Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.3.1
2.3.1 Rechtsgrond
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS484990:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Rapport Commissie Van Rhijn 1947, p. 13; Windmuller 1970, p. 373-375; en de Memorie van Toelichting bij het in juli 1948 ingediende ontwerp van een Wet op de ondernemingsraden (Kamerstukken II, 884, nr. 3, p. 3).
NVV-SDAP 1923, p 9.
Zie bijvoorbeeld De Gaay Fortman 1936, p. 71.
Groenboek Medezeggenschap van werknemers en structuur van de vennootschap, Suppl. 8/75, p. 9.
Van den Bergh 1924, p. 21-24.
Dijkhuis 1938, p. 172.
Ponsioen 1949, p. 334; Timmerman 1988 p. 7; Verburg 2005, p. 41; Steenkamp 1962; Van der Ven 1950, p. 75; en NVV 1960, p. 14-15.
Romme 1941-1946.
Van Campen 1945.
Van der Ven 1951, p. 75.
Rapport Commissie Van Rhijn 1947, p. 19.
Kamerstukken II, 884, nr. 3, p. 4.
Kamerstukken II, 884, nr. 5, p. 11. Bij gelegenheid van de wetswijziging in 1979 uitte de wetgever zich in gelijke bewoordingen uit (Kamerstukken II 1977/1978, 13 954, nr. 110, p. 9). Zie ook Bloemarts 1989, p. 102.
Rapport Commissie Verdam, p. 19-20.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 9.
Kort samengevat: samenwerking, zelfontplooiing, menswaardigheid, mondigheid en democratisering, enz.
De Gaay Fortman (1936, p. 98 e.v.) vormt hierop in die zin een uitzondering, dat hij al in 1936 medezeggenschap rechtvaardigt met de overweging dat de werknemer in zijn gehele bestaan door hun arbeid wordt bepaald en dat de door hem verrichte arbeid een onmisbare factor is voor het goed functioneren van de onderneming.
Romme en Van Campen spraken jaren eerder ook al van behartiging van belangen van werknemers, maar zij deden dat vanuit de idee dat de onderneming een gemeenschap is waar die werknemers deel uitmaken. De belangenbehartiging betreft dan de belangen van de gezamenlijke werknemers als deelgenoten in de gemeenschap, niet zozeer dus behartiging van eigenbelang tegenover dat van andere belanghebbenden, maar behartiging van belangen naast die van andere belanghebbenden.
Zie onder andere Rood 1979, p. 6; Slagter 2005, p. 17-18; en Verburg 2007a, p. 41.
Medezeggenschap binnen de onderneming werd tot het begin van de vorige eeuw gezien als een middel om de toenemende invloed van vakverenigingen een halt toe te roepen.1 Liever een ondernemingsraad dan een vakbond in huis, leek het motto. Geleidelijk aan begon de gedachte echter post te vatten dat geen sprake was van alternatieven, maar van twee onafhankelijk van elkaar bestaande wijzen van uitoefening van medezeggenschap: binnen individuele ondernemingen uitsluitend door ondernemingsraden, het niveau van individuele ondernemingen overstijgend door vakverenigingen. Een belangrijke aanzet in dit denken vormde het rapport ‘Bedrijfsorganisatie en medezeggenschap’ dat in 1923 werd uitgebracht door een commissie, ingesteld door de N.V.V. en de S.D.A.P.. Sprekend over de medezeggenschap in ondernemingen, ziet de commissie als belangrijkste grond dat de werknemer, wiens bestaan vaak afhangt van de gang van zaken in de onderneming, daarvan niet verstoken mag blijven, nu die ook de aandeelhouder, hoe klein zijn aandeel ook is, wordt toegekend.2 Daarbij wordt, niet ongebruikelijk voor de eerste decennia van de vorige eeuw,3 een vergelijking gemaakt met de politieke democratie, die zich ook had bewogen in de richting van een deling van de macht: berustte deze oorspronkelijk geheel of grotendeels bij de koning, inmiddels had die een belangrijk deel daarvan aan zijn onderdanen moeten afstaan. Democratisering is in deze optiek een rechtvaardiging voor medezeggenschap. In recenter tijden treft men dat ook in een Groenboek van de Europese Commissie uit 1975.4 Inmiddels is democratisering zo algemeen aanvaard dat deze als zodanig nauwelijks een rol meer speelt bij het denken over medezeggenschap.
Van den Bergh, die als lid-rapporteur deel uitmaakte van de zojuist genoemde commissie van de N.V.V. en de S.D.A.P., bouwt in 1924 in zijn dissertatie ‘De medezeggenschap der arbeiders in de particuliere onderneming’ voort op het rapport. Het onthouden van medezeggenschap van werknemers in de onderneming acht hij strijdig met de menswaardigheid. Behoud, of liever nog het toenemen, van levensvreugde en levensgeluk ziet Van den Bergh als een belangrijke grond voor medezeggenschap.5 Aangespoord door Van den Bergh schreef Dijkhuis in 1938 een dissertatie die geheel gewijd was aan de rechtsgrond van medezeggenschap. Als gronden voor medezeggenschap noemt hij onder meer de vrijheidsdrang en de afkeer van overheersing, naast levensvreugde in het algemeen en arbeidsvreugde in het bijzonder.6 In dezelfde sfeer liggen waardigheid en het recht op zelfontplooiing van werknemers en hun zelfrespect, rechtsgronden die men bij verschillende schrijvers treft.7
De bezetting tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 heeft grote invloed gehad op het denken over de rol van werknemers in de onderneming. Met name vanuit confessionele hoek kwamen ideeën over de onderneming als een gemeenschap, waarin samenwerking centraal stond en waarin derhalve bij het besturen ook een rol aan werknemers was voorbehouden: samenwerking als rechtsgrond voor medezeggenschap, om daarmee gezamenlijk de schouders onder de wederopbouw van Nederland te zetten. Exponenten van dergelijke ideeën waren Romme8 en Van Campen,9 maar begin jaren vijftig ook Van der Ven, die medezeggenschap de onlosmakelijke keerzijde noemde van de verantwoordelijkheid die werknemers dragen in het gemeenschapsverband van de onderneming waarin zij werkzaam zijn.10 Dit spreekt evenzeer uit het ontwerp van een Wet op de ondernemingsraden met een memorie van toelichting dat werd opgesteld door de Commissie Van Rhijn. De samenwerking zou vorm moeten krijgen met de instelling van een specifiek orgaan, dat niet zou worden aangeduid als Kern, maar als ondernemingsraad ‘om daarmee aan te geven, dat hier geen sprake is van een vertegenwoordiging van het personeel tegenover de ondernemer, doch integendeel van een orgaan van gezamenlijk overleg – met het accent op gezamenlijk – waarvan het hoofd van de onderneming samen met zijn personeel deel uitmaakt’.11 Deze woorden treffen we terug in de Memorie van Toelichting bij het in juli 1948 ingediende ontwerp van een Wet op de ondernemingsraden.12 In de Memorie van Antwoord zien we, min of meer tussen de regels door, een rechtvaardiging van medezeggenschap die doet (terug)denken aan het democratische gedachtegoed dat vóór de oorlog de overhand had: ‘Langzamerhand wordt erkend, dat de arbeider het recht heeft om zijn stem te laten horen en gehoord te worden over de verschillende aangelegenheden, welke de onderneming betreffen, waarin hij werkzaam is.’.13
In de jaren zestig neemt het democratische gedachtegoed weer in gewicht toe. Zo vangt de Commissie Verdam haar rapport aan met algemene beschouwingen waarin we het volgende lezen: ‘Door de toegenomen algemene ontwikkeling, opleiding en scholing worden de mogelijkheden van vele werknemers tot het dragen van ruimere verantwoordelijkheden vergroot. De erkenning van de werknemer als medewerker en het gewicht dat de stem van het personeel – niet alleen via vakorganisaties – thans in de schaal legt, kunnen worden gezien als de bekroning van de ontwikkeling. … Aangezien de beleving van eigenwaarde [van werknemers] is gekoppeld aan het zich-verantwoordelijk-weten voor wat men doet en laat, is een verruiming van de mogelijkheden tot meedenken door de werknemer bij de voorbereiding en bij de uitvoering van zijn dagelijkse taak ten zeerste gewenst.’.14 In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de Wet op de ondernemingsraden van 1971 spreken de betrokken ministers eveneens van mondigheid, van de ontplooiing van de werknemers als mens en van democratisering van de arbeidsverhouding als rechtsgrond voor medezeggenschap.15 Nieuw is dat de ministers in datzelfde verband schrijven dat het feit dat de onderneming het welzijn van alle betrokkenen, waaronder dat van werknemers, dient te bevorderen, rechtvaardigt dat die werknemers het recht toekomt de gang van zaken in de onderneming op enigerlei wijze mede te bepalen. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de structuurregeling,16 treffen we belangenbehartiging als rechtsgrond voor medezeggenschap. Hiermee verschijnt naast idealistisch getinte rechtsgronden voor toekenning van medezeggenschap17 die tot dat moment de boventoon voerden,18 een materiële rechtsgrond.19 Sindsdien treffen we belangenbehartiging als belangrijke rechtvaardigingsgrond voor toekenning van medezeggenschap aan werknemers.20