Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/I.3.3
I.3.3 Externe rechtsvergelijking
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242896:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze vorm van rechtsvergelijking Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/156.
Zie OECD Corporate Governance Factbook 2019, p. 135.
Onder het Caribische deel van het Koninkrijk vallen Aruba, Curaçao, St. Maarten en de zogenoemde BES-eilanden. De BES-eilanden bestaan uit Bonaire, St. Eustatius en Saba.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 5 (MvT).
Davies 2013, p. 723; en Davies & Worthington 2016, p. 387.
In dit boek gebruik ik regelmatig Engelse termen. Ik cursiveer een Engelse term enkel de eerste keer dat ik de term noem.
Ook daar hanteren vennootschappen van oudsher een monistisch bestuursmodel. Zie voor een uitvoerige beschrijving van de Amerikaanse variant van het one tier-model Calkoen 2012, p. 119-242.
Evenzo Timmerman 2009, p. 24.
Cadbury 2002, p. 70.
Ik kom hier in § II.3.4, § V.2 en § VII.2.2 op terug. Zie over het uitgangspunt van collegialiteit van bestuur in het Engelse recht onder anderen Cadbury 2002, p. 70; en Goodison 2017a, p. 70.
Zie over de prominente rol van de CEO onder anderen Van Ginneken, Ondernemingsrecht 2012/134; en Timmerman 2009, p. 23-24. Op het fenomeen van de CEO die tegelijkertijd voorzitter van de one tier board is, kom ik in § V.5.2.3 terug.
Timmerman 2009, p. 24.
In het Koninkrijk der Nederlanden geldt immers het zogenoemde ‘concordantiebeginsel’. Dit houdt in dat het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering, het strafrecht, de strafvordering, het auteursrecht, de industriële eigendom, het notarisambt, zomede de bepalingen omtrent maten en gewichten in Nederland (inclusief de BES-eilanden), Aruba, Curaçao en St. Maarten zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze worden geregeld. Zie art. 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Idem Van Veen & Bellingwout 2008, p. 4. Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 5 (MvT).
Het monistische bestuursmodel heeft sinds 1 maart 2004 een wettelijke basis in het Nederlands-Caribische recht, zie art. 2:18 lid 1 (oud) BW-NA. Overigens bestond de mogelijkheid om een one tier board in te stellen voor de BV al sinds 1 januari 2000, toen art. 40 van de Landsverordening van 29 december 1999 inzake de Besloten Vennootschap (P.B. 1999, 241) van kracht werd. Het monistische bestuursmodel is thans geregeld in art. 51 LVBA en art. 2:18 BWC/BW-SM/BW-BES.
Idem Frielink 2017, p. 17; en Van Veen & Bellingwout 2008, p. 4.
Voor een uitvoerige beschrijving van het Engelse one tier-model, verwijs ik naar Calkoen 2012, p. 13-118.
Het onderzoek heeft betrekking op de Nederlandse niet-uitvoerende bestuurder. Dit heeft mij er niet van weerhouden voor het invullen van lacunes en het zoeken naar oplossingen van de knelpunten in de Nederlandse wettelijk regeling inspiratie te zoeken in buitenlandse rechtsstelsels.1 Aangezien het monistische bestuursmodel wereldwijd het leidende model is, was de keuze uit te onderzoeken rechtsstelsels groot.2 Uiteindelijk is de keuze op het Engelse en Nederlands-Caribische recht gevallen.3 Zo wordt enerzijds een rechtsstelsel bestudeerd waarin het monistische bestuursmodel van oudsher vigeert, namelijk het Engelse, en anderzijds een rechtsstelsel waarin het monistische bestuursmodel van meer recente datum is, het Nederlands-Caribische.
Voor de invoering van het monistische bestuursmodel in het Nederlandse ondernemingsrecht heeft de wetgever zich naar eigen zeggen laten inspireren door het Anglo-Amerikaanse one tier-bestuursmodel.4 Ondanks dat de Companies Act 2006 met geen woord rept van een one tier board, is het monistische bestuursmodel sinds jaar en dag het standaardmodel voor de inrichting van bestuur en toezicht in Engeland.5 Een vergelijking met het Engelse recht is bij het zoeken naar antwoorden met betrekking tot de Nederlandse niet-uitvoerende bestuurder dan ook onontbeerlijk.6
Ik had om dezelfde reden ook de Verenigde Staten in mijn onderzoek kunnen betrekken.7 Toch heb ik dat niet gedaan. De reden is dat de Amerikaanse variant van het one tier-model wezenlijk anders functioneert dan het Nederlandse en Engelse model.8 Cadbury formuleerde zulks treffend:
“Although (…) both the UK and the US have the same boardmodel, they function very differently. In the UK, the board is in charge, it is essentially a collegiate body reaching its decisions by consensus, and the CEO reports to it. In the US, the CEO is normally in charge supported by the board.”9
Waar in Nederland en Engeland collegialiteit van bestuur het uitgangspunt is,10 is in de Verenigde Staten van oudsher een dominante rol weggelegd voor de Chief Executive Officer, die vaak ook nog de functie van chairman vervult.11 Tegen deze achtergrond meen ik – net als Timmerman – dat het Engelse one tier-model een belangrijkere en meer voor de hand liggende inspiratiebron is dan de Amerikaanse variant daarvan.12
Naast Engeland werp ik in dit boek een blik op de Caribische delen van het Koninkrijk. De keuze voor het Nederlands-Caribische recht is ingegeven door het feit dat deze rechtsstelsels enerzijds nauw verwant zijn aan het Nederlandse,13 maar anderzijds ook Anglo-Amerikaanse invloeden kennen.14 Het verbaast dan ook niet dat het monistische bestuursmodel in de Caribische delen van het Koninkrijk eerder een wettelijke grondslag had dan in Nederland.15 Bovendien is het Nederlands-Caribische recht doorgaans flexibel en op de praktijk gericht.16 De Nederlands-Caribische regeling kan daardoor mogelijk inspiratie bieden bij het invullen van lacunes en het vinden van oplossingen van de knelpunten in de Nederlandse wettelijke regeling.
Omdat in dit boek de Nederlandse niet-uitvoerende bestuurder centraal staat, vindt de externe rechtsvergelijking op een geïntegreerde wijze plaats. Dit houdt in dat het Engelse en Nederlands-Caribische recht niet in afzonderlijke hoofdstukken worden besproken, maar per te bespreken onderwerp worden behandeld.17 De rechtsvergelijking heeft zo een functioneel karakter. Waar interessant, werp ik een blik op het Engelse en Nederlands-Caribische recht. Indien bijvoorbeeld een oplossing van een in Nederland levende vraag of onduidelijkheid kan worden gevonden in de in Engeland of de Caribische delen van het Koninkrijk gekozen weg, komt die weg aan bod.