Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/5.2
5.2 Beperkte terugwerkende kracht
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491135:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Handboek Erfrecht 2020/II.8.2; Boelens 2015, p. 232-234; Luijten, Erfrecht (Mon. BW nr. B18) 2012/19; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/817; Kolkman 2006, p. 244-245; rb. ’s-Gravenhage 9 januari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF0192(Kramer/Eenens q.q.). Vgl. Asser/Perrick 4 2021/501a-502, 531; Perrick 2016, p. 154-155; Perrick 2011, p. 297-298, 323; Perrick 2000, p. 238. Zie voor het oude recht: Suijling-Dubois VI 1931, nr. 225 e.v., met verwijzingen naar andere literatuur.
Dat is zo, omdat privé-schuldeisers van een erfgenaam in beginsel geen verhaal kunnen nemen op zijn onverdeelde aandelen in de goederen van de nalatenschap (art. 3:190 lid 1 BW). Schuldeisers van de nalatenschap kunnen de goederen van de nalatenschap uitwinnen (art. 3:192 en 4:184 lid 1 BW). Indien de wettelijke verdeling van toepassing is (art. 4:13 BW), volgt uit art. 4:14 lid 2 BW dat de nalatenschap een afgescheiden vermogen vormt. Zie daarover: Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 575, 628; J.B. Vegter 2021, p. 596; Handboek Erfrecht 2020/II.8.2; Boelens 2020, p. 32; Boelens 2015, p. 230-234; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/819; Kolkman 2006, p. 243-246; Steneker 2005, p. 96-97; Suijling-Dubois VI 1931, nr. 245. Vgl. Asser/Perrick 4 2021/501a-502; Perrick 2011, p. 297-298, 319; Perrick 2000, p. 237-238. Zie voor een nuancering voor de schuldvermenging: J.B. Vegter 2005, p. 357-358. Vgl. ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 591.
Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 964-965; Asser/Perrick 4 2021/531; Handboek Erfrecht 2020/XII.5; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/818-819; Steneker 2005, p. 135-136. Schuldeisers van de nalatenschap kunnen zich (in beginsel) alleen verhalen op de nalatenschap, niet op het privé-vermogen van erfgenamen (art. 4:184 lid 1 en lid 2, aanhef en onder a BW). Schuldeisers van de nalatenschap kunnen bovendien bij voorrang boven privé-schuldeisers van de erfgenamen verhaal nemen op de goederen van de nalatenschap (art. 4:224 BW).
HR 11 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0680(Caspers/Rijpma); Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 591; Asser/Perrick 4 2021/753; Steneker 2005, p. 105-106; Meijers 1948, p. 193-194.
Bij benoeming van een vereffenaar wordt de nalatenschap vereffend volgens de regels van afdeling 4.6.3 BW (art. 4:202 lid 1, aanhef en onder b BW). In dat geval kunnen privé-schuldeisers van de erfgenaam pas verhaal nemen op de goederen van de nalatenschap nadat de bekende schuldeisers van de nalatenschap zijn voldaan (art. 4:224 BW). Vanwege dit afwijkende verhaalsregime vormt de nalatenschap een afgescheiden vermogen. Zie: Handboek Erfrecht 2020/II.8.2; Kolkman 2006, p. 244. Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 981-982; Asser/Perrick 4 2021/502, 531; Perrick 2016, p. 154-155; Perrick 2011, p. 297-298, 323; Perrick 2000, p. 238. Het oude recht kende de mogelijkheid boedelafscheiding te verzoeken (art. 1153 oud BW) of de nalatenschap failliet te laten verklaren (art. 198 Fw oud). De regeling van art. 4:204 lid 1, aanhef en onder b BW is daarvoor in de plaats gekomen (Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 981-982). Zie over het oude recht: Polak-Wessels I 1999, §1162 e.v.; Asser/Perrick 6 1996/353 e.v.; Suijling-Dubois VI 1931, nr. 226 e.v.; Van der Feltz II, p. 270 e.v.
Een nalatenschap wordt niet vereffend volgens afdeling 4.6.3 BW: (1) als de enig erfgenaam de nalatenschap ‘alsnog’ beneficiair aanvaardt en is voldaan aan de vereisten van art. 4:202 lid 1 onder a BW; of (2) als de kantonrechter aan de enig erfgenaam ontheffing heeft verleend om te vereffenen volgens de wet (art. 4:202 lid 2 BW). Dan is geen sprake van vermogensafscheiding en geldt het navolgende niet.
Onder bewind gestelde goederen vormen een afgescheiden vermogen. Zie: HR 11 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0680 (Caspers/Rijpma); Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 591; Asser/Perrick 4 2021/753; Steneker 2005, p. 105-106; Meijers 1948, p. 193-194.
Asser/Perrick 4 2021/531. Vgl. voor de schuldvermenging: Perrick 2016, p. 154-155; Boelens 2015, p. 234; Perrick 2011, p. 298, voetnoot 108.
Een vereffenaar kan onder andere worden benoemd als de nalatenschap niet behoorlijk wordt beheerd of afgewikkeld (art. 4:204 lid 1, aanhef en onder b BW). Volgens de parlementaire geschiedenis is daarvan bijvoorbeeld sprake als de erfgenaam de goederen van de nalatenschap met zijn overig vermogen ‘vermengt’ (Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 983). Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat bij benoeming van een vereffenaar wel met terugwerkende kracht geen vermenging optreedt, zodat de vermenging ongedaan gemaakt wordt. Uit de context lijkt echter te volgen dat wordt gedoeld op oneigenlijke vermenging, althans dat de erfgenaam de goederen van de nalatenschap niet gescheiden houdt van zijn privé-goederen, en niet op de vermenging van art. 3:81 lid 2, aanhef en onder e BW. Vgl. HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504.
Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen, Hartkamps Compendium van het vermogensrecht 2017/16; Hartkamp, Aard en opzet vermogensrecht (Mon. BW nr. A1) 2017/21; Asser/Sieburgh 6-I 2020/183; Hartkamp 1991, p. 868.
B.E. Reinhartz, Groene Serie Erfrecht, art. 4:190 BW, aant. 12 (online, actueel t/m 1 oktober 2019); Meijers 1948, p. 190-191; Suijling-Dubois VI 1931, nr. 18, voetnoot 3.
Dat zijn: schuldeisers van de nalatenschap, de erfgenaam, degenen die rechten hebben verkregen in de tussenperiode en beslagleggers. Alsmede het belang dat met het bewind wordt gediend.
Meijers 1948, p. 237.
HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351(Forward/Huber); HR 23 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2496(DKHB/KIVO); Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/417-420.
HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052(De Leeuw/Pinoccio). Vgl. Asser/Sieburgh 6-II 2017/410.
De aanwijzing van een Nacherbe vertoont overeenkomsten met een voorwaardelijke erfstelling en een erfstelling onder tijdsbepaling (art. 4:136 BW).
Jauernig/Stürner BGB 2021, §2143, Rn. 1; Palandt/Weidlich 2020, §2143 Rn. 1; MüKoBGB/Grunsky 2017, BGB §2143 Rn. 2; Staudinger/Avenarius BGB 2019, §2143, Rn. 4.
Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 983.
53. De goederen van een erflater gaan door erfopvolging onder algemene titel over op de erfgenaam (art. 3:80 lid 2 en 4:182 lid 1 BW). Heeft een erflater een beperkt recht op een goed van de erfgenaam of andersom, dan gaat het beperkte recht in beginsel als gevolg van de erfopvolging door vermenging teniet.1 Geen vermenging treedt echter op, als de nalatenschap een afgescheiden vermogen vormt. Nalatenschappen met meerdere erfgenamen,2 beneficiair aanvaarde nalatenschappen (art. 4:200 lid 2 BW)3 en onder bewind gestelde goederen (art. 4:175 BW)4 vormen een afgescheiden vermogen.
In de gevallen waarin een nalatenschap een afgescheiden vermogen vormt, wordt de nalatenschap in beginsel meteen bij het overlijden afgescheiden van het privé-vermogen van de erfgenaam.5 In drie gevallen wordt de nalatenschap echter pas op een later moment afgescheiden. In die gevallen is het de vraag of beperkte rechten die in eerste instantie als gevolg van de erfopvolging door vermenging teniet zijn gegaan, achteraf gezien – als gevolg van de vermogensafscheiding – toch zijn blijven voortbestaan. Het betreft de volgende situaties:
een enig erfgenaam heeft een nalatenschap zuiver aanvaard. Vervolgens benoemt de rechtbank een vereffenaar (art. 4:204 en 4:205 BW). Vereffening heeft tot gevolg dat de nalatenschap een afgescheiden vermogen vormt (art. 4:224 BW);6
een enig erfgenaam aanvaardt een nalatenschap in eerste instantie zuiver. Op een later moment aanvaardt de erfgenaam de nalatenschap ‘alsnog’ beneficiair (art. 4:194 en 4:194a BW);7
een nalatenschap heeft één erfgenaam. De erflater heeft bepaald dat een testamentair bewind niet intreedt bij het overlijden, maar op een later moment (art. 4:153 lid 2 BW).8
Het optreden van vermenging zou in deze gevallen kunnen worden voorkomen door terugwerkende kracht toe te kennen tot het overlijden van de erfgenaam, aan de benoeming van de vereffenaar, de beneficiaire aanvaarding, dan wel het intreden van het bewind. Voor ‘gewone’ gevallen waarin een nalatenschap wordt aanvaard, heeft die aanvaarding terugwerkende kracht (art. 4:190 lid 4 BW). Vraag is of ook het ‘alsnog’ beneficiair aanvaarden van een nalatenschap en de andere genoemde gevallen terugwerkende kracht hebben. Volgens Perrick heeft de benoeming van een vereffenaar terugwerkende kracht.9
In de wet of de parlementaire geschiedenis zijn echter geen aanwijzingen te vinden voor het aannemen van terugwerkende kracht.10 In het burgerlijk recht wordt verder terughoudend omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht aan rechtshandelingen.11
Het niet-aannemen van terugwerkende kracht zou wel onbevredigend zijn voor schuldeisers van de nalatenschap, als de erflater een beperkt recht had op een goed van zijn erfgenaam. Zij kunnen geen verhaal nemen op het beperkte recht, omdat het door vermenging teniet is gegaan. Evenmin zou het beperkte recht onder het bewind vallen. Daar staat echter tegenover, dat schuldeisers van de nalatenschap verhaal zouden kunnen nemen op de onbezwaarde eigendom, als de erfgenaam een beperkt recht had op een goed van de erflater.
Wat betreft de benoeming van een vereffenaar is nog het volgende van belang. In art. 4:202 lid 1 BW worden twee gevallen genoemd waarin een nalatenschap dient te worden vereffend: bij beneficiaire aanvaarding en bij benoeming van een vereffenaar. Alleen bij beneficiaire aanvaarding bepaalt de wet dat beperkte rechten niet door vermenging tenietgaan (art. 4:200 lid 2 BW); bij benoeming van een vereffenaar bepaalt de wet dat niet. Bij vereffening van een nalatenschap is echter wel steeds sprake van verhaalspreferentie (art. 4:224 BW), en daarmee ook van vermogensafscheiding.
Bij het alsnog beneficiair aanvaarden van een nalatenschap behoort naar mijn mening art. 4:190 lid 4 BW niet te worden toegepast. Volgens die bepaling heeft een aanvaarding of verwerping van een nalatenschap terugwerkende kracht tot het openvallen van de nalatenschap. De bepaling heeft tot doel ervoor te zorgen dat de erfenis vloeiend overgaat van de erflater op de erfgenamen. Voorkomen wordt dat niemand gerechtigd zou zijn tot de nalatenschap in de periode tussen het overlijden en de aanvaarding.12 Dat probleem speelt niet, als een nalatenschap die aanvankelijk zuiver was aanvaard, op een later moment alsnog beneficiair wordt aanvaard. Bij het alsnog beneficiair aanvaarden, verschiet de aanvaarding van kleur: van zuiver naar beneficiair. Het woord ‘alsnog’ duidt er ook op dat de beneficiaire aanvaarding niet terugwerkt.
Het toekennen van terugwerkende kracht zou wel tot moeilijkheden leiden, als de erfgenaam beschikkingshandelingen heeft verricht in de periode tussen het overlijden en het moment waarop de vereffenaar wordt benoemd, de nalatenschap alsnog beneficiair wordt aanvaard dan wel het bewind intreedt (hierna: de tussenperiode). Is de erfgenaam met terugwerkende kracht beschikkingsonbevoegd over de goederen die tot het afgescheiden vermogen behoren (vgl. art. 4:167 en 4:211 lid 2 BW)?13
54. Op de volgende manier kan een evenwicht worden gevonden tussen de belangen van de verschillende betrokkenen.14 In beginsel hebben de benoeming van de vereffenaar, het alsnog beneficiair aanvaarden en de ingang van het bewind, terugwerkende kracht. Dat is echter anders, voor zover in de tussenperiode beschikkingshandelingen zijn verricht met goederen van de nalatenschap. Beschikkingshandelingen in de tussenperiode blijven geldig. De nalatenschap wordt ‘gereconstrueerd’ ten behoeve van de vereffening, zonder afbreuk te doen aan door derden verkregen rechten. Op deze manier wordt gepaste terughoudendheid betracht bij het toekennen van terugwerkende kracht.
Een dergelijke gematigde toepassing van terugwerkende kracht is niet ongebruikelijk. Meijers schrijft in zijn Algemene Begrippen:
“Het zijn geen logische, maar praktische en billijkheidsmotieven, die zich ten slotte tegen een te strenge doorvoering van een terugwerkende kracht verzetten.”15
Drie voorbeelden. Een beslag herleeft met terugwerkende kracht als een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis waarin een beslag is opgeheven, wordt vernietigd. Wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed in de periode tussen de opheffing en de vernietiging, moeten echter geëerbiedigd worden.16
A wordt bij vonnis veroordeeld tot betaling van een geldsom aan B. A betaalt aan B. Zes jaar later wordt het vonnis vernietigd. A vordert de geldsom terug van B uit hoofde van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). Kan B zich erop beroepen dat de vijfjarige verjaringstermijn voor de vordering uit onverschuldigde betaling inmiddels is verstreken (art. 3:309 BW), omdat achteraf gezien nooit een rechtsgrond heeft bestaan voor de betaling? Dat is niet het geval. Volgens de Hoge Raad reikt de terugwerkende kracht van de vernietiging van het vonnis niet zo ver.17
Bij bekrachtiging van een rechtshandeling worden eveneens ‘inmiddels’ door derden verkregen rechten geëerbiedigd (art. 3:58 lid 3 BW).
Degenen die beperkte rechten hebben verkregen in de tussenperiode worden beschermd door rangwisseling. A is enig erfgenaam van B. Tot de nalatenschap behoort een recht van erfpacht, dat rust op een onroerende zaak van A. Hij aanvaardt de nalatenschap aanvankelijk zuiver. A vestigt een hypotheek op de onroerende zaak ten gunste van C. Hierna aanvaardt A de nalatenschap alsnog beneficiair. Achteraf gezien is de erfpacht niet door vermenging tenietgegaan. De erfpacht heeft echter een lagere rang dan de hypotheek. Een vergelijkbare constructie is te vinden in art. 3:86 lid 2 en 3:238 lid 2 BW.
Het Duitse erfrecht kent een vergelijkbare rangwisseling bij de figuur van de Vorerbe en Nacherbe. Daarbij benoemt een erflater twee personen tot erfgenaam. De Vorerbe wordt in eerste instantie erfgenaam. De Nacherbe wordt erfgenaam bij het overlijden van de Vorerbe of op een ander door de erfgenaam bepaald moment (§2106 en 2139 BGB).18 Zijn beperkte rechten door vermenging tenietgegaan als gevolg van de overgang van de nalatenschap naar de Vorerbe, dan ‘gelden’ deze beperkte rechten als niet-tenietgegaan zodra de Nacherbe erfgenaam wordt (§2143 BGB). Dat als niet-tenietgegaan ‘gelden’ heeft echter geen terugwerkende kracht. De beperkte rechten die als niet-tenietgegaan ‘gelden’, nemen rang ná beperkte rechten die de Vorerbe heeft gevestigd.19
55. Naar mijn mening behoort geen verdere terugwerkende kracht te worden aangenomen dan ik hiervoor heb beschreven. Het intreden van de vermogensafscheiding behoort niet te worden tegengeworpen aan de erfgenaam en zijn wederpartij, als zij rechtshandelingen hebben verricht in de tussenperiode. Aan hen kan in beginsel geen verwijt worden gemaakt. Daarom behoren zij geen nadelige gevolgen te ondervinden van de vermogensafscheiding.
Doorgaans komt in het burgerlijk recht terugwerkende kracht aan de orde, als een rechtshandeling wordt vernietigd, omdat is gehandeld op grond van bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden, dwaling of de actio Pauliana (art. 3:44, 3:45, 3:53 en 6:228 BW). Van iets dergelijks is geen sprake bij de benoeming van een vereffenaar, het alsnog beneficiair aanvaarden van een nalatenschap of testamentair bewind. Daarom lijkt mij een gematigde terugwerkende kracht gepast. Als wel een uitgebreidere terugwerkende kracht zou worden aangenomen, zou het voorts de vraag zijn of derden te goeder trouw beschermd zouden moeten worden. Daarbij zou de vraag rijzen, ten aanzien waarvan zij te goeder trouw dienen te zijn. Dat lijkt mij lastig te bepalen, omdat de benoeming van een vereffenaar of het alsnog beneficiair aanvaarden, een toekomstige gebeurtenis is, en niet voorzienbaar behoeft te zijn. Uit de parlementaire geschiedenis lijkt ook te volgen dat de benoeming van een vereffenaar vooral is bedoeld om wanbeleid bij de afwikkeling van een nalatenschap een halt toe te roepen, en niet om reeds verrichte rechtshandelingen met terugwerkende kracht ongeldig te laten zijn.20 De actio Pauliana (art. 3:45 BW) kan – als aan de vereisten daarvoor is voldaan – worden toegepast als een erfgenaam in de periode vóór de benoeming van de vereffenaar, het alsnog beneficiair aanvaarden of het intreden van testamentair bewind, goederen aan het verhaal van schuldeisers tracht te onttrekken.
56. Ik kom tot een conclusie. Heeft een enig erfgenaam een nalatenschap zuiver aanvaard, en benoemt de rechtbank op een later moment een vereffenaar op de voet van art. 4:204 of 4:205 BW, dan vormt de nalatenschap met terugwerkende kracht een afgescheiden vermogen. Beperkte rechten van de erflater op goederen van de erfgenaam en beperkte rechten van de erfgenaam op goederen van de erflater, gaan met terugwerkende kracht niet door vermenging teniet. Hetzelfde geldt als een enig erfgenaam de nalatenschap ‘alsnog’ beneficiair aanvaardt op grond van art. 4:194 of 4:194a BW. Of als een testamentair bewind niet intreedt bij het overlijden, maar op een later moment. De terugwerkende kracht is echter wel aan beperkingen onderhevig. Beschikkingshandelingen in de periode tussen het overlijden en het intreden van de vermogensafscheiding zijn en blijven geldig. Worden in die periode beperkte rechten gevestigd, dan neemt het aanvankelijk door vermenging tenietgegane beperkte recht, rang ná het nieuw gevestigde beperkte recht.