De stewardship code voor institutionele beleggers en de politieke economie van corporate governance hervorming (IVOR nr. 128) 2022/10
10 Naar een Nederlandse stewardship code
mr. dr. J.J. Kloosterman, datum 13-06-2022
- Datum
13-06-2022
- Auteur
mr. dr. J.J. Kloosterman
- JCDI
JCDI:ADS658966:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Commissie Corporate Governance, Aanbevelingen inzake Corporate Governance in Nederland, 25 juni 1997, p. 13 over de internationale corporate governance ontwikkelingen en internationalisering van de Nederlandse economie die de aanleiding vormde voor het instellen van de commissie Peters en de opvatting dat Nederland zich niet kon onttrekken aan internationale ontwikkelingen.
Zie bijv. B.R. Cheffins, supra noot 7, met de beschrijving van de aanbevelingen van de Commissie Peters als “the Dutch answer to the Cadbury Report”.
Zie bijv. Brief ministers met kabinetsreactie op code en zijn aanbevelingen aan de wetgever - Nederlandse corporate governance code (Tabaksblat code), 1 maart 2004 met de observatie dat door de onregelmatigheden bij Koninklijke Ahold bij beleggers en het grote publiek twijfel was gerezen over de integriteit en het normbesef van bestuurders en commissarissen van Nederlandse beursvennootschappen.
Zie bijv. Ahold – Europe’s Enron, 27 februari 2003, Economist en K.L. Miller, ‘The Enron of Europe?’, Newsweek, 9 maart 2003 over de fraude bij Koninklijke Ahold en vergelijkingen met Enron in de Verenigde Staten.
Zie bijv. A. De Jong, P. Roosenboom, D.V. De Jong, G. Mertens, ‘Royal Ahold: a failure of corporate governance’ (2005) met aan de hand van de corporate governance richtlijnen van de OESO een gedetailleerde analyse van de governance van Koninklijke Ahold en de manier waarop de bestuursvoorzitter de werking van de verschillende toezichtsmechanismen had geneutraliseerd.
Zie bijv. A. Boot, ‘Koninklijke Ahold: les voor corporate governance’, het Financieele Dagblad, 11 maart 2003 over de politica in de raad van commissarissen die zich na de boekfraude tegen kritiek op haar beperkte kennis van de onderneming verdedigde met het argument dat zij geen zakenvrouw was.
Zie bijv. Brief ministers met kabinetsreactie op code en zijn aanbevelingen aan de wetgever - Nederlandse corporate governance code (Tabaksblat code), 1 maart 2004 over de Commissie en de context waarin zij haar code opstelde.
Zie bijv. Commissarissen weg bij Ahold, NRC, 16 februari 2004 over de governance wijzigingen bij Koninklijke Ahold naar aanleiding van de Code Tabaksblat inclusief het voortijdige afscheid van twee commissarissen die niet als onafhankelijk kwalificeerden omdat zij eerder als directeur van buitenlandse dochtermaatschappijen hadden gefungeerd.
Zie bijv. Monitoring Commissie Corporate Governance Code, vierde rapport over de naleving van de Nederlandse corporate governance code, december 2008 over het jaar 2007 waarin het nalevingspercentage gemiddeld 95% was met onverkorte toepassing van de code van 89% van de bepalingen en 6% uitleg van afwijkingen waarmee de Monitoring Commissie concludeerde dat de Code zich had bewezen als waardevol zelfreguleringsinstrument. De Monitoring Commissie deed geen systematisch onderzoek naar het effect op managerial shirking & stealing.
Zie voor scepsis bijv. P. van Schilfgaarde, ‘Structuurregime weg na Tabaksblat’, het Financieele Dagblad, 14 augustus 2003 met de opvatting dat de Code aan de opstelling van bestuurders en commissarissen niet veel zou veranderen, andere ingrijpendere hervormingen aangewezen waren en het belangrijkste argument om invoering van de Code desondanks te steunen erin lag dat daarmee internationale ontwikkelingen op de voet werden gevolgd. Rechters gebruikten de best practices ook om handelen van bestuurders en commissarissen van beursvennootschappen te beoordelen. Zie bijv. HR 13 juli 2007, NJ 2007/434 m.nt. Maeijer, (ABN AMRO) r.o. 4.4 en HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. Van Schilfgaarde (ASMI) r.o. 4.4.2 voor de invloed van de code. De Hoge Raad vond dat best practices als een “uiting van de in Nederland heersende rechtsopvatting” moesten worden gezien. De Code gaf volgens de Hoge Raad inhoud aan de eisen van redelijkheid en billijkheid alsmede aan de norm van behoorlijk bestuur.
Instelling Monitoring Commissie Corporate Governance Code 6 december 2004, Staatscourant 14 december 2004, nr. 241.
Monitoring Commissie Corporate Governance Code, Corporate Governance in Beweging, augustus 2013, p. 6.
Monitoring Commissie Corporate Governance Code, Eerste rapport over de naleving van de Nederlandse corporate governance code, december 2009, p. 69.
Toespraak van Wouter Bos tijdens International Corporate Governance Network Conference in Amsterdam op 2-3 maart 2009 zoals vermeld in Global Proxy Watch 18 (10), 6 maart 2009. Zie met vergelijkbare kritiek op de passieve opstelling van pensioenfondsen eerder de toespraak van Minister van Financiën Gerrit Zalm, ‘Institutionele beleggers en corporate governance: belegger of aandeelhouder?’ tijdens symposium van Stichting Corporate Governance Onderzoek voor Pensioenfondsen op 9 januari 2002.
Parlementaire Enquêtecommissie Financieel Stelsel, Eindrapport ‘Verloren Krediet’, 10 mei 2010, p. 98 e.v. met een beschrijving van de rol van de institutionele beleggers.
Zie bijv. C.J. Groffen, ‘Verantwoording uitoefening stemrecht door institutionele beleggers’, V&O, 2006, nr 12, p. 234 e.v. met een beschrijving van de wettelijke verankering van de best practices in de Wet op het financieel toezicht.
Monitoring Commissie Corporate Governance Code, rapport over de naleving van de Nederlandse corporate governance code, december 2005.
Monitoring Commissie Corporate Governance Code, rapport over de naleving van de Nederlandse corporate governance code, december 2010, p. 58 e.v.
Monitoring Commissie Corporate Governance Code, supra noot 92, p. 46.
Zie bijv. Parlementaire Enquêtecommissie, supra noot 703, p. 72 over de zorgen over de Angelsaksische invloed op het Nederlande corporate governance bestel in de periode van vijftien jaar voor de financiële crisis. Zie bijv. EY, Q&A on stewardship codes, augustus 2017 met een overzicht van de internationale verspreiding van de code.
Vgl. bijv. H. Hansmann, R. Kraakman, ‘The end of history for corporate law’, Geo. LJ 2000, Vol. 89, p. 439 met een beschrijving van verschillende corporate governance modellen wereldwijd en het Nederlandse model met verwijzing naar het structuurregime aanhalen als manager-oriented en afzetten tegen shareholder, labor, state of stakeholder-oriented modellen.
Zie The UK Corporate Governance Code, juli 2018, provision 17 (“All directors should be subject to annual re-election”) en de Nederlandse Corporate Governance Code, december 2016, best practice bepaling 2.2.1 (“Een bestuurder wordt benoemd voor een periode van maximaal vier jaar”).
Zie voor het Verenigd Koninkrijk rule 21.2, Takeover Code, The Panel on Takeovers and Mergers (“During the course of an offer […] the board must not, without the approval of the shareholders in general meeting, take any action which may result in any offer or bona fide possible offer being frustrated [..]”) en voor Nederland HR 18 april 2003, NJ 2003/286, m.nt. Maeijer (RNA/Westfield), r.o. 3.7 (“of een dergelijke [beschermings]maatregel gerechtvaardigd is, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval”).
Zie bijv. J.H.M. Willems, ‘Aandeelhoudersactivisme in Nederland: Troje Revisited’, in M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten & D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2009-2010 (Van der Heijden-reeks nr. 104), Deventer: Kluwer 2010, p. 170-174 met de observatie op basis van een analyse van rechtszaken waarin de aandeelhouders van beursvennootschappen probeerden bevoegdheden die hen op basis van de wet of het vigerende stakeholders model toekwamen uit te oefenen aandeelhouders uiteindelijk steeds aan het kortste eind trokken en juist niet de hen in dat model toegedachte en toegekende rechten konden of mochten uitoefenen.
Vgl. Corporate Governance Commissie, supra noot 689, p. 5 die in reactie op kritiek dat de Commissie Peters het onderwerp niet meer in internationaal perspectief had geplaatst opmerkte dat men vanwege de onderlinge verschillen tussen landen niet zonder meer onderdelen van regels uit het buitenland in Nederland kan overnemen.
Vgl. Organisation for Economic Co-operation Development, ‘Better Regulation in the Netherlands’, in: Better Regulaton in Europe: An Assessment of Regulatory Capacity in 15 Member States of the European Union, 2009 met de observatie dat de beleidsfilosofie in Nederland traditioneel gericht is op het bereiken van consensus tussen belangengroepen (corporatisme) en een robust raamwerk voor het evidence-based genereren van nieuwe regulering ontbreekt en ex ante impact assessments zwak ontwikkeld zijn. De samenstelling van de Monitoring Commissie met vertegenwoordigers van belangengroepen suggereert dat deze corporatistische op consensus tussen belangengroepen in plaats van het algemene belang gerichte filosofie ook het corporate governance debat in de Monitoring Commissie beïnvloedt.
Vgl. J.R. Macey, supra noot 229, met de opvatting dat men bij beleidsanalyses rond de governance rol van institutionele beleggers niet alleen naar de supply side (zou meer toezicht door institutionele beleggers helpen?) moet kijken, maar ook naar de demand side (bestaat er een probleem dat moet worden opgelost?).
Vgl. A.W.A. Boot, R. Soeting, ‘De Onderneming in een spagaat’, MAB, 178, 2004 met de observatie dat men ongeacht de juistheid van de theoretische aannames die aan agency theorie ten grondslag liggen moet concluderen dat de oorzaken van de schandalen bij beursvennootschappen rond de eeuwwisseling zoals bij Koninklijke Ahold lijken te liggen in self-serving gedrag van management en aansluiten op de veronderstellingen en conclusies van de agency benadering. Zie voor kritische kanttekeningen bij de veronderstellingen die aan agency theory ten grondslag liggen in de juridische literatuur bijv. J.M. De Jongh, supra noot 47, p. 384 e.v.
Zie bijv. J. Piersma, ‘Grootste boekhoudfraude uit Nederlandse historie’, het Financieele Dagblad, 5 mei 2012, p. 19 met deze kwalificatie van het boekhoudschandaal bij Koninklijke Ahold.
Zie bijv. B. Mann, Don’t Trust the Dutch, 12 november 2004 met naar aanleiding van schandalen bij Koninklijke Ahold, Koninklijke Olie alsmede KPN’s dochter KPNQwest de observatie dat het predicaat “koninklijke” bij Nederlandse beursvennootschappen die in een beursnotering in de Verenigde Staten hadden de kiss of death voor aandeelhouderswaarde leek te zijn. Zie ook bijv. P.P. Koning, ‘De Rol van Pensioenfondsen’, in: J.F.M. Peters e.a. (red.) Corporate Governance in Nederland, De stand van zaken, Een uitgave onder auspiciën van de Nederlandse Corporate Governance Stichting: Amsterdam, p. 64 met de observatie dat Nederland ook voor deze schandalen al een negatief corporate governance imago had.
Zie bijv. A. Edgecliffe-Johnson, ‘Shareholders force VNU and IMS to abandon merger plan’, Financial Times, 26 oktober 2005 over de bezwaren van aandeelhouders tegen de plannen van de ondernemingsleiding van VNU om het beschikbare kasgeld aan een grote overname in de Verenigde Staten te besteden waardoor VNU zou verdubbelen in omvang.
Zie bijv. S. Butler, L. Chong, ‘Ahold in refusal to meet investors’, Sunday Times, 23 augustus 2006 over de kritiek van aandeelhouders dat de nieuwe ondernemingsleiding van Koninklijke Ahold niet ver genoeg ging om de mislukte internationale overnamestrategie van het strafrechtelijk veroordeelde management ongedaan te maken en de Amerikaanse activiteiten waar met inkoopkortingen was gefraudeerd behield.
Zie bijv. N. Mika, L. Heavens, ‘Hedge fund TCI seeks ABN AMRO break-up’, Bloomberg, 21 februari 2007 over de wens van aandeelhouders dat de ondernemingsleiding van ABN AMRO de onderneming in zijn geheel of in onderdelen te koop zette omdat de concurrentiepositie met de gevolgde strategie structureel verslechterde. Zie ook Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42, m.nt. Blanco Fernández (Stork) over de poging van aandeelhouders om met de nieuwe zeggenschapsrechten van de algemene vergadering van structuurvennootschappen de ondernemingsleiding van het industriële conglomeraat Stork ertoe te dwingen om strategische focus aan te brengen en twee van de drie onderdelen waaruit het conglomeraat bestond te verkopen.
Vgl. M. Pargendler, ‘The Corporate Governance Obsession’, 2016, Vol. 42, p. 359 die aan de hand van een analyse van de opkomst van corporate governance sinds de jaren zeventig de populariteit van corporate governance hervormingen als oplossing voor uiteenlopende economische problemen verklaart met de observatie dat sinds dereguleringsfilosofie vanaf de jaren zeventig overheidsbeleid in veel landen domineert corporate governance hervorming na gebleken problemen vaak een politiek aanvaardbaar compromis is tussen voor-, en tegenstanders van meer overheidsregulering.
Zie bijv. J.W. Winter, supra noot 111, met de opvatting dat institutionele beleggers grote aandelenposities in beursvennootschappen zouden moeten nemen om met hun lange termijn beleggingsperspectief toezicht te houden op de ondernemingsleiding.
Zie voor een publicatie in Nederland met pessimisme over toezicht door institutionele beleggers bijv. ook W.W. Bratton, J.A. McCahery, ‘Institutional Investors and corporate governance’, in: E. Gepken-Jager, G. Van Solinge & L. Timmerman (eds.), VOC 1602 - 2002: 400 years of Company Law, p. 441, Deventer: Kluwer 2005 met “There is an absence of evidence that such activism has any positive effect on corporate performance”.
Zie bijv. A. Brav, W. Jiang, H. Kim, Hedge fund activism: A review, Now Publishers Inc, 2010 met op basis van een literatuuronderzoek de conclusie dat de literatuur suggereert dat hedge fund interventies in de Verenigde Staten, Europa en Japan een positief effect hebben op aandeelhouderswaarde van de doelwitondernemingen door onder meer beslissingen rond governance en kapitaalstructuur alsmede operationele prestaties te beïnvloeden.
Zie bijv. A. Brav, W. Jiang, H. Kim, ‘The real effects of hedge fund activism: Productivity, asset allocation, and labor outcomes’, Review of Financial Studies 2015, Vol. 28.10, p. 2723-2769 die vinden dat bedrijfsonderdelen die na een aandeelhoudersinterventie worden verkocht onder de nieuwe aandeelhouder productiever zijn en A. Brav, W. Jiang, S. Ma, X. Tian, ’How does hedge fund activism reshape corporate innovation?’, Journal of Financial Economics 2018, Vol. 130.2, p. 237-264 die vinden dat in de periode van vijf jaar na een aandeelhoudersinterventie beursvennootschappen weliswaar minder in R&D investeren, maar gemeten naar onder meer het aantal geregistreerde patenten hun R&D output vergroten.
Zie bijv. L.A. Bebchuk, A. Brav, W. Jiang, ‘The Long-Term Effects of Hedge Fund Activism’, Columbia Law Review 2014, Vol. 114, p. 13-66 die vinden dat na vijf jaar de positieve effecten van activisme voortduren, ook bij ondernemingen die onder druk van aandeelhouders meer dividend uitkeerden, en geen aanwijzigingen voor nadelige effecten van vermeende pump and dump of take the money and run strategieën vinden.
Vgl. bijv. ook S.N. Kaplan, ‘Corporate governance and corporate performance: A comparison of Germany, Japan, and the US’, Journal of Applied Corporate Finance 1997, Vol. 9.4, p. 86-93 die geen aanwijzingen vond dat Duitse en Japanse ondernemingen met hun relational investors slecht management sneller en beter corrigeerden of een langere termijn focus hadden dan Amerikaanse ondernemingen zonder relational investors, maar wel vond dat de Duitse en Japanse systemen minder goed overinvesting door bestuurders wisten te voorkomen, mede doordat verschillende juridische barrieres free cash flow aan aandeelhouders uitkeren bemoeilijkten.
Zie bijv. J.M. de Jongh, supra noot 47, p. XXX met een citaat uit 1880 over huisvaders die over bestuurders klagen als zij geld verliezen op aandelenbeleggingen “terwijl zijne belangstelling, zijne poging om invloed op het beheer uit te oefenen, om met den waren stand der zaken bekend te worden zich niet verder uitstrekte dan tot het lezen van het koerslijstje in de oprechte Haarlemmer”.
Zie ook illustratief G.J. Stigler, C. Friedland, ‘The literature of economics: The case of Berle and Means’, The Journal of Law and Economics 1983, Vol. 26.2, p. 237-268 die onderzochten of beursvennootschappen met verspreid aandelenbezit zoals Berle en Means stelden historisch gezien door gebrekkig intern toezicht slechter presteerden dan beursvennootschappen met een controlerende aandeelhouder en op basis van hun empirische onderzoek geen aanwijzingen vonden voor de zorg dat de separation of ownership and control ten tijde van Berle en Means bijzondere problemen opleverde.
Zie eerder verkennend onderzoek op basis van enquêtes en interviews met institutionele beleggers bijv. Erasmus University Rotterdam, ‘Large Shareholders in Corporate Governance’, Research for the Monitoring Committee Corporate Governance on the role of large shareholders in corporate governance in the Netherlands commissioned by the Ministry of Economic Affairs, 5 oktober 2017.
Zie bijv. A.F. Verdam, ‘Stemmen van institutionele beleggers en tegenstrijdig belang’ (2003) over deze problematiek in de Nederlandse context met een analyse van de invloed van tegenstrijdige belangen bij institutionele beleggers op de uitoefening van stemrechten.
Vgl. A. De Jong, G.M.H. Mertens, P.G.J. Roosenboom, ’Hoe actief zijn aandeelhouders in Nederland?’, Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie 2005, Vol. 79, p. 87 die onderzochten of er een verband bestond tussen het aandelenbelang van verzekeraars in Nederlandse beursvennootschappen en de kans op tegenstemmen in de aandeelhoudersvergadering en vonden dat bij beursvennootschappen waarvan een groot deel van de aandelen bij verzekeraars zitten de kans op tegenstemmen kleiner was.
Zie ook in deze richting de ICGNs Global Stewardship Principles 2016 die als principe 1 richtlijnen voor de interne governance van institutionele beleggers bevatten en interne governance als fundament voor effectieve stewardship aanmerken.
Zie bijv. J.C. Coffee, supra noot 280, p. 1283 die de academische analyse van wettelijke regels als een van de oorzaken van de passieve opstelling van institutionele beleggers als volgt samenvat: “the academic view of financial institutions as Prometheus chained to the rock by outmoded regulations that serve only to entrench and insulate incumbent managements”.
Ibid.
Zie bijv. Law Commission, Fiduciary Duties of Investment Fiduciaries, 2014 die op verzoek van de regering onderzocht of regels rond hun fiduciaire verplichtingen het pensioenfondsen moeilijk maakten om stewardship activiteiten te ontplooien en hervormingen voorstelde.
Zie bijv. A.W.A. Boot, ‘Onderneming en governance’, MAB 91/2017: 154 met de suggestie om regels die pensioenfondsen zouden aanzetten om een korte termijn beleggingsperspectief te nemen te hervormen en J.W. Winter, supra noot 111, die de fiduciaire verplichtingen van vermogensbeheerders en kapitaal-, en accountingregels als mogelijk te hervormen barrières voor betrokkenheid van institutionele beleggers noemt. Zie ook supra noot 627 met dergelijke argumentatie van institutionele beleggers in het debat rond de Stewardship Code.
Zie bijv. in Erasmus University Rotterdam, supra noot 731, p. 37 een belegger over de vermeende erosie van de zeggenschapsrechten bij Nederlandse beursvennootschappen “Effectively, we cannot do our job if we don’t have the tools to hold companies accountable”. Zie ook J.W. Winter, supra noot 111 met de gedachte dat de acting in concert regels in de Transparantierichtlijn en de Overnamerichtlijn hindernissen voor de samenwerking tussen institutionele beleggers op het gebied van stewardship opwerpen.
Zie bijv. FSA, brief aan ISC, 20 augustus 2009 met begeleidend persbericht. De FSA verduidelijkte in vervolg op zorgen van institutionele beleggers via deze safe harbour letter dat aandeelhouders niet hoefden te vrezen dat zij door gezamenlijke ad hoc stewardship activiteiten geacht zouden worden samen te werken in de zin van de verplicht bod regeling, de regeling die voorschrijft dat aandeelhouders die samenwerken hun gezamelijke aandelenpositie moeten melden als zij bepaalde eigendomsgrenzen overschrijden en de regeling die bepaalt dat aandeelhouders die gezamenlijk een kwalificerend belang in financiële instelling hebben voor samenwerking eerst goedkeuring van de FSA moeten vragen.
Zie bijv. G. Strampelli, ‘Are Passive Index Funds Active Owners: Corporate Governance Consequences of Passive Investing’, San Diego L. Rev. 2018, Vol. 55, p. 803 met de opvatting dat de opkomst van index trackers consumenten veel kosten- en diversificatievoordelen heeft opgeleverd.
Vgl. B. Kemp, Aandeelhoudersverantwoordelijkheid: de positieve rol van de aandeelhouder en aandeelhoudersvergadering, Deventer: Kluwer 2015, p. 380 met de observatie dat er op dit moment vanuit het oogpunt van Boek 2 BW thans geen grondslag bestaat voor het idee dat van institutionele beleggers meer verantwoordelijk gedrag dan van andere aandeelhouders mag worden geëist.
Zie bijv. C.A. Wells, ‘Cycles of corporate social responsibility: An historical retrospective for the twenty-first century’, U. KaN. l. rev. 2002, Vol. 51, p. 77 over deze cycli met op basis van een historische analyse de observatie dat na crises het idee dat beursvennootschapppen een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben vaak hernieuwde interesse en steun krijgt.
Zie bijv. B.F. Assink, L. Timmerman, ‘Langetermijnbetrokkenheid van Aandeelhouders’, Ondernemingsrecht, 2019/16 die rond de herziene Aandeelhoudersrechtenrichtlijn als onderdeel van corporate governance denken van na de financiële crisis belangenverbreding zien waarbij niet alleen de klassieke belangen van aandeelhouders, werknemers en schuldeisers als betrokkenen bij vennootschap en onderneming een rol spelen, maar ook andere externe aspecten zoals maatschappelijke en ecologische effecten van ondernemingsbeleid, de observatie dat deze belangenverbreding in Nederland in vruchtbare bodem valt en voorstellen om belangenverbreding verder te faciliteren.
Zie bijv. J. Williamson, supra noot 49 en I.H-Y. Chiu, supra noot 50 voor dit perspectief.
Zie in deze richting ook de UK Stewardship Code 2020 waarin termen als ‘stakeholders’, ‘climate change’ en ‘ESG’ een plaats hebben gekregen.
Zie P. Brest, R.J. Gilson & M.A. Wolfson, ‘How Investors Can (and Can’t) Create Social Value’ (2018) met een taxonomie van verschillende typen maatschappelijk verantwoorde beleggingen en de opvatting dat de literatuur over het type beleggingen dat zich (mede) op maatschappelijk rendement richt vaak onvoldoende specifiek aangeeft welk maatschappelijk rendement wordt nagestreefd om het succes van dergelijke beleggingen te kunnen evalueren.
Zie D.A.M. Melis & R. Pruijm, ‘De Ideale Aandeelhouder’, in: M. Lückerath-Rovers e.a. (eds.), Jaarboek Corporate Governance 2011-2012, Deventer: Kluwer 2011, over de vraag hoe de ideale aandeelhouder zich zou opstellen.
Zie supra noot 376 en begeleidende tekst.
J. Kingman, supra noot 377.
Zie C. Lu, J. Christensen, J. Hollindale, J. Routledge, ‘The UK Stewardship Code and investee earnings quality’, Accounting Research Journal 2018, Vol. 31.3, p. 388-404 voor onderzoek naar het effect van de Stewardship Code. Zij vinden geen verband tussen de toepassing van de Stewardship Code door aandeelhouders en earnings management van 100 Britse beursvennootschappen over het jaar 2013.
Zie bijv. D.A.M. Melis, “The Institutional Investor Stewardship Myth: A theoretical, legal and empirical analysis of prescribed institutional investor stewardship in a Dutch context” (2014) met op basis van onderzoek van 20 Nederlandse beursvennootschappen en ruim 40 institutionele beleggers pessimisme over het effect van de best practices voor institutionele beleggers in de Nederlandse corporate governance code.
Zie bijv. ook H.M. Vletter-van Dort, ‘De aandeelhouder als hoeksteen van de beursvennootschap?’, Ondernemingsrecht 2018/45 die vanwege haar scepsis over de impact van beleid om van institutionele beleggers betrokken aandeelhouders te maken suggereert om bij behoefte aan meer controle op beursvennootschappen in te zetten op de raad van commissarissen en externe toezichthouders.
Zie in de Nederlandse context bijv. J.M. de Jongh, supra noot 47, p. 460 met de suggestie om meer eisen te stellen aan de uitleg van afwijkingen van de stewardship code door institutionele beleggers.
Vgl. J. Mukwiri, M. Siems, ‘The financial crisis: a reason to improve shareholder protection in the EU?’, Journal of Law and Society 2014, Vol. 41.1, p. 51-72 met de aanbeveling om af te wachten of onderzoek empirische steun voor de opvatting dat de Stewardship Code positieve effecten heeft oplevert alvorens buiten het Verenigd Koninkrijk vergelijkbare initiatieven te ontplooien.
Vgl. Abma 2018/107, p. 629 e.v. die de wetgever in het kader van de implementatie van de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn vraagt om de verhouding tussen verschillende regels voor institutionele beleggers te verduidelijken. Zie ook M.A.J. Cremers, S. Rietveld, “Aandeelhoudersbetrokkenheid van institutionele beleggers bij Nederlandse beursvennootschappen en de Nederlandse Stewardship Code” TOP 2019/209 (afl. 4, p. 36-47) die in kaart brengen hoe Eumedions stewardship code past in het bestaande systeem van regels voor verschillende typen institutionele beleggers rond aandeelhoudersbetrokkenheid.
Vgl hierover G.T.M.J. Raaijmakers, ‘De Aandeelhoudersrichtlijn in de rebound’, Ondernemingsrecht 2017/114 met scepsis over de impact van deze nieuwe poging om institutionele beleggers te activeren en een pleidooi om bij de implementatie van gold plating af te zien.
Parlementaire Enquêtecommissie Financieel Stelsel, supra noot 703, p. 13 e.v.
Zie bijv. Adviescommissie Banken, Naar Herstel van Vertrouwen, 7 april 2009 met in het rapport dat na de crisis in opdracht van de belangenorganisatie van de banken werd opgesteld de aanbeveling dat beursgenoteerde banken streven naar een stabiele aandeelhoudersgroep die zich voor de lange termijn aan de bank verbinden omdat de eenzijdige oriëntatie, soms op de korte termijn, van aandeelhouders ten koste ging van de andere belangen die bij een bank een rol spelen (p. 25 e.v.).
Zie bijv. Monitoring Commissie Corporate Governance, Slotdocument 2018, december 2017, p. 7 met de stelling dat er sprake zou zijn van onvrede en ongemak waar het gaat om aandeelhouders en hun korte termijn focus, dat de schoen zou wringen en de urgentie van het probleem groot zou zijn.
Zie bijv. P. Couwenbergh, A. Weissink, ‘Pensioenfondsen moeten bv Nederland beschermen’, het Financieele Dagblad, 1 juni 2017 over een parlementaire hoorzitting waarin prominente commissarissen en voormalige bestuurders van beursvennootschappen betoogden dat Nederlandse pensioenfondsen Nederlandse beursvennootschappen moesten beschermen tegen (buitenlandse) overnames en activistische aandeelhouders en de suggestie dat de wetgever dergelijke bescherming met fiscale faciliteiten zou moeten ondersteunen.
Vgl. J.M. de Jongh, supra noot 47, p. 461 die als voordeel van een stewardship code ziet dat daarmee regels voor de wijze waarop aandeelhouders hun aandeelhoudersrechten uitoefenen verder kunnen worden ontwikkeld en codes als katalysator kunnen fungeren voor discussie over naleving en verdere normontwikkeling. Zie supra noot 630 – 631 en begeleidende tekst voor een vergelijkbare redenering van het Institute of Directors tijdens het Walker Review.
Inspiratie zou ontleend kunnen worden aan de beleidsdiscussie in de Verenigde Staten tijdens de overnamegolf in de jaren tachtig. Politici lieten een rapport over publieke pensioenfondsen schrijven dat adviseerde om publieke pensioenfondsen als aandeelhouder te verplichten om actief deel te nemen in de corporate governance van beursvennootschappen en “to be supportive of management when it has a viable long-term strategy for growth”. Zie daarover R. Romano, supra noot 232, p. 814 e.v.
Vgl. Duynstee & Drenth 2020 met de opvatting dat er door de wijze waarop rechters de uitspraak van de Hoge Raad dat de strategie van de onderneming niet tot het domein van de aandeelhouders van beursvennootschappen behoort toepassen aandeelhouders effectief hun zeggenschapsrechten niet meer kunnen uitoefenen.
Corporate governance hervorming kwam in Nederland net als in het Verenigd Koninkrijk in de jaren negentig op de agenda. Nadat Sir Adrian Cadbury met zijn commissie de best practices code voor Britse beursvennootschappen had opgesteld, werd in Nederland ook een corporate governance commissie benoemd. De Commissie Peters onderzocht tegen de achtergrond van internationale corporate governance ontwikkelingen of het evenwicht tussen bestuur, toezicht en aandeelhouders binnen Nederlandse beursvennootschappen nog wel houdbaar was.1 De bestuurders hadden bij Nederlandse beursvennootschappen door statutaire en wettelijke regelingen zoals certificering, prioriteitsaandelen en het structuurregime in vergelijking met hun collega’s in andere governance systemen traditioneel een sterke positie. Het onderzoek van de Commissie Peters resulteerde in een rapport met veertig aanbevelingen. Naar Brits voorbeeld wilde de Commissie via best practices het interne toezicht verbeteren.2 De transparantie over het gevoerde ondernemingsbeleid moest worden vergroot en het afleggen van verantwoording moest beter zodat tekortschietend ondernemingsbeleid sneller kon worden gecorrigeerd. Nederland mocht internationaal niet achterblijven, vond de Commissie. Kort na de eeuwwisseling kwam corporate governance hervorming in Nederland opnieuw in de belangstelling te staan. De aanbevelingen van Peters hadden weinig effect gehad bleek uit evaluaties, terwijl de boekhoudfraude die Koninklijke Ahold in 2003 aan de rand van een faillissement had gebracht het vertrouwen in de integriteit van Nederlandse ondernemingen ernstig beschadigde en ook buiten de kring van direct betrokkenen vragen over de kwaliteit van het interne toezicht bij Nederlandse beursvennootschappen opriep.3 Net als bij beursvennootschappen in het buitenland bleek dat er op grote schaal was gefraudeerd zonder dat iemand had ingegrepen. Aanvankelijk was Koninklijke Ahold een succesverhaal geweest. Nadat de familie Heijn in 1989 afscheid had genomen van operationele betrokkenheid, had het nieuwe management voor een groeistrategie gekozen. Naar het voorbeeld van Walmart en Carrefour wilde de supermarktketen internationaal uitbreiden. Het management stelde ambitieuze groeidoelstellingen en deed wereldwijd overnames. Op haar hoogtepunt had Koninklijke Ahold bijna vijfduizend winkels in 30 landen, 250,000 werknemers en een beurswaarde van ruim EUR 30 miljard. Van een nationale kruidenier was zij een van de grootste supermarktconcerns ter wereld geworden. In februari 2003 bleek na enkele winstwaarschuwingen dat Koninklijke Ahold haar omzet en winst kunstmatig had opgeblazen. Terwijl de economische groei rond de eeuwwisseling wereldwijd stagneerde, kwamen grote problemen aan het licht. Koninklijke Ahold had voor honderden miljoenen aan inkoopkortingen geboekt die zij in werkelijkheid niet had gekregen, terwijl de resultaten van buitenlandse deelnemingen waarover ze door voor haar accountant geheimgehouden side letters geen zeggenschap had volledig werden geconsolideerd. De aandelenkoers stortte in en de bestuursvoorzitter die bijna tien jaar lang met aandelen en opties had gecasht moest aftreden en werd strafrechtelijk veroordeeld voor fraude.4 Faillissement kon met de hulp van een consortium van Nederlandse banken worden voorkomen, maar Koninklijke Ahold moest met nieuw management haar groeistrategie herzien en onder druk van de banken haar internationale activiteiten grotendeels afstoten.
Onderzoek naar de toedracht van de problemen suggereerde dat het interne toezicht bij Koninklijke Ahold had gefaald.5 De bestuursvoorzitter was door de sterke groei sinds zijn benoeming in 1993 vijf keer tot manager van het jaar uitgeroepen. Gelauwerd door de buitenwereld had hij zijn positie binnen de onderneming geleidelijk versterkt. Tijdens de transitie van een door de familie Heijn gecontroleerde onderneming naar een beursvennootschap met verspreid aandeelhoudersbezit slaagde hij er eerst in om de samenstelling van de raad van bestuur en de raad van commissarissen naar zijn hand te zetten. Hij zorgde ervoor dat ondergeschikten en managers van de ondernemingen die hij in het buitenland had overgenomen in de raad van bestuur werden benoemd. Zij boden weinig weerwoord want zij dankten hun benoeming aan hem. De raad van commissarissen die een centrale toezichtsrol had moeten spelen omdat het structuurregime lang werd toegepast, bestond uit leden die zakelijk of persoonlijk van de bestuursvoorzitter afhankelijk waren. Zij waren verbonden aan leveranciers of kwamen van ondernemingen die waren overgenomen. Andere commissarissen hadden vanwege het grote aantal nevenfuncties weinig tijd om toezicht te houden. De voorzitter van de raad van commissarissen had meer dan vijftien nevenfuncties. En sommige commissarissen misten de expertise om kritische vragen te stellen.6 De invloed van de aandeelhouders wist de bestuursvoorzitter ook te beperken. Toen de familie Heijn haar laatste blok aandelen wilde verkopen zorgde de bestuursvoorzitter ervoor dat het in kleine pakketjes werd verkocht aan gediversifieerde institutionele beleggers in plaats van aan de belegger die de familie Heijn bereid had gevonden om als nieuwe grootaandeelhouder toe te treden. Om de zeggenschap van de aandeelhouders verder terug te dringen liet de bestuursvoorzitter gecertificeerde financieringspreferente aandelen bij institutionele beleggers plaatsen. Het disproportioneel hoge aantal stemrechten dat aan deze preferente aandelen was toegekend bracht hij onder bij een stichting administratiekantoor met een bestuur waarvan hij de samenstelling zelf informeel bepaalde. Vanwege het absenteïsme van de andere aandeelhouders gaf de stem van het bestuur van deze stichting de doorslag in de algemene vergadering. Na het afscheid van de familie Heijn kon de bestuursvoorzitter jarenlang als een van de bestbetaalde bestuurders van Nederland zonder veel intern toezicht Koninklijke Ahold naar eigen inzicht bestieren.
Kort nadat de fraude bij Koninklijke Ahold naar buiten kwam, kreeg de Commissie Tabaksblat de opdracht om te adviseren over versterking van het Nederlandse corporate governance systeem. De regering verzocht de Commissie om onder leiding van de oud-bestuursvoorzitter van het Brits-Nederlandse Unilever naar Brits voorbeeld een corporate governance code op te stellen.7 Om de kwaliteit van het toezicht te verbeteren formuleerde de Commissie geïnspireerd op de Britse code verschillende gedetailleerde best practices. Zo moesten alle commissarissen de deskundigheid hebben om toezicht te kunnen houden. Cumulatie van nevenfuncties werd aan banden gelegd. Commissarissen mochten maximaal vier andere commissariaten hebben. De Code stelde ook onafhankelijkheidscriteria op. Op een na moesten alle commissarissen onafhankelijk zijn. Commissarissen die recentelijk bestuurder of werknemer van de groep waren geweest, een belangrijke zakelijke relatie met de onderneming hadden gehad of bij een bank werkten waarmee de onderneming een duurzame en langdurige relatie onderhield werden niet als onafhankelijk gezien. De raad moest volgens de Code voorts een auditcommissie, een remuneratiecommissie en een selectie- en benoemingscommissie met onafhankelijke commissarissen instellen. Via de auditcommissie konden de commissarissen meer toezicht houden op de interne risicobeheersings- en controlesystemen van de onderneming en de relatie met de externe accountant. De Code bevatte ook best practices voor de algemene vergadering van aandeelhouders. Aandeelhouders moesten net als in het Verenigd Koninkrijk een grotere governance rol krijgen. De aandeelhoudersvergadering moest weer een forum worden waar de ondernemingsleiding verantwoording aflegde. Financieringspreferente aandelen mochten volgens de Code geen disproportionele zeggenschapsrechten meer hebben. En certificering zou niet meer gebruikt mogen worden om aandeelhouders in reguliere vergaderingen zeggenschap te ontnemen. Tegelijkertijd werden institutionele beleggers aangemoedigd om hun stemrechten te gebruiken en de dialoog met het bestuur aan te gaan. Zij moesten volgens Tabaksblat hun aandeelhoudersrechten veel meer gebruiken om bestuurders van beursvennootschappen te corrigeren. De aanbevelingen van Peters hadden volledig op zelfregulering vertrouwd, maar nu werd op advies van Tabaksblat een comply or explain verplichting voor beursvennootschappen in de wet opgenomen.
Na invoering van de Code actualiseerden veel Nederlandse beursvennootschappen hun governance om aan bepalingen van de Code te voldoen. Koninklijke Ahold belegde een speciale aandeelhoudersvergadering om corporate governance wijzigingen met haar aandeelhouders te bespreken. De aandeelhouders kregen meer statutaire zeggenschapsrechten, ook ten aanzien van de benoeming van de bestuurders en commissarissen, de stemrechten van de cumulatieve preferente financieringsaandelen werden in lijn gebracht met hun economische inbreng waardoor ze geen disproportioneel stemrecht meer hadden en de raad van commissarissen stelde verschillende commissies in waaronder een audit commissie om beter accountantstoezicht te faciliteren. De vennootschap nam voorts afscheid van twee commissarissen die volgens de criteria van de Code niet onafhankelijk waren.8 Ook andere beursvennootschappen voerden naar aanleiding van de Code governance wijzigingen door. Beursvennootschappen kwamen hun nieuwe verplichtingen na invoering van de Code over het algemeen goed na.9 Ondanks aanvankelijke scepsis onder commentatoren over het effect op bestuurders en commissarissen oefende de Code door de brede toepassing sinds de invoering veel invloed op het Nederlandse corporate governance systeem uit.10
Om van de code een lange termijn succes te maken werd na invoering een monitoring commissie benoemd met de opdracht om jaarlijks te inventariseren op welke wijze en in welke mate de codevoorschriften werden nageleefd, de internationale corporate governance ontwikkelingen bij te houden en leemtes of onduidelijkheden in de code te signaleren.11 Het kabinet had zich ten doel gesteld het Nederlandse beursgenoteerde bedrijfsleven op deze gebieden in internationale vergelijkingen in de kopgroep te brengen, dus de Commissie kreeg ook de opdracht om te onderzoeken wat de positie van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen in internationale vergelijkingen op het gebied van rechten en plichten van aandeelhouders, transparantie en bestuurs- en toezichtstructuur en kwaliteit was. De rapporten die de monitoring commissies in verschillende samenstellingen sindsdien jaarlijks publiceerden, kanaliseerden discussies en resulteerden in 2008 en 2016 in herzieningen van de Nederlandse corporate governance code en adviezen om wettelijke hervormingen door te voeren. In de pas lopen met internationale ontwikkelingen was in de rapporten van de Monitoring Commissie een terugkerende wens. Nederland was geen eiland en leefde van haar internationale positie, dus internationale ontwikkelingen waren voor Nederland belangrijk, aldus de Monitoring Commissie.12
De Stewardship Code kwam bij deze evaluaties ook ter sprake. In de nasleep van de financiële crisis nam de Monitoring Commissie het burgerschap van de aandeelhouder als speerpunt van haar werkprogramma.13 Na de financiële crisis kregen institutionele beleggers in Nederland net als in het Verenigd Koninkrijk kritiek. “We cannot avoid asking ourselves what you, shareholders, have done to prevent and manage the crisis. Unfortunately, and I know you don’t like to hear this, the answer is almost nothing”, aldus Minister van Financiën Bos tegen institutionele beleggers.14 De parlementaire onderzoekscommissie die de oorzaken van de financiële crisis onderzocht betoogde dat institutionele beleggers met hun focus op korte termijn winst in de aanloop van de crisis hadden bijgedragen aan de problemen.15 De Monitoring Commissie gelastte een onderzoek naar de governance activiteiten van institutionele beleggers bij Nederlandse beursvennootschappen. De Commissie Tabaksblat had naar Brits voorbeeld al enkele deels wettelijk verankerde best practices voor institutionele beleggers rond het uitbrengen van stemmen in de algemene vergadering en de dialoog met bestuurders in haar code opgenomen om hen aan te moedigen om zich als betrokken aandeelhouders op te stellen.16 In haar eerste evaluatie van de Code Tabaksblat had de Monitoring Commissie echter geconstateerd dat institutionele beleggers de best practices voor institutionele beleggers uit de Corporate Governance Code niet goed volgden.17 De Monitoring Commissie vond op basis van onderzoek na de crisis opnieuw dat institutionele beleggers de code te weinig toepasten. Veel institutionele beleggers investeerden niet in betrokken aandeelhouderschap, terwijl kleinere institutionele beleggers de bepalingen uit de Code vaak niet eens kenden.18 De Monitoring Commissie kondigde aan te willen onderzoeken of zij een Nederlandse stewardship code zou moeten instellen.19
Gezien de invloed van de Britse corporate governance code op het Nederlandse stelsel en het wereldwijde succes van de Stewardship Code valt het ondanks de zorgen over Angelsaksische invloeden op het Nederlandse corporate governance systeem die af en toe geuit worden te begrijpen dat de Monitoring Commissie de code wilde onderzoeken.20 Het Verenigd Koninkrijk is internationaal een gidsland op het gebied van corporate governance hervorming. Als het Verenigd Koninkrijk corporate governance hervormingen doorvoert volgen veel andere landen het voorbeeld. Tussen de corporate governance in het Verenigd Koninkrijk en Nederland bestaan natuurlijk verschillen. Zo hebben de bestuurders van Nederlandse beursvennootschappen in vergelijking met hun Britse collega’s juridisch gezien nog steeds veel bewegingsruimte ten opzichte van de aandeelhouders.21 Bij Britse beursvennootschappen besluit de aandeelhoudersvergadering jaarlijks over de herbenoeming van de zittende bestuurders, terwijl bestuurders van Nederlandse beursvennootschappen de aandeelhouders er meestal maar een keer per vier jaar van moeten overtuigen om hen te herbenoemen, vaak met toepassing van oligarchische regelingen die de invloed van de aandeelhouders op de samenstelling van de ondernemingsleiding verder beperken.22 In Nederland kunnen bestuurders overnames van met in het Verenigd Koninkrijk verboden beschermingsmaatregelen tegen de zin van de aandeelhouders tegenhouden, terwijl bestuurders van Britse beursvennootschappen de aandeelhouders ervan moeten overtuigen om het bod af te wijzen en hen de ondernemingsleiding te blijven toevertrouwen aangezien zij niet zonder goedkeuring van de aandeelhouders beschermingsmaatmaatregelen mogen nemen.23 Voor aandeelhouders van Nederlandse beursvennootschappen blijkt het in de praktijk ook moeilijk om rechters ervan te overtuigen dat bestuurders onvoldoende oog hebben voor hun belangen. Zelfs als aandeelhouders zeggenschapsrechten bij beursvennootschappen hebben lukt het hen door de opstelling van de rechters meestal niet om deze rechten effectief uit te oefenen als de ondernemingsleiding zich verzet.24 Door deze verschillen kan men de Stewardship Code uit het Verenigd Koninkrijk en de inzichten over de werking daarvan niet zonder meer overzetten naar de Nederlandse context. Hoe een hervorming uitpakt kan door onderlinge verschillen per jurisdictie verschillen.25 De Monitoring Commissie en andere betrokkenen zullen dus zelf moeten onderzoeken of een stewardship code in Nederland zou kunnen werken. Hoewel de better regulation filosofie in het Nederlandse corporate governance debat traditioneel geen rol speelt, zou de Monitoring Commissie voortbordurend op deze studie een aantal vragen kunnen stellen om de veronderstellingen voor de gedachte dat een stewardship code het Nederlandse systeem zou kunnen helpen concreet uit te werken en te verifiëren of ze feitelijke steun hebben alvorens zich te verdiepen in de inhoud, structuur en rechtskracht van een stewardship code.26
Om te beoordelen of een stewardship code het Nederlandse systeem zou kunnen versterken zou de Monitoring Commissie eerst de vraag moeten stellen in hoeverre het probleem rond managerial stealing & shirking dat Britse beleidsmakers met de code probeerden op te lossen ook in Nederland speelt.27 Dergelijk opportunisme is niet voorbehouden aan bestuurders van Britse beursvennootschappen. Verschillende schandalen suggereren dat self-serving gedrag van bestuurders in het Nederlandse stakeholders regime ook schade kan berokkenen.28 Het bijna faillissement van Koninklijke Ahold voor de invoering van de Code Tabaksblat volgde op de grootste en spectaculairste fraude uit de Nederlandse geschiedenis.29 Bij andere gerenommeerde beursvennootschappen kwam in dezelfde periode ook grootschalig bedrog naar buiten.30 Sinds de invoering van Tabaksblat krijgen bestuurders van Nederlandse beursvennootschappen daarnaast geregeld kritiek op beslissingen die door andere typen van managerial stealing & shirking kunnen worden beïnvloed. De focus van bestuurders op persoonlijke belangen kan immers ook beslissingen om te investeren en te innoveren, de onderneming in reactie op veranderende marktomstandigheden te reorganiseren of af te slanken, overnames te doen of tegen te houden, hard te werken of voor een rustig bestaan te kiezen beïnvloeden en daarmee het lange termijn succes van een onderneming en haar stakeholders bepalen. Aandeelhouders verzetten zich tegen grote overnames in het buitenland.31 Ze vonden dat ondernemingen hun mislukte overnamestrategie sneller ongedaan moesten maakten.32 Of ze wilden dat ondernemingen wier diversificatiestrategie onvoldoende rendeerde zich op hun kernactiviteiten richtten en onderdelen afstootten of samengingen met een andere onderneming.33 In hoeverre men deze kritiek als aanwijzing voor structurele governance tekortkomingen die hervormingen rechtvaardigden ziet of juist als aanwijzing dat het systeem werkt, de analyse in deze studie suggereert dat men voordat men een stewardship code wil invoeren om de governance van beursvennootschappen te verbeteren een concreet corporate governance probleem zal moeten identificeren. Beursvennootschappen kunnen om uiteenlopende redenen in de problemen komen, zeker in markteconomieën die hun lange termijn kracht aan doorlopende creative destruction ontlenen. Dat ondernemingen, ook grote en gerenommeerde beursvennootschappen, na verloop van tijd krimpen, herstructureren en verdwijnen maakt onvermijdelijk onderdeel uit van de normale levenscyclus. Niet alle problemen waarbij beursvennootschappen direct of indirect betrokken zijn kan men aan governance falen wijten en met meer intern toezicht oplossen. Om te beoordelen of beursvennootschappen en hun stakeholders van hervorming zouden kunnen profiteren zouden beleidsmakers steeds de vraag moeten stellen in hoeverre het Nederlandse systeem verzekert dat bestuurders de middelen van hun onderneming op een productieve manier inzetten en er voldoende waarborgen bestaan dat er ingegrepen wordt als de bestuurders zich op hun persoonlijke belangen in plaats van het lange termijn succes van de onderneming en hun stakeholders richten. Als de Monitoring Commissie naar het Britse voorbeeld een stewardship code zou willen invoeren om het toezicht op managerial stealing & shirking te versterken zou ze moeten onderzoeken in hoeverre tekortschietend toezicht het lange termijn succes van de Nederlandse economie in de weg zit. Ook al heeft corporate governance internationaal een grote vlucht genomen en komt dat onderwerp na problemen bij beursvennootschappen geregeld op de agenda, als de Monitoring Commissie effectieve hervormingen wil doorvoeren zou ze het onderscheid tussen governance falen en andere maatschappelijke problemen in de gaten moeten houden.34 Niet alle maatschappelijke problemen kan men met corporate governance hervormingen oplossen.
De Monitoring Commissie zou vervolgens de vraag kunnen stellen of meer stewardship Nederlandse beursvennootschappen inderdaad zou helpen. Hoewel aandeelhoudersinvloed in Nederland doorgaans op weinig enthousiasme van betrokkenen kan rekenen, heeft het idee dat beursvennootschappen beter zouden functioneren wanneer institutionele beleggers als echte eigenaren toezicht zouden houden ook in de Nederlandse literatuur steun.35 Als men met een teleologische benadering naar het empirische onderzoek dat sinds de jaren tachtig naar de effecten van toezicht door institutionele beleggers is uitgevoerd kijkt bestaat er echter weinig reden voor optimisme zo bleek.36 Sommige typen aandeelhoudersactivisme kunnen wel helpen. Het offensieve activisme van buitenlandse hedge funds is een relatief recent fenomeen en het aantal onderzoeken naar de effecten is nog relatief beperkt, maar de empirische literatuur biedt aanwijzingen dat dit type toezicht, ondanks hun eenzijdige doelen en tactieken, beursvennootschappen op zowel de korte als de lange termijn kan verder brengen.37 Onderzoekers hebben niet alleen een verband tussen interventies en aandeelhoudersrendementen gevonden maar ook tussen interventies en operationele verbeteringen alsmede innovatie.38 De gevreesde nadelen van activisme zoals financiële instabiliteit of problemen op de lange termijn lijken zo suggereren studies zich niet te materialiseren.39 Het type defensief toezicht dat de Stewardship Code aanmoedigt lijkt echter op zijn best een triviaal effect op het succes van beursvennootschappen te hebben. Empirisch onderzoek biedt vooral steun voor de theorie dat toezicht door institutionele beleggers wegens gebrek aan prikkels en expertise beursvennootschappen niet helpt zoals gehoopt. Een continue dialoog achter de schermen op basis van lange termijn betrokkenheid spreekt wellicht als prettigere manier om het toezicht binnen een onderneming te organiseren aan. Duidelijke aanwijzingen dat een stewardship model beursvennootschappen op de lange termijn helpt, lijkt onderzoek niet te hebben opgeleverd.40 Als men het interne toezicht op de bestuurders wil versterken ligt het dus op het eerste gezicht niet voor de hand om in te zetten op meer toezicht door institutionele beleggers. De Monitoring Commissie zou kunnen onderzoeken of er aanwijzingen bestaan dat institutionele beleggers in de Nederlandse context een positieve bijdrage aan het bestuur van beursvennootschappen zouden kunnen leveren. In het Verenigd Koninkrijk kwam stewardship in de nasleep van de financiële crisis op de agenda omdat Myners zijn ministersbenoeming op het dieptepunt van de crisis aanwendde om een beleidsprioriteit te maken van het onderwerp waarvoor hij zich sinds de jaren negentig inzette zonder dat de onderzoeksliteratuur daarbij een zichtbare rol speelde. Door het beschikbare onderzoek bij haar beslissingen te betrekken zou de Monitoring Commissie een meer analytische benadering kunnen nemen. Mogelijk dat toezicht door institutionele beleggers in Nederland wel positieve effecten heeft, omdat andere governance mechanismen in Nederland minder goed werken en er dus meer ruimte voor managerial stealing & shirking bestaat. Als de Commissie echter geen aanwijzingen vindt dat stewardship in Nederland zou helpen zou ze kunnen beslissen om de pogingen om van institutionele beleggers betrokken toezichthouders te maken te staken en zelfs kunnen overwegen om de bestaande regels met dat doel zo veel mogelijk af te schaffen.
Voortbordurend op deze analyses zou de Monitoring Commissie vervolgens de vraag moeten stellen of er inderdaad iets schort aan de opstelling van institutionele beleggers. Kritiek dat aandeelhouders zich niet als echte eigenaren opstellen heeft ook in Nederland een lange geschiedenis.41 De onderzoeksliteratuur suggereert echter dat de corporate governance van beursvennootschappen ook zonder betrokken aandeelhouderschap goed kan functioneren.42 De observatie dat beursvennootschappen met verspreid aandelenbezit door de passieve opstelling van institutionele beleggers tot ownerless corporations zijn verworden klopt wellicht, maar hoeft op zichzelf geen problemen op te leveren zo bleek hiervoor. De enkele observatie dat institutionele beleggers hun zeggenschapsrechten niet of nauwelijks gebruiken lijkt onvoldoende rechtvaardiging voor interventie via een stewardship code. Toezicht van institutionele beleggers heeft immers weinig toegevoegde waarde als corporate governance zonder betrokken aandeelhouders door andere toezichtsmechanismen naar behoren functioneert. Om te beoordelen of institutionele beleggers te weinig betrokkenheid tonen zou de Monitoring Commissie dus moeten vaststellen waarom institutionele beleggers zich bij Nederlandse beursvennootschappen vooral passief opstellen.43 Kiezen zij voor deze opstelling omdat zij zich op de belangen en wensen van hun klanten en begunstigden richten en meer toezicht onvoldoende oplevert of bestaan er aanwijzingen dat zij om andere redenen voor een passieve opstelling kiezen?
De Monitoring Commissie zou voortbordurend op de corporate governance literatuur over de redenen waarom institutionele beleggers zich vaak passief opstellen kunnen onderzoeken in hoeverre tegenstrijdige belangen de opstelling van institutionele beleggers verklaren. Vooral bij institutionele beleggers die financiële diensten of producten zoals leningen, verzekeringen of pensioenbeheer aan beursvennootschappen verkopen of deel uitmaken van een financiële instelling die dergelijke diensten of producten aan beursvennootschappen verkoopt, bestaat volgens de corporate governance literatuur het risico dat de belangen van de institutionele belegger op het gebied van corporate governance conflicteren met de belangen van hun klanten en institutionele beleggers voor een passieve governance opstelling kiezen, terwijl ze met een actieve governance opstelling betere resultaten zouden behalen.44 Duidelijk bewijs dat tegenstrijdige belangen het governance beleid van institutionele beleggers motiveren, heeft onderzoek tot nu toe niet opgeleverd zo suggereert deze studie, maar de Monitoring Commissie zou kunnen onderzoeken in hoeverre beleggers zich bij Nederlandse beursvennootschappen door tegenstrijdige belangen laten leiden.45 Dergelijke problemen bieden immers een basis om institutionele beleggers regels op te leggen. Pensioenfondsen, verzekeraars, banken en vermogensbeheerders hebben uiteenlopende klanten en begunstigden, doelstellingen, strategieën, governance, organisaties en toepasselijke regels waardoor de invloed van tegenstrijdige belangen per belegger zal verschillen, maar voor zover dergelijke problemen bij bepaalde beleggers bestaan zou de Monitoring Commissie initiatieven kunnen nemen om de problemen te verlichten, eventueel met een stewardship code.46
De Monitoring Commissie zou in dat verband kunnen onderzoeken in hoeverre wettelijke regels de toezichtsactiviteiten van institutionele beleggers frustreren. Het idee dat regulering van institutionele beleggers een betrokken toezichtsrol kan frustreren is een van de kerninzichten uit internationale corporate governance literatuur over institutionele beleggers sinds de jaren negentig.47 Men kan denken aan wetgeving die pensioenfondsen dwingt om voor grote aandelenposities meer eigen vermogen aan te houden of fiduciaire verplichtingen die hen aanmoedigen om liquide en gediversifieerde aandelenposities te nemen.48 Institutionele beleggers zouden zich zo suggereert de literatuur door deze regels gedwongen kunnen voelen om voor diversificatie en een passieve opstelling te kiezen. De Britse regering koos na de crisis primair voor regulering van het governance gedrag van institutionele beleggers, maar later liet zij ook onderzoeken of er wettelijke barrières voor het toezicht door institutionele beleggers bestonden.49 In Nederland gaan sinds de crisis eveneens stemmen op om hervormingen in die richting te onderzoeken.50 Als de Monitoring Commissie aanwijzingen vindt dat dergelijke regels inderdaad zonder goede maatschappelijke rechtvaardiging stewardship bemoeilijken zou de Monitoring Commissie kunnen overwegen om de wetgever te adviseren om deze regels aan te passen, te verduidelijken of af te schaffen. Voortbordurend op deze denkwijze zou de Monitoring Commissie ook een analyse van de Nederlandse corporate governance regels kunnen maken. Volgens de corporate governance literatuur kunnen dergelijke regels stewardship activiteiten frustreren zo bleek hiervoor. Institutionele beleggers die geloven dat zij bij Nederlandse beursvennootschappen onvoldoende invloed op de bestuurders kunnen uitoefenen, door stewardship activiteiten het risico lopen regels te overtreden of ongewild verplichtingen op zich te nemen zullen minder in stewardship activiteiten investeren.51 Als de Monitoring Commissie op basis van haar onderzoek aanwijzingen vindt dat dergelijke regels inderdaad stewardship hinderen, niet alleen in theorie maar ook in de praktijk, zou ze de relevante regelgevers kunnen adviseren om regels te heroverwegen of uitzonderingen te formuleren. Britse beleidsmakers zetten na de crisis ook enkele stappen in deze richting.52 Als de Monitoring Commissie het toezichtsniveau van institutionele beleggers wil verhogen ligt het gezien de corporate governance literatuur voor de hand om bestaande regelgeving tegen het licht houden. Een beter beeld van de mate waarin wettelijke belemmeringen de passieve opstelling van veel institutionele beleggers bij Nederlandse beursvennootschappen bepalen zou ook kunnen bijdragen aan het maken van een realistische inschatting van het effect van een stewardship code op de governance opstelling van institutionele beleggers. Voor zover wettelijke regels stewardship activiteiten belemmeren zal een stewardship code het governance gedrag van institutionele beleggers immers niet fundamenteel kunnen veranderen.
In deze context zou de Monitoring Commissie voorts kunnen onderzoeken in hoeverre de beleggingsstrategieën die institutionele beleggers kiezen om de beleggingsrendementen voor hun klanten en begunstigden te optimaliseren hun passieve opstelling verklaren. Corporate governance literatuur suggereert immers zo bleek dat institutionele beleggers ten behoeve van hun klanten voor beleggingsstrategieën kiezen die op gespannen voet staan met het voeren van stewardship beleid. Zij diversifiëren hun portefeuille en lopen daardoor als aandeelhouder tegen collectieve actieproblemen aan. Institutionele beleggers die een index tracken hebben ook geen sterke prikkel om als stewards toezicht te houden op individuele ondernemingen. Om hun beleggingsrendementen te optimaliseren richten institutionele beleggers hun organisatie, beheermandaten, beleggingsketen en beloningscriteria in op een manier die toezicht houden verder ontmoedigt. Als blijkt dat institutionele beleggers voor een passieve opstelling kiezen omdat hun strategieën voor hun klanten, gepensioneerden en begunstigden grote voordelen hebben, kan men de vraag stellen of institutionele beleggers aanmoedigen om hun beleggingsfilosofie aan te passen maatschappelijk gezien wel wenselijk is.53
De Monitoring Commissie zou natuurlijk op basis van een progressieve of communitaristische corporate governance filosofie kunnen betogen dat institutionele beleggers een maatschappelijke plicht hebben om ongeacht de voorkeuren en belangen van gepensioneerden en andere begunstigden breed toezicht te houden op beursvennootschappen.54 Zoals vaak na crises heeft het idee dat beursvennootschappen en aandeelhouders een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben sinds de financiële crisis aan populariteit gewonnen.55 Dat geldt ook voor Nederland.56 Academisch onderzoek heeft talloze studies opgeleverd die met deze invalshoek de governance opstelling van institutionele beleggers en mogelijke hervormingen evalueren.57 Institutionele beleggers zouden volgens deze benadering niet op financiële rendementen maar op maatschappelijke impact moeten sturen en dus toezicht moeten houden.58 Het denken over de concrete invulling van deze strategieën vergt zo suggereert de literatuur nog wat aandacht.59 Over de vraag hoe de ideale aandeelhouder zich zou moeten opstellen bestaat in deze literatuur geen consensus.60 Als de Monitoring Commissie zonder te vervallen in abstracte noties niettemin concreet kan maken wat ze precies van beleggers in de corporate governance arena verwacht en het gewenste gedrag maatschappelijke baten zou hebben, zou ze kunnen onderzoeken of ze met hervormingen de gewenste veranderingen zou kunnen realiseren.
Tot slot zou de Monitoring Commissie de vraag kunnen stellen of de stewardship code in Nederland een effectief instrument zou zijn om van institutionele beleggers effectieve toezichthouders te maken. Sinds de jaren tachtig hebben beleidsmakers in verschillende jurisdicties geprobeerd om met regulering het governance gedrag van institutionele beleggers te verbeteren, maar duidelijke aanwijzingen dat deze hervormingen tot meer en beter toezicht door institutionele beleggers hebben geleid heeft onderzoek tot nu toe echter niet opgeleverd zo bleek. De FRC concludeerde na verschillende evaluaties al meermaals dat de Stewardship Code tekortschoot.61 Het door de regering gelaste Kingman onderzoek wierp de vraag op of de Stewardship Code niet beter afgeschaft zou kunnen worden.62 De Code zou een verwaarloosbare impact hebben concludeerde Kingman bijna tien jaar na invoering. De eerste onderzoeken naar het effect van de Stewardship Code op beursvennootschappen uit de academische hoek zijn ook niet bemoedigend.63 Scepsis over de mate waarin een stewardship code het toezicht door institutionele beleggers zou kunnen verbeteren lijkt dus gerechtvaardigd. De Monitoring Commissie zou kunnen onderzoeken of een code in Nederland andere uitkomst zou hebben. Onderzoek naar het effect van de wettelijk verankerde best practices voor institutionele beleggers uit de Nederlandse corporate governance code biedt vooralsnog weinig aanwijzingen dat dergelijk beleid de gehoopte positieve effecten heeft.64 De observatie in deze studie dat belangenorganisaties die na de crisis ingrijpende hervormingen zo veel mogelijk wilden tegenhouden voorstelden om de Stewardship Code in te voeren biedt een extra reden voor terughoudendheid. De Stewardship Code lijkt net zoveel effect te hebben als je van hervormingen met een dergelijk herkomst kan verwachten. Men zou zich tegen die achtergrond beter kunnen afvragen of ze met ander beleid niet betere resultaten zou kunnen behalen.65
De Monitoring Commissie zou kunnen proberen om de zwakke punten van de Stewardship Code te adresseren. Zoals hiervoor bleek hebben verschillende commentatoren voorstellen gedaan om de Code te versterken. Zij wilden de inhoud van de best practices verbeteren, de reikwijdte van de comply or explain verplichting vergroten en de comply or explain verplichting aanscherpen.66 Sinds de invoering heeft de FRC de Stewardship Code op basis van evaluaties en kritiek zelf ook herzien. In andere landen zijn stewardship codes met uiteenlopende variaties vastgesteld. Als uit onderzoek of evaluaties blijkt dat deze initiatieven werken zoals gehoopt zou de Monitoring Commissie daarop voortbouwend een ten opzichte van de Stewardship Code verbeterde Nederlandse stewardship code kunnen vaststellen.67 Aandacht voor de vraag welke toegevoegde waarde de stewardship code zou hebben ten opzichte van de reeds geldende regels zou zij daarbij kunnen meenemen. Met de wettelijk verankerde best practices voor institutionele beleggers in de Code Tabaksblat en de Stewardship Code van Eumedion bestaan er immers al verschillende regels en richtlijnen met deze strekking.68 Hetzelfde geldt voor de bepalingen van de Aandeelhoudersrechtenrichtlijn. In navolging van de Stewardship Code nam de Europese Commissie immers verschillende verplichtingen voor institutionele beleggers op in artikel 3 octies van de herziene Aandeelhoudersrechtenrichtlijn die in 2017 werd vastgesteld. Volgens de herziene richtlijn moeten niet alleen vermogensbeheerders maar ook pensioenfondsen, levensverzekeraars op basis van het comply or explain principe een beleid voor betrokken aandeelhouderschap opstellen en op hun website publiceren. De beleggers moeten jaarlijks openbaar maken hoe zij hun beleid hebben uitgevoerd met een algemene beschrijving van hun stemgedrag en een toelichting op hun belangrijkste stembeslissingen. Ook moeten ze in beginsel openbaar maken hoe ze hebben gestemd op de algemene vergadering van de ondernemingen waarin ze aandelen houden.69
De Monitoring Commissie zou ook andere accenten kunnen leggen. In Nederland werd na de financiële crisis betoogd dat aandeelhouders niet te weinig maar te veel toezicht hadden gehouden op de banken. Volgens de parlementaire commissie die de oorzaken van de crisis onderzocht droegen de bestuurders de primaire verantwoordelijkheid voor het ondernemingsbeleid en hadden zij de risico’s niet gezien, onderschat of bewust genomen, mogelijk gestimuleerd door variabele beloningsstructuren, maar hadden aandeelhouders met hun focus op korte termijn winst in de jaren voor de crisis ook bijgedragen aan de problemen.70 Aandeelhouders hadden de bestuurders van banken te veel onder druk hadden gezet om zich op rendement en aandeelhouderswaarde te concentreren, zo klonk het ook uit de hoek van de belangenorganisaties.71 Anti-aandeelhouderssentimenten laaiden in Nederland ook op na de financiële crisis geregeld op.72 Sommige betrokkenen betoogden zelfs dat institutionele beleggers in plaats van toezicht te houden op de bestuurders van beursvennootschappen de bestuurders tegen aandeelhouders zouden moeten beschermen.73 Voortbordurend op deze lijn zou de Monitoring Commissie kunnen overwegen om een aandeelhouderscode op te stellen met het doel om management autonomy in plaats van management accountability te vergroten.74 Met een dergelijke code zou de Monitoring Commissie duidelijk kunnen maken dat in het Nederlandse model institutionele beleggers en andere aandeelhouders geacht worden het bestuur en de raad van commissarissen te respecteren en zich terughoudend op te stellen met pogingen om bestuurders en commissarissen te dwingen om zich op aandeelhoudersrendementen of de productiviteit van de onderneming te richten.75 De Monitoring Commissie zou verschillende best practices uit de Stewardship Code kunnen herformuleren. De code zou kunnen uitwerken dat in het Nederlandse corporate governance systeem bestuursautonomie een belangrijk uitgangspunt is en dat aandeelhouders formeel wel zeggenschapsrechten hebben maar die niet daadwerkelijk zouden moeten gebruiken om te proberen om de ondernemingsleiding te beïnvloeden omdat het aandeelhoudersbelang niet het enige belang is dat de ondernemingsleiding moet meewegen. Om duidelijk te maken dat deze code een fundamenteel andere insteek heeft dan de Stewardship Code die het Verenigd Koninkrijk na de financiële crisis invoerde zou de Monitoring Commissie de code een andere naam kunnen geven bijvoorbeeld de Respectful Investor Code of Anti-Stewardship Code. Stewardship heeft weliswaar geen specifieke betekenis, maar transparantie over de doelstelling zou de signaalfunctie van de code kunnen versterken. Afgezien van de vraag of beursvennootschappen op de lange termijn inderdaad van meer bestuursautonomie zouden profiteren of vooral bepaalde insiders, valt het natuurlijk te bezien of een dergelijke code veel zou toevoegen. Volgens commentatoren kunnen aandeelhouders van Nederlandse beursvennootschappen door de opstelling van de rechterlijke macht in geschillen tussen aandeelhouders en de bestuurders hun formele zeggenschapsrechten in de praktijk meestal toch niet uitoefenen.76
Corporate governance hervormingen doorvoeren die de beoogde maatschappelijke doelen bereiken valt ongeacht de precieze doelstellingen in de praktijk niet mee, maar door de hiervoor besproken voorvragen rond probleemstelling en oplossingsrichting te stellen kunnen de Monitoring Commissie en andere betrokken regelgevende organen in ieder geval proberen om een goed geïnformeerd besluit over een Nederlandse stewardship code te nemen. De evidence based, evidence aware of evidence informed policy making filosofie waarbij op gestructureerde data gedreven wijze beleidsanalyses worden gemaakt speelt in het Nederlandse corporate governance debat traditioneel geen prominente rol. Nadenken over de impliciete en expliciete aannames waarop het idee dat een stewardship code het Nederlandse systeem zou kunnen verbeteren is gebaseerd en verifiëren of ze feitelijke steun hebben zou niettemin belangrijke informatie kunnen opleveren. Onderzoek heeft sinds corporate governance op de internationale academische agenda staat een schat aan inzichten opgeleverd, zowel theoretische als empirische, terwijl corporate governance als studieonderwerp onder academici populair blijft. Door de inzichten uit deze hoek bij haar besluitvorming te betrekken zou de Monitoring Commissie de kans dat zij met haar hervormingen daadwerkelijk maatschappelijke problemen oplost of verlicht vergroten. Het besef dat de dynamiek van post-crash hervormingen historisch gezien soms slecht doordachte hervormingen produceert kan de Monitoring Commissie daarbij helpen voorkomen dat ze we-moeten-iets-doen-maakt-niet-uit-wat hervormingen uit het buitenland overneemt zonder zich dat te realiseren. De wens om in de pas te lopen met internationale ontwikkelingen die geregeld terugkeert in het Nederlandse corporate governance debat blijkt geen garantie voor goede hervormingsbeslissingen. De realiteit dat beleidsmakers soms zonder zorgvuldige analyses hervormingen doorvoeren omdat ze onder politieke druk komen te staan om iets te doen, daarbij voor ideeën vertrouwen op political entrepreneurs die aan de daadwerkelijke problemen ongerelateerde onderwerpen op de agenda zetten en de weg van de minste weerstand kiezen als goed georganiseerde belangengroepen zich tegen hervormingen verzetten betekent dat de Monitoring Commissie internationale beleidsontwikkelingen niet klakkeloos kan overnemen. Door als onderdeel van de analyse van buitenlandse hervormingsinitiatieven telkens de vraag te stellen in hoeverre de minder fraaie politieke dynamiek die corporate governance hervormingstrajecten kan bederven de besluitvorming beïnvloedde kan ze voorkomen dat haar pogingen om het Nederlandse corporate governance systeem te versterken vanwege de wens om internationale ontwikkelingen te volgen op teleurstellingen uitlopen. Erkennen dat factoren die weinig met corporate governance verbeteren te maken hebben besluitvorming kunnen domineren geeft de Monitoring Commissie een extra instrument om zinvolle van zinloze hervormingen uit het buitenland te onderscheiden. De Monitoring Commissie hoeft beleidsfouten uit het buitenland immers niet te kopiëren. Internationale diversiteit op het gebied van corporate governance regelgeving geeft de Monitoring Commissie de kans om te leren van ervaringen in andere jurisdicties. Dat geldt zowel voor de successen als de mislukkingen. Of de Monitoring Commissie op een dergelijke analytische wijze naar hervormingen uit het buitenland zal kijken of zich tijdens besluitvormingsprocessen door andere factoren laat leiden zal de tijd uitwijzen.