alleen de erflater met een gevoel van onmacht en onrechtvaardigheid, het kan ook bij nabestaanden voor de nodige spanningen zorgen. Vooral daar waar het er duimdik bovenop ligt dat de uitvoering van erflaters uiterste wilsbeschikkingen niet zijn (laatste) wil is geweest. Met behulp van uitleg zou in een dergelijk geval recht kunnen worden gedaan aan erflaters uiterste wilsbeschikking. Een andere manier die erflater in zulke gevallen uitkomst zou kunnen bieden, is een flexibel testament – ofwel een flexibele uiterste wil – waarin ruimte is voor een nadere invulling van erflaters wil door een door de erflater aangewezen vertrouwenspersoon. Deze flexibiliteit kan worden bereikt door het delegeren van bepaalde erfrechtelijke bevoegdheden. Onduidelijk is nochtans waar de wet ten aanzien van testamentaire delegatie de grenzen trekt.
De voorliggende studie heeft tot doel de civielrechtelijke grenzen van wilsdelegatie in het (huidige) erfrecht bloot te leggen.7