Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/10.2.0
10.2.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS454169:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In het algemeen werd deze beperkte verliesverrekeningstermijnen in de literatuur als een omissie van de wetgever beschouwd, T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, 2e druk, blz. 291, Kluwer, Deventer, 1993; L.G.M. Stevens, Omgaan met verliezen, WFR 1995/6157, blz. 962; J.W. Zwemmer, Verliescompensatie, Fiscale monografie nr. 35, blz. 68, Kluwer, Deventer, 1995.
Op vragen dienaangaande van de PvdA-fractie antwoordde de staatssecretaris van Financiën dat een verlies op overeenkomstige wijze wordt behandeld als een verlies dat is ontstaan in de sfeer van de inkomsten uit vermogen. Gelet op de mate van overeenkomst van deze beide inkomenscategorieën lijkt een dergelijke benadering naar het oordeel van de staatssecretaris van Financiën het meest voor de hand te liggen. Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 32. In de literatuur is ervoor gepleit om ook voor aanmerkelijkbelangverliezen onbeperkte voorwaartse verliesverrekening mogelijk te maken. Zie onder meer T. Blokland, Over aanmerkelijk-belangverliezen, WFR 1996/6218, blz. 1546-1547; J. Doornebal/A.C. Rijkers, Het nieuwe aanmerkelijk-belangregime, Tijdschrift Fiscaal Ondernemingsrecht oktober 1996, nr. 27, blz. 183-185; H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.14, Gouda Quint, Deventer.
HR 29 oktober 1952, B. 9302, HR 14 januari 1959, BNB 1959/73 en HR 10 maart 1993, BNB 1993/130. Zie tevens T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang. Fiscale monografie nr. 19, 2e druk, blz. 290-293, Kluwer, Deventer, 1993; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, 6e druk, blz. 184, Fed, Deventer, 1995; H.G.M. Dijstelbloem, Aanmerkelijk belang, WFR 1979/5400, blz. 320-321. J.W. Zwemmer meende overigens dat onder de oude aanmerkelijkbelangregeling in alle gevallen saldering van winsten en verliezen diende plaats te vinden, J.W. Zwemmer, Verliescompensatie, Fiscale monografie nr. 35, blz. 68-70, Kluwer, Deventer, 1995. Hij baseerde zich hierbij op het uitdrukkelijk beëindigen van de band met de bron 'winst uit onderneming' die onder het Besluit IB 1941 nog aanwezig was.
HR 14januari 1959, BNB 1959/73.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 41.
Vgl. T. Blokland, Over aanmerkelijk-belangverliezen, WFR 1996/6218, blz. 1548 en H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.14, Gouda Quint, Deventer.
L.G.M. Stevens gaat in zijn: Omgaan met verliezen, WFR 1995/6157, blz. 957 uitgebreid in op de mogelijkheid van verrekening van verlies uit aanmerkelijk belang na beëindiging van het huwelijk.
Dit maakte voorts een aanvulling noodzakelijk in de regeling inzake het verhaalsrecht van art. 66 Wet IB.
Art. 60 Wet IB bevat een afzonderlijke regeling inzake aanmerkelijkbelangverliezen die in beginsel losstaat van de overige aanslagregeling. Ingevolge art. 60 Wet IB is het verlies uit aanmerkelijk belang verrekenbaar tot een bedrag van 25%o met maximaal het bedrag van de overigens verschuldigde belasting. Is de overigens verschuldigde belasting ontoereikend om het aldus in aanmerking te nemen aanmerkelijkbelangverlies te verrekenen, dan vindt verrekening plaats met de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (art. 60, zesde lid, Wet IB) van de drie voorafgaande en de acht volgende kalenderjaren en wel in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten (art. 60, tweede lid, Wet IB j° art. 51, zevende lid, Wet IB). In de oude aanmerkelijkbelangregeling bedroeg de verliescompensatie nog slechts één kalenderjaar achterwaarts (carry back) en zes kalenderjaren voorwaarts (carry forward).1 In zoverre is in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling de verliescompensatie meer op één lijn gebracht met de overige verlies-compensatieregels, zij het dat geen volledige gelijkstelling met de winstsfeer is verkregen. Ondernemingsverliezen zijn blijkens art. 51, derde lid, Wet IB immers onbeperkt voorwaarts compensabel. Hoewel de vernieuwde bron 'winst uit aanmerkelijk belang' is opgeschoven in meer subjectieve richting, vergelijkbaar met de bron winst uit onderneming (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.4), is ook op het punt van de verliescompensatie van een volledige gelijkstelling (nog) geen sprake.2
Wordt ter zake van hetzelfde aanmerkelijkbelangpakket binnen één (belasting^gaar zowel een winst uit aanmerkelijk belang behaald als een verlies uit aanmerkelijk belang, dan dienen beide transacties te worden gesaldeerd.3 Dit was onder de oude aanmerkelijkbelangregeling niet het geval, indien het verschillende aanmerkelijkbelangpakketten betrof.4 Hierop heeft de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling een wijziging gebracht. Aangezien art. 20a, eerste lid, Wet IB de winst uit aanmerkelijk belang bepaalt op het gezamenlijke bedrag van de reguliere voordelen en de vervreemdingsvoordelen, dienen winsten en verliezen uit verschillende aanmerkelijkbelangpakketten horizontaal met elkaar te worden gecompenseerd.5 Eerst als dit saldo negatief uitvalt, ontstaat een verlies uit aanmerkelijk belang dat tegen het tarief van 25% kan worden verrekend met de overigens verschuldigde inkomstenbelasting. Onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling kan het aldus niet langer voorkomen dat de (positieve) winst uit aanmerkelijk belang uit het ene aanmerkelijkbelangpakket in het onzuiver inkomen wordt verwerkt, terwijl het verlies uit aanmerkelijk belang uit het andere aanmerkelijkbelangpakket als een belastingverrekening op de voet van art. 60 Wet IB in aanmerking wordt genomen.6
Evenals het oude art. 60 Wet IB wordt ingevolge art. 60, eerste lid, tweede volzin, Wet IB het aanmerkelijkbelangverlies in aanmerking genomen bij de echtgenoot die in het jaar waarin het verlies is geleden het hoogste persoonlijke inkomen heeft. Dit is dezelfde persoon bij wie ook de eventuele winst uit aanmerkelijk belang wordt belast (art. 5 Wet IB). Hierbij zijn de persoonlijke inkomens bepalend van het jaar waarin het verlies uit aanmerkelijk belang is geleden en niet de persoonlijke inkomens van andere jaren waarin het verlies uit aanmerkelijk belang daadwerkelijk in aanmerking wordt genomen. Irrelevant is of de echtgenoot ook in die andere jaren het hoogste persoonlijke inkomen heeft. Voorts zijn de bepalingen van art. 51, vijfde en zesde lid, Wet IB die zien op de ontbinding van het huwelijk door overlijden en anders dan door overlijden (echtscheiding), van overeenkomstige toepassing.7
Tot 1 januari 1999 werd het verlies uit aanmerkelijk belang in geval van minderjarige kinderen in aanmerking genomen bij het minderjarige kind zelf. Met ingang van 1 januari 1999 is dit gewijzigd en wordt het te verrekenen bedrag dat uit het verlies uit aanmerkelijk belang voortvloeit, blijkens art. 60, eerste lid, tweede volzin, slot, Wet IB in geval van een kindjonger dan 18 jaar in aanmerking genomen bij de ouder die het gezag over dat kind uitoefent. Deze aanvulling in art. 60 Wet IB was noodzakelijk geworden, nu met ingang van genoemde datum de winst uit aanmerkelijk belang - dit geldt voor zowel de reguliere voordelen als de vervreemdingsvoordelen - ook wordt belast bij de ouder die het gezag uitoefent; hiertoe is art. 5, tiende en elfde lid, Wet IB in deze zin aangepast (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.3.1).8
De overige leden van art. 60 Wet IB bevatten enkele formele bepalingen die, gelet op de doelstelling van onderhavige studie buiten bespreking kunnen blijven.