Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.2.7:9.2.7 Bereidheid tot het stellen van zekerheid
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.2.7
9.2.7 Bereidheid tot het stellen van zekerheid
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498261:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 5.3.3.
Beslagsyllabus juni 2011, p. 12, idem: Beslagsyllabus augustus 2012.
Beslagsyllabus juni 2011, p. 12, , idem: Beslagsyllabus augustus 2012.
In de aanloopversie voor het voorstel Europees bankbeslag (EAPO) werd uitgegaan van zekerheidstelling als voorwaarde voor het ex-parte verlenen van een EAPO. Zie ook paragraaf 10.3.10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Research Memorandum is voorts de aanbeveling gedaan dat de verzoeker in het beslagrekest zou dienen te vermelden in hoeverre deze bereid is om zekerheid te stellen voor eventuele schade als gevolg van de mogelijke onrechtmatigheid van het beslag. Indien de beslaglegger hiertoe niet bereid is, zou dit gevolgen kunnen hebben voor het te verlenen verlof, afhankelijk van de omvang van het gevraagde verlof in verhouding tot de vordering. De achtergrond van deze aanbeveling is gelegen in de gedachte dat een verzoeker, die conservatoir beslag inzet in het kader van de latente functie (het leggen van druk op de wederpartij), wordt ontmoedigd indien er een reële kans bestaat dat de voorzieningenrechter zo een zekerheidstelling beveelt. Een verplichting tot het opnemen van een standpunt hierover in het beslagrekest leidt er in ieder geval toe dat dit aspect niet alleen door de advocaat met de cliënt in het kader van de verlofaanvraag dient te worden besproken, maar is ook een signaal dat het gelasten van zekerheidstelling een overweging is die de voorzieningenrechter in het kader van de verlofverlening zal maken. Het eventueel kunnen verhalen van de schade op de beslaglegger na een onrechtmatig beslag blijkt in de praktijk van verlofverlening problematisch. Ik doel hierbij met name op de aspecten c. en d. onderstaand, welke een uitwerking zijn van de omschrijving van de afweging van wederzijdse belangen in de Beslagsyllabus. De hier bedoelde aspecten waarover de voorzieningenrechter zich een beeld dient te vormen, welke eerder aan de orde kwamen in het hoofdstuk over verlofverlening, zijn:
de positie en belangen van de schuldenaar;
de vermogenspositie van de schuldenaar;
de vermogenspositie van de schuldeiser;
de eventuele schade die zal ontstaan indien de vordering van de schuldeiser in de hoofdzaak wordt afgewezen.1
Voor deze situatie kunnen twee verklaringen worden gegeven: een eerste is dat de voorzieningenrechter geen informatie zal hebben over de vermogenspositie van de verzoeker, aangezien hier niet op voorhand naar wordt gevraagd. Het wordt daarmee onwaarschijnlijk dat de voorzieningenrechter een indicatie zal hebben dat zekerheidstelling opportuun zou kunnen zijn. De tweede verklaring is dat, al zou die informatie wel beschikbaar zijn, dat het, zo blijkt uit de Beslagsyllabus, als lastig wordt gezien om de mogelijke beslagschade te begroten en daarmee het bedrag van de zekerheidstelling vast te stellen.2 Het meewegen van de aspecten c. en d. zal daardoor niet meer dan theoretisch van aard te zijn.
De aanbeveling om de verzoeker in het beslagrekest een standpunt over een eventuele zekerheidstelling te laten innemen, is niet in de Beslagsyllabus van juni 2011 of in latere versies overgenomen. Wel wordt melding gemaakt van de mogelijkheid dat de voorzieningenrechter ambtshalve en zonder nadere motivering over kan gaan tot het bevelen van een zekerheidstelling voor de beslagschade en het bedrag daarvan in zijn beschikking tot verlof bepaalt, bijvoorbeeld ingeval van benadeling van de kredietwaardigheid van de schuldenaar. De Beslagsyllabus vermeldt zelf al dat in de praktijk van deze mogelijkheid weinig gebruik wordt gemaakt.3 Tijdens de dossieronderzoeken en in de jurisprudentie ben ik tot op heden geen geval in Nederland tegengekomen.
De voorwaarde van het stellen van zekerheid bij het leggen van conservatoir beslag is, in tegenstelling tot sommige andere Europese landen,4 in Nederland niet gebruikelijk. Los van de hiervoor genoemde verklaringen zou ik menen dat het in alle omstandigheden verlangen van zekerheidstelling ook als te vergaand moet worden beschouwd. Voor incassovorderingen zonder verweer lijkt mij, dat zo een voorwaarde in beginsel als te belastend voor de beslaglegger moet worden gezien. Voor de categorie vorderingen met een op het eerste gezicht redelijk verweer zou de voorzieningenrechter, indien deze twijfels heeft over de verlofverlening, ook om informatie over de vermogenspositie van de beslaglegger kunnen verzoeken, hetgeen kan leiden tot het stellen een voorwaarde aan het beslag op grond van artikel 701 Rv. Het stellen van zekerheid voor eventuele schade als gevolg van onrechtmatig beslag doet, voor zolang sprake blijft van een uitermate moeizaam traject voor het realiseren van vergoeding van dergelijke schade (problematiek van de derde pijler) toch enigszins hypothetisch aan. Welke zin kan worden toegekend aan zekerheidstelling voor eventuele schade, indien de procedure die schadevergoeding moet realiseren zodanig is, dat er in de praktijk slechts zeer sporadisch een beroep op wordt gedaan? Dit doet echter niet af van een mogelijk ontmoedigend effect in geval van latent gebruik van het middel van conservatoir beslag.