Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.4.3
2.4.3 De Wegnahmerechte in het BGB
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644832:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staudinger/Bittner/Kolbe (2019) BGB §258 Rn 1.
Bij een koop kan de verkoper een optie op “terugkoop” bedingen. Als hij van deze optie gebruikt maakt, dan is de koper (Wiederverkaufer) gehouden om de verkochte en geleverde zaak terug te leveren aan de verkoper. Laatstgenoemde is op zijn beurt verplicht om de koopprijs terug te betalen (zie §456 BGB e.v.). Als de koper zijn eigen zaken met de gekochte zaak heeft verbonden voordat de optie tot “terugkoop” is gelicht, dan mag hij deze toevoegingen afscheiden. Gedurende de periode waarin de optie tot terugkoop kan worden gelicht is de bevoegdheid van de eerste koper (Wiederverkaufer) beperkt.
Het Duitse recht kent zogenaamde Vorerbe en Nacherbe. De erflater kan bepalen dat iemand (Nacherbe) pas erfgenaam wordt nadat eerst een andere (Vorerbe) erfgenaam is geworden. Deze Vorerbe verkrijgt de nagelaten zaken voor een bepaalde tijd in eigendom. Als deze Vorerbe zijn eigen zaken heeft toegevoegd aan de geërfde zaak, dan mag hij deze toevoegingen verwijderen. Net als de Wiederverkaufer is de Vorerbe beperkt in zijn bevoegdheid.
Rieländer (2014), p. 491.
Zie hieronder §2.5.3 voor de discussie over dit Wegnahmerecht.
Wittig (2011), p. 105 e.v.
Wittig (2011), p. 59.
§§890-892 zijn de voorlopers van §§946-948 BGB. Zie ook: Wieling, JZ/1985, p. 518.
Mugdan III, p. 231.
Wittig (2011), p. 61.
Wittig (2011), p. 60.
§258 BGB vermeldt niet wanneer iemand het wegneemrecht kan inroepen.1 Dat bepalen de speciale artikelen in het BGB. De meeste wegneemrechten zijn toegekend aan iemand die in een contractuele verhouding staat tot de eigenaar van de hoofdzaak, zoals een Wiederverkaufer (§459 BGB)2, een huurder (§539 BGB), een pachter (§591a BGB), een bruiklener (§601 BGB), een vruchtgebruiker (§1049 BGB), een pandhouder (§1216 BGB) en een Vorerbe3 (§2125 BGB). Daarnaast zijn in twee gevallen afscheidingsrechten toegekend als tussen de eigenaar van de zaak en de wegneemgerechtigde een verbintenis is ontstaan uit de wet.4 Een leverancier onder eigendomsvoorbehoud tevens niet-bezitter (§951 BGB) en een bezitter van een hoofdzaak (§997 BGB), hebben een ius tollendi als zij door natrekking hun eigendomsrecht hebben verloren. Het wegneemrecht van §951 BGB verschilt in zoverre van de andere wegneemrechten, doordat de wegneemgerechtigde geen “toegang” heeft tot de hoofdzaak, waarmee zijn zaak is verbonden. Zo heeft bijvoorbeeld een vruchtgebruiker de in vruchtgebruik gegeven zaak onder zich, waardoor hij zelf kan overgaan tot afscheiding van de bestanddelen die hij heeft toegevoegd aan die zaak. Een leverancier onder eigendomsvoorbehoud daarentegen heeft na de levering zijn zaak niet meer onder zich. Als vervolgens diens zaak door de koper wordt verbonden met een hoofdzaak, dan heeft de leverancier toch een wegneemrecht.5
De wegneemrechten ontstaan als iemand (onverplicht) kosten heeft gemaakt door een of meer zaken toe te voegen (Verwendungen) aan een zaak van een ander. Er moet sprake zijn van een vermogensoffer aan de zijde van de verbinder.6 De afscheidingsrechten hebben als functie om iemand in natura te compenseren voor de investering (Ausgleichsfunktion).7 Deze iura tollendi hebben dus betrekking op toegevoegde stoffelijke objecten en niet op andere kosten die gemaakt zijn ten behoeve van een zaak, zoals opslagkosten. Ze hebben als functie om het verlies van eigendom terug te draaien die is ontstaan door natrekking en de oorspronkelijke eigenaar wederom het eigendomsrecht te verschaffen:
“Deshalb erscheint es billig, für den Fall, daß der vindizirende Eigenthümer zu einem derartigen Werthersatze nicht verpflichtet und nicht bereit ist, die expropriirende Wirkung der §§890 - 8928 insoweit zu beschränken, daß die Trennung erlaubt und mit der Trennung und Wegnahme die in Folge der Verbindung eingetretene Aenderung im Eigenthume rückgängig gemacht wird.”9
De vraag of een zaak na de verbinding al dan niet een wezenlijk bestanddeel is geworden, wordt door de Wegnahmerechte in beginsel een overbodige, aangezien de afscheidingsrechten blijven bestaan ook als een zaak door natrekking een wezenlijk bestanddeel is geworden, waardoor het eigendomsrecht daarop (definitief) teniet is gegaan. Zo vult een afscheidingsrecht de leemtes op die de ordeningsregels als natrekking en vermenging achter laten.10 Ze “trekken” de boel recht. Daarnaast biedt een afscheidingsrecht in bepaalde gevallen uitkomst als iemand liever zijn zaak terug heeft in plaats van een geldelijke compensatie. Een pachter die een bewateringsysteem heeft gebruikt op de verpachte grond, wil dit na afloop van het pachtcontract graag gebruiken op een andere grond. Hij kan dan gebruik maken van zijn afscheidingsrecht.11
De afscheidingsrechten zijn grofweg in twee groepen te verdelen, namelijk die waarin het wegneemrecht ontstaat uit een contractuele schuldverhouding en die waarin het ontstaat uit een wettelijke schuldverhouding.