Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.1
2.1 Inleiding
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715394:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kelk/De Jong 2019, p. 44; Prakken & Roef 2004, p. 240. Vgl. ook: Strijards 1995, p. 6.
De Hullu 2021, p. 147 en 375; Van Kempen & Fedorova 2015, p. 50; Van Kempen, Kraniotis & Van Roermund 2007, p. 1.
De Hullu 2021, p. 147; Kelk/De Jong 2019, p. 61; Van Kempen & Fedorova 2015, p. 50-51.
Het voorbeeld van dromen over het strafbare feit is ontleend aan Montesquieu. Hij illustreert zijn standpunt dat het hebben van kwade intenties niet strafwaardig is door te verwijzen naar Marsyas, die droomde dat hij de Romeinse keizer Dionysius had vermoord, waarop Dionysius hem ter dood veroordeelde, omdat Marsyas volgens hem een dergelijke droom slechts kon hebben gehad als hij daadwerkelijk zou hebben overwogen hem te vermoorden (Montesquieu 1899, p. 193).
Ashworth & Zedner 2014, p. 110; Reijntjes 2003, p. 474; Buiting 1970, p. 245; Von Gemmingen 1932, p. 142.
Volgens diverse auteurs staat de strafbaarheid van voorfasehandelingen op gespannen voet met het daadstrafrechtbeginsel.1 Het daadstrafrechtbeginsel vormt een fundamenteel uitgangspunt van het Nederlandse strafrecht en kan worden samengevat in het adagium ‘geen straf zonder gedraging’ (of, in de hiervoor in §1.2.1 besproken Latijnse terminologie: nulla poena sine actione).2 Het daadstrafrechtbeginsel houdt, kort gezegd, in dat het strafrecht slechts behoort te reageren op menselijke gedragingen (en dus bijvoorbeeld niet op gedachten, het enkele ‘zijn’ of het hebben van bepaalde eigenschappen, gedragingen van dieren of natuurverschijnselen).3
De voorfase van een strafbaar feit – bijvoorbeeld van een moord – kan uit veel gedragingen bestaan. Zo kan iemand eerst dromen over het plegen van de moord, vervolgens bewust overwegen de moord te gaan plegen en uiteindelijk besluiten dat ook daadwerkelijk te gaan doen.4 Het hele proces heeft zich dan in het hoofd van de dader afgespeeld, maar het kan natuurlijk ook zo zijn dat hij met derden over zijn overwegingen praat of daarover schrijft in een dagboek. Vervolgens moet de dader doorgaans informatie inwinnen over het beoogde slachtoffer; wat zijn diens routines, waar woont hij en hoe kom je daar? Ook dat proces kan zich in het hoofd van de dader afspelen, maar hij kan de informatie ook op papier zetten. Daarop moet de dader mogelijk nog een wapen aanschaffen, maar hij kan natuurlijk ook gewoon een mes dat hij reeds in zijn bezit heeft uit de keukenla pakken. Vervolgens moet hij naar het slachtoffer afreizen, diens woning binnengaan, op het slachtoffer richten, de trekker overhalen en raakschieten, waarna het slachtoffer uiteindelijk ook nog moet komen te overlijden wil sprake zijn van een voltooide moord.
In het voorgenoemde scenario zijn veel potentiële ‘gedragingen’ te onderscheiden. De vraag die het daadstrafrecht opwerpt is: met welke moet het strafrecht zich bezighouden? Grofweg kunnen daarbij twee grenzen worden aangewezen: aan de ene kant is de heersende opvatting nog altijd dat gedachten als zodanig niet kunnen worden bestraft (Gedanken sind frei; cogitationis poenam nemo patitur) en aan de andere kant valt het voltooide delict uiteraard buiten de voorfase.5 Over die twee uitersten is vrijwel iedereen het eens, zij het om volstrekt verschillende redenen. Daartussen bevindt zich echter een behoorlijk groot grijs gebied. De liberale, communitaristische en functionalistische perspectieven op het strafrecht geven elk een ander antwoord op de vraag met welke van de hiervoor omschreven gedragingen het strafrecht zich bezig moet houden en waarom. Hierna worden daarom achtereenvolgens de liberale (§2.2), communitaristische (§2.3) en functionalistische (§2.4) visies op het bestaansrecht, de reikwijdte en de werking van daadstrafrechtbeginsel uiteengezet en toegepast op het strafrecht in de voorfase.