Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.3.2
3.3.2 Het indienen van een klacht als in art. 164 Sv
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946120:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1901 (Deel V), p. 293.
Lindenberg 2002, p. 177-178.
HR 29 juni 1914, NJ 1914, p. 1079.
HR 11 januari 1994, NJ 1994/278.
HR 11 januari 1994, NJ 1994/278, r.o. 5.5.
HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:380.
Zie bijvoorbeeld HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:AQ4289; HR 5 januari 2010, NJ 2010/46; Hof Den Haag 23 februari 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AV2588 en Rb. Midden-Nederland 8 mei 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9711.
HR 2 november 1993, NJ 1994/197.
HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9970.
Dit wordt nogmaals benadrukt in HR 22 april 1997, NJ 1997/546, r.o. 5.5 en 5.6.
HR 18 februari 1992, NJ 1992/545. Het verzuim kon worden toegerekend aan de opsporingsambtenaar die de aangifte en klacht opnam. Daarbij speelde een rol dat de aangifte wel door de klachtgerechtigde was ondertekend.
HR 16 juni 1953, NJ 1953/618. Het betrof een klacht inzake smaad, waarna is vervolgd voor eenvoudige belediging.
HR 22 april 1986, NJ 1986/827.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 498.
Art. 164 Sv schrijft voor dat een klacht bestaat uit een aangifte met een verzoek tot vervolging. In hoofdstuk 2 is aandacht besteed aan de discussie die voorafging aan de invoering van deze strafvorderlijke bepaling. Die discussie spitste zich toe op de vraag of de invulling van het begrip klacht een onderwerp van materieelrechtelijke of formeelrechtelijke aard betrof. Ledeboer stelde – in lijn met de memorie van toelichting bij het Wetboek van Strafrecht uit 18861 – dat sprake is van een materieelrechtelijk begrip, waarvan de nadere duiding in de betekenistitel van het Wetboek van Strafrecht zou moeten geschieden.2 Desondanks is de klacht gedefinieerd in de hierboven vermelde procesrechtelijke bepaling in het Wetboek van Strafvordering. Deze dogmatische discussie laat onverlet dat het belang van die bepaling hoofdzakelijk is gelegen in de wisselwerking met de materieelrechtelijke bepalingen waaruit volgt dat specifieke misdrijven slechts (succesvol) kunnen worden vervolgd op klacht. Tegen deze achtergrond moet worden nagegaan wat tegenwoordig in de rechtspraktijk wordt geaccepteerd als een klacht.
Uit de jurisprudentie volgt dat de rechter niet strak de hand houdt aan de in art. 164 Sv beschreven definitie van een klacht. Al in 1914 bepaalde de Hoge Raad dat het ontbreken van een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging niet fataal hoeft te zijn. De Hoge Raad oordeelde dat de aangifte die als klacht is bedoeld toch als zodanig kan worden aangemerkt, indien de bedoeling van de klager dat vervolging wordt ingesteld duidelijk uit het geschrift blijkt.3
Die bedoeling van de klachtgerechtigde vormt de rode draad in de jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 164 Sv. Nadien is namelijk ook geaccepteerd dat, indien een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging niet uit de aangifte of een ander stuk blijkt, op een later moment kan worden vastgesteld dat de klachtgerechtigde de bedoeling had dat zou worden vervolgd. Dit volgt uit een zaak uit 1994 die ziet op een militair die aangifte doet van eenvoudige belediging, nadat zijn meerderen het wenselijk vonden dat hij aangifte zou doen.4 De verdediging wijst in hoger beroep erop dat uit de stukken geen wens tot vervolging blijkt. Het gerechtshof stelt dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat het doen van een aangifte/klachte een verzoek tot vervolging inhoudt, tenzij uitdrukkelijk het tegendeel blijkt. De Hoge Raad gaat hierin gelukkig niet mee. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten dat de wetgever heeft gewild dat elke aangifte als een klacht heeft te gelden, tenzij uitdrukkelijk het tegendeel blijkt. Bovendien kan een aangifte met een ander doel zijn ingediend, dan het uiten van de wens tot vervolging. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn met het oog op de vergoeding van de schade door de verzekering.
De Hoge Raad casseert in bovenvermelde zaak en wijst erop dat het bepaalde in art. 164 Sv ertoe strekt te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. In een overweging ten overvloede opent de Hoge Raad echter de deur voor een verdergaande relativering van het in art. 164 Sv bepaalde. De Hoge Raad voegt toe dat
‘indien een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in het eerste lid van art. 164 Sv kan worden aangenomen indien op grond van het onderzoek ter terechtzitting komt vast te staan dat de klager ten tijde van het opmaken van het bedoelde stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld’.5
De verstrekkende relativering die deze toevoeging met zich brengt, wordt goed geïllustreerd door een zaak waarover de Hoge Raad in 2014 besliste.6 In die zaak is in september 2009 aangifte gedaan van afpersing en afdreiging, maar een klacht inzake afdreiging ontbrak. De verdachten worden desondanks vervolgd voor afdreiging, waarna de rechtbank op 14 december 2009 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaart in de vervolging vanwege het ontbreken van een klacht. Twee dagen later wordt een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, waarin de verbalisant relateert dat in de aangiftes in deze zaak door de aangevers geen klacht is gedaan. Vervolgens is uiteengezet dat de aangevers op 16 december 2009 nogmaals zijn gehoord, zodat zij hun bedoelingen bij het doen van de aangifte duidelijk konden maken. De aangevers hebben in dat verhoor te kennen gegeven dat zij met het doen van aangifte de bedoeling hadden dat de verdachten vervolgd zouden worden. Het gerechtshof stelt bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vast dat de aangiften geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhouden, maar oordeelt dat niet-ontvankelijkheid achterwege blijft, omdat vaststaat dat beide klachtgerechtigden de bedoeling hadden dat vervolging zou worden ingesteld. Daaraan doet niet af dat die bedoeling pas is gebleken na niet-ontvankelijkheidverklaring in eerste aanleg. Dit oordeel houdt stand in cassatie. Dat de klachtgerechtigde de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld, kan dus blijken in een bijzonder laat stadium. Zelfs nadat die vervolging al niet-ontvankelijk is geoordeeld.
Het arrest uit 1994 is niet alleen van belang voor het moment waarop de wens tot vervolging kan worden vastgesteld, maar brengt tevens met zich dat de rechter acht kan slaan op andere stukken dan de aangifte bij de beantwoording van de vraag of de klachtgerechtigde beoogde dat de dader zou worden vervolgd. Het gaat erom dat de bedoeling van de klachtgerechtigde wordt vastgesteld op het onderzoek ter terechtzitting. Sindsdien is de bedoeling van de klachtgerechtigde onder andere afgeleid uit getuigenverklaringen en latere verhoren van de klachtgerechtigden, uit klaagschriften ex art. 12 Sv en uit slachtofferverklaringen.7 Daarbij wordt – tegenwoordig meer dan vroeger – genoegen genomen met een impliciet gebleken wens tot vervolging. Dit kan goed worden geïllustreerd door te wijzen op een tweetal beledigingszaken. In 1993 ging de Hoge Raad niet mee in de stelling van het gerechtshof dat het enkele opstellen van een proces-verbaal waarin een belediging is beschreven door agenten (die als klachtgerechtigden van die belediging hadden te gelden) voldoende is voor de vaststelling dat een vervolging is gewenst.8 In 2012 oordeelde de Hoge Raad daarentegen dat de klacht van een beledigde agente wel kon worden gelezen in een door haarzelf opgesteld proces-verbaal van bevindingen.9
Er is dus sprake van een verregaande relativering van de eisen die op grond van art. 164 Sr aan een klacht worden gesteld. Voor het bestaan van een klacht is een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging niet noodzakelijk. Daarvoor volstaat de vaststelling dat de klachtgerechtigde de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld. Daarbij wordt geaccepteerd dat, indien een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging niet uit de aangifte blijkt, ook op een later moment en op basis van andere bronnen dan de aangifte de bedoeling van de klachtgerechtigde kan worden vastgesteld. Een belangrijk aspect van de redenering van de Hoge Raad betreft de toevoeging dat moet blijken dat ten tijde van het opmaken van het stuk die bedoeling bij de klachtgerechtigde bestond.10 Zonder die toevoeging zou in stevige mate afbreuk worden gedaan aan de in art. 66 Sr gestelde klachttermijn. Het gaat er dus om dat de rechter vaststelt dat binnen de klachttermijn door de klachtgerechtigde op enigerlei wijze uiting is gegeven aan de wens tot vervolging, bijvoorbeeld door het doen van aangifte.
De weinig formalistische benadering in de rechtspraktijk beperkt zich niet tot de wijze waarop kan blijken dat de klachtgerechtigde de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld. Zo kan onder bepaalde omstandigheden bijvoorbeeld ook een niet-ondertekende klacht worden geaccepteerd.11 Aan de geldigheid van een klacht doet evenmin af dat de gedraging in de klacht van de verkeerde juridische kwalificatie is voorzien.12 De Hoge Raad overwoog in een andere zaak dat de klacht in het geheel geen juridische kwalificatie behoeft te bevatten en dat, indien de klacht toch een juridische kwalificatie bevat, desondanks voor andere klachtdelicten kan worden vervolgd die onder het in de klacht beschreven feitencomplex kunnen worden begrepen.13
Onder de streep blijkt dat het de rechter niet te doen is om een klacht die formeel aan alle eisen voldoet. Centraal staat de vraag of in voldoende mate is gebleken dat de klachtgerechtigde de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld. Het is verdedigbaar dat formele verzuimen worden gepasseerd, indien die bedoeling voldoende is gebleken. De regeling van klachtdelicten strekt immers hoofdzakelijk ter bescherming van de belangen van de klachtgerechtigde in die zin dat een ongewenste rechtsgang uitblijft, indien de klachtgerechtigde niet klaagt. Toch moet over het passeren van vormvereisten niet al te makkelijk worden gedacht nu de voorschriften ten aanzien van de klacht niet uitsluitend zijn gericht op de belangen van de klachtgerechtigde en niet alleen diens belangen worden geraakt door de soepele wijze waarop de vormvereisten ten aanzien van de klacht worden benaderd. Zo is de klachttermijn mede in het leven geroepen om te voorkomen dat de klachtgerechtigde een wettelijk zwaard tegen een ander in handen wordt gegeven, waarvan gedurende de volledige verjaringstermijn gebruik kan worden gemaakt.14 De klachttermijn strekt dan ook (mede) ter bescherming van de verdachte. Dit maakt dat het van belang blijft om secuur vast te stellen dat is gebleken dat de klachtgerechtigde de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld en dat – met het oog op de klachttermijn – tevens aandacht moet blijven bestaan voor het moment waarop de klachtgerechtigde uitvoering heeft gegeven aan die bedoeling.