Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.4.1
3.4.1 De giro-overeenkomst; bewaring van giraal geld
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS587566:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Over deze rechtsverhouding is veel geschreven. Ik verwijs hier naar de publicaties van Bronkhorst (1987),Van Ravenhorst (1991), Rank (1996) p. 211-247 en Van Esch (2001c) p. 26-46. Voor het Belgische recht, maar met diverse ook voor Nederland relevante uitwerkingen: Steennot (2002). Ten gevolge van de Richtlijn Betaaldiensten (Richtlijn 2007/64/EG, PbEU L 319) zullen nadere eisen worden gesteld aan de inhoud van deze rechtsverhouding.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2006-2007, 27 863, nr. 23 over het convenant betaaldiensten. Deze reeks kamerstukken betreft het betalingsverkeer en aanverwante onderwerpen, zoals de bereikbaarheid van betaaldiensten.
Diverse banken hebben in november 2001 het Convenant inzake een pakket primaire betaaldiensten ondertekend. Over de weigering een rekening te openen Slagter (1999) p. 170. Over diverse vormen van wettelijk opgelegde contractdwang Houben (2005), met een opmerking terzijde ten aanzien van betaaldiensten op p. 334. De dilemma's waartoe dit kan leiden worden geillustreerd door Vzr. Rb. 's-Hertogenbosch 23 juni 2008, JOR 2008, 239 (`Lankes-Rabobank') en Rb. Rotterdam 7 juli 2008, JOR 2008, 240 m.nt. F.M.A. 't Hart (`Virtual Access Internet-ING').
De overeenkomst is samengesteld uit meerdere gestandaardiseerde en op elkaar voortbouwende groepen van bepalingen. Aan de basis liggen de voor alle banken identieke Algemene Bankenvoorwaarden, die tot stand zijn gekomen in overleg tussen de Nederlandse Vereniging van Banken en de Consumentenbond in het kader van de Commissie voor Consumentenaangelegenheden van de SER. Afhankelijk van het betaalpakket dat de rekeninghouder wenst af te nemen, kunnen ook van toepassing zijn de Voorwaarden Gebruik Geld- en Betaalautomaten, de Consumentenvoorwaarden Prepaid Chipknip en de algemene voorwaarden voor betalingen via het internet, mobiele telefoon of door middel van een creditcard.
Van Ravenhorst (1991).
Voor wat betreft zorgplicht en betalingsverkeer onder meer HR 23 december 2005, NJ 2006, 289 m.nt. MRM en JOR 2006, 20 (`Safe Haven'), waarover Grundmann-van de Krol (2006) p. 80-87. Over zorgplichten bij de handel in effecten: Van Baalen (2006).
Van Ravenhorst (1991) lijkt ook in de rekening-courant een relationeel element te willen betrekken, zie o.m. p. 178-179.
Zie hoofdstuk 1, par. 1 voor enkele cijfers.
Zie reeds HR 7 april 1978, NJ 1978, 624 m.nt. WK (`Mertens q.q.-De Groot') en thans artikel 6:114 BW.
Om over het girale geld te beschikken is het noodzakelijk een overeenkomst tot het verrichten van betaaldiensten te sluiten (de `giro-overeenkomst').1 Dit is een gestandaardiseerde contractuele verhouding tussen de bank en de houder van een betaalrekening en wordt, naast de vastgelegde rechten en plichten, ingevuld door de bijzondere aard en maatschappelijke context van de betaalrekening. Zo kan de overeenkomst niet los worden gezien van het feit dat een dergelijke rekening een onmisbaar instrument is om aan het maatschappelijk-economische verkeer deel te nemen.2 Dit belang vindt zijn weerslag in de steeds meer aanvaarde opvatting dat ten aanzien van betaaldiensten de traditionele contractsvrijheid van de bank is geëvolueerd tot een contractsplicht met slechts een beperkt aantal uitzonderingen. Kort gezegd, zal de bank een verzoek tot het openen van een betaalrekening honoreren tenzij de verzoeker al kan beschikken over een bankrekening of de bank goede grond heeft te vrezen dat de rekening zal worden aangewend voor misbruik of frauduleuze verrichtingen.3 De keerzijde van deze contractsplicht is het nagenoeg ontbreken van iedere onderhandelingsruimte bij de rekeninghouder. In de praktijk is de overeenkomst een adhesie-contract dat de rekeninghouder in het geheel en onder de voorwaarden van de bank dient te aanvaarden.4 Verder kenmerkt de giro-overeenkomst zich door het karakter van een duurovereenkomst. Van Ravenhorst betoogt dat de rechtsverhouding tussen bank en cliënt relationeel benaderd moet worden.5 Inderdaad hebben in de jaren na het verschijnen van de studie van Van Ravenhorst de bancaire zorgplichten een enorme vlucht genomen en daarmee heeft ook de relatie tussen bank en klant aan betekenis gewonnen.6 Toch zou ik voor wat betreft de giro-overeenkomst aan het 'relationele' element geen bijzonder rechtsgevolg willen verbinden. In de eerste plaats zijn bij betaaldiensten de rechten en plichten van partijen vastomlijnd en, voor wat betreft het saldo, tot op de cent nauwkeurig bepaald. Ik zie niet in waarom dezelfde contractuele bepalingen in een reeds lang bestaande giro-overeenkomst een ander effect sorteren dan in een rechtsverhouding met een rekeninghouder die pas sinds kort betaaldiensten afneemt.7 Bovendien geldt hier de wet van de grote getallen: het aantal girale betalingen is zo groot dat er op transactieniveau nauwelijks invulling valt te geven aan zorgplichten.8
Naar mijn mening is het wezenskenmerk van de giro-overeenkomst gelegen in een drietal verplichtingen van de bank: het bijschrijven van girale tegoeden die geadresseerd zijn aan de rekeninghouder, het in opdracht van de rekeninghouder verrichten van afschrijvingen en, tijdens de periode gelegen tussen deze bij- en afschrijving, het bewaren van giraal geld ten behoeve van de rekeninghouder. Bij het vervullen van deze verplichtingen treedt de bank op als dienstverlener ten behoeve van de rekeninghouder. Door het verrichten van afschrijvingen in opdracht van de rekeninghouder of het doen van bijschrijvingen, faciliteert de bank als intermediair het betalingsverkeer tussen rekeninghouders. De vermogensverschuiving die langs girale weg en door de betrokkenheid van de bank als dienstverlener wordt bewerkstelligd, vindt direct tussen het vermogen van de rekeninghouders plaats.9