Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/3.9:3.9 Conclusie
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/3.9
3.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402350:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wettelijke regeling van de kapitaalvennootschap voorziet in een standaard risicoallocatie tussen de aandeelhouders en crediteuren van de vennootschap, die mede in zich draagt dat risico’s in meer of mindere mate worden geëxternaliseerd. Deels is dat een bewuste en – vanuit een algemeen welvaartsperspectief – gerechtvaardigde keuze. Uit de economische analyse van het ondernemingsrecht blijkt echter ook dat deze risicoallocatie aandeelhouders in staat stelt om onder omstandigheden crediteuren onevenredig te benadelen, doordat de vennootschap wordt ondergekapitaliseerd, daaraan vermogen wordt onttrokken of haar risicoprofiel – bijvoorbeeld door het aantrekken van vreemd vermogen – wordt gewijzigd. Het is daarbij van belang om onderscheid te maken tussen de verschillende schuldeisers en de verschillende handelingen van de aandeelhouder ter zake van de financiering van de vennootschap. De nadelen voor de vennootschapscrediteuren moeten worden afgewogen tegen het voordeel van een wettelijke regeling die ondernemende activiteiten – die naar hun aard een onzeker en dus risicovol karakter hebben – te stimuleren. De financieringsvrijheid van aandeelhouders gaat echter niet zo ver, dat de aandeelhouder bewust alle kosten mag externaliseren naar de de overige bij de vennootschap betrokken partijen. Het recht dient hier grenzen te stellen. Die grenzen zijn het onderwerp van dit boek en de volgende hoofdstukken daarvan.