Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/3.6
3.6 Het risico van ‘firm specific investments’
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410229:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Smith 1776.
Klein, Coffee & Partnoy 2010, p. 47, geven deze visie van Adam Smith als volgt weer: “[M]anagers and (even more so) lower-level employees are inputs hired from a fungible set of similar inputs and plugged into the production process. Such inputs can easily be replaced. On the other side of the coin, the people supplying those inputs can easily sell their services to other firms. They are not subject to the risks of the firm […]. If the owners of the firm exercise control unwisely and the firm is forced out of business, or if the owners decide, in their own interests, to alter the production process in a way that results in firing some employees, the employees simply fit themselves into the production process of another firm.”
Zie over firm specific investments in het ondernemingsrecht Blair 2003 en Blair & Stout 1999.
Easterbrook & Fischel 1991, p. 53: “Human capital […] is notoriously difficult to diversify. Managers who have firm-specific investments of human capital cannot diversify the risk of business failure.”
Halpern, Trebilcock & Turnbull 1980, p. 149.
Myers 2000.
Zie Blair & Stout 2005. Zie ook Blair 2003 en Blair & Stout 1999.
Stout 2003, p. 699, overweegt: “[F]or some reason, participants in public corporations – including investors – value director primacy. Just as the legendary Ulysses served his own interests by binding himself to the mast of his ship, investors may be serving their own interests by binding themselves to boards”. Blair en Stout lijken in hun publicaties met name de beursgenoteerde vennootschap op het oog te hebben, en geven aan dat hun theorie in mindere mate van toepassing is op de vennootschap met slechts één aandeelhouder. De theorie lijkt echter eveneens van toepassing op niet beursgenoteerde, maar wel (vanwege de aard en omvang van hun activiteiten) geïnstitutionaliseerde nietgenoteerde vennootschappen.
Blair & Stout 2005, p. 19.
Blair & Stout 2005, p. 28.
Aan de voorgaande analyse ligt de impliciete gedachte ten grondslag dat het belang van een bij de vennootschap betrokken partij zich beperkt tot zijn (geldelijke) belang bij de voldoening van zijn vordering op de vennootschap. In de terminologie van de contractarians: de input van partijen wordt verondersteld kwantificeerbaar te zijn en te bestaan uit de financiële exposure van de partij op de vennootschap. Zo gaat de contractuele visie, in navolging van Adam Smith, uit van de gedachte dat de werknemers van de vennootschap slechts een beperkt belang hebben bij de continuïteit van de onderneming, nu hun loonvorderingen maandelijks worden voldaan en hun blootstelling in faillissement daarom beperkt zal zijn.1 Ontslagen werknemers zouden daarnaast de volgende dag bij een andere onderneming aan de slag kunnen.2
In de economische literatuur wordt inmiddels breed onderkend dat deze redenering te kort door de bocht gaat. Sommige werknemers doen wel degelijk investeringen in het bedrijf waarvoor zij werken: zij richten zich bij de ontwikkeling van hun kennis en kwaliteiten op de behoeften van de onderneming waarvoor zij werken. Deze kennis en kwaliteiten kunnen niet zonder meer ten behoeve van een andere onderneming worden aangewend; men spreekt van een firm specific investment.3 De firm specific investment van werknemers is naar zijn aard niet te diversifiëren.4
Halpern, Trebilcock en Turnbull overwegen:
“[E]mployees, as a class, probably face the most severe informational disabilities, have the least ability to diversify risk of business failure, and may have the strongest equity argument (in terms of relative capacity to absorb losses).”5 Myers stelt in gelijke zin:”I should not leave the impression that all of the cash flow generated by a mature firm should go to outside investors. There are also inside investors, namely managers and employees. The insiders’ investment comes in the form of personal risk-taking, sweat equity (working extra-hard for less than an opportunity wage) and by specialization of human capital to the firm. So a general financial theory of the firm would model the coinvestment of human and financial capital.”6
Ook handelscrediteuren kunnen investeringen doen in hun relatie met de vennootschap die niet tot uitdrukking komen in een concrete vordering op de vennootschap. Net als de werknemers hebben zij daarom doorgaans niet alleen belang bij de voldoening van hun opeisbare vorderingen, maar met name bij voortduring van hun relatie met de vennootschap. De externaliteiten van een inadequate financieringsstructuur beperken zich daarom niet noodzakelijkerwijs tot de onbetaalde vorderingen van deze partijen.
De betekenis van firm specific investments voor het ondernemingsrecht is primair onder de aandacht gebracht door de juristen Blair en Stout – twee criticasters van het in de VS dominante shareholder primacy model.7 Op basis van een team production theory betogen zij dat voor een succesvolle onderneming doorgaans firm specific investments van alle partijen nodig zijn, die meestal pas na verloop van tijd tot een rendement leiden. Als een van de partijen, zoals bijvoorbeeld een aandeelhouder, in staat zou zijn om vroegtijdig zijn investering te onttrekken (of daarmee zou kunnen dreigen), zouden economisch en maatschappelijk wenselijke (langetermijn-)investeringen niet plaatsvinden. Dit is volgens Blair en Stout de reden dat (onder het Amerikaanse recht) het bestuur bevoegd is over de vaststelling van de winst en uitkeringen aan aandeelhouders te besluiten; door de onderneming te drijven in de vorm van een kapitaalvennootschap binden alle daarbij betrokken partijen hun handen;8 Blair en Stout spreken van ‘capital lock-in’.9 Met name bij grote ondernemingen met een geïnstitutionaliseerd karakter, moet het bestuur daarom het bijeengebrachte vermogen aanwenden ten behoeve van de gezamenlijke doelstelling van het team.
Blair en Stout overwegen:
“[T]eam production analysis emphasizes how shareholders’ capital must be locked in and controlled by boards not only to protect shareholders’ interests, but also to protect the interests of other team members that have made specific investments (e.g., employees, creditors, and customers who may have made past contributions of time and effort, invested in specialized relationships, skills, and loyalties, or acquired knowledge of particular firm processes and products). […] [D] irectors are […] “mediating hierarchs” who must balance the competing needs and demands of shareholders, creditors, customers, suppliers, executives, rank-and-file, and even the local community, in a fashion that protects specific investments in the corporation and keeps the corporation alive, healthy, and growing.”10