Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.4.3
3.4.3 De Gewerbesteuer, iets voor Nederland?
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS401766:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin A.J.A. Stevens, De Duitse Gewerbesteuer – anomalie in het veelkleurige land van de gemeentelijke belastingen? In: Lofzang op lokale heffingen (Monsma-bundel), SDU Uitgevers (2009), blz. 215.
L.G.M. Stevens, Wenselijkheid en haalbaarheid van groter gemeentelijk belastinggebied, WFR 2015/648.
Vergelijk de gemeentelijke concurrentie in Duitsland waar een aantal Duitse gemeenten, waaronder het Norderfriedrichtskoog, een nulpercentage voor de Duitse Gewerbesteuer hanteerde. Sinds 2003 is een minimum-Hebesatz van 200% verplicht gesteld.
Zie bijvoorbeeld het nieuwsbericht van het Ministerie van Financiën van 18 januari 2016. https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2016/01/18/voorstellen-voor-vereenvoudiging-van-belastingwetgeving.
In hoofdstuk 3.5.2.3 ben ik ingegaan op de wens van de Nederlandse wetgever om het Nederlandse gemeentelijke belastingbeleid te hervormen. Alhoewel dat niet concreet als plan in Nederland aan de orde is gekomen, is het mijns inziens interessant te onderzoeken of een gemeentelijke ondernemingsbelasting, zoals de Duitse Gewerbesteuer aanbevelenswaardig voor Nederland zou kunnen zijn. In bovengenoemd hoofdstuk ben ik derhalve ingegaan op de overwegingen om de Gewerbesteuer – die in Nederland tussen 1942-1950 van toepassing was – af te schaffen. Vervolgens heb ik in hoofdstuk 3.3.1.2 de Duitse ervaringen met de Gewerbesteuer uiteengezet.
De huidige, relatief kleine, rol voor gemeenten op het belastinggebied kan mijns inziens gezien worden als een mogelijke inbreuk op de subsidiareit- en evenredigheidseis uit de nota Zicht op wetgeving (als onderdeel van de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader). Deze eis houdt onder meer in dat, waar mogelijk, verantwoordelijkheden moeten worden gelaten of gelegd bij de decentrale overheden en maatschappelijke organisaties. Deze kwaliteitseis kan mijns inziens echter ook betekenen dat de verantwoordelijkheid wel op het juiste niveau ligt of op supranationaal niveau (EU-niveau) gelegd zou moeten worden. De overige toetsen zijn mijns inziens in casu niet aan de orde.
De ervaringen met de Duitse Gewerbesteuer in ogenschouw nemende en rekening houdend met de argumenten voor het afschaffen van een ondernemingsbelasting in Nederland in 1950, is mijn conclusie dat het niet aanbevelenswaardig is dat Nederland een Gewerbesteuer of soortgelijke ondernemingsbelasting op gemeentelijk niveau invoert.1 Ik ben het eens met Stevens die aangeeft dat de grotere autonomie van gemeenten staatsrechtelijk vooral gevoed wordt door het subsidiariteitsbeginsel, dat een krachtige traditie kent. “Regel centraal wat centraal moet, en decentraal wat decentraal kan.”2 Het lijkt me dat gezien het subsidiariteitsbeginsel de belastingheffing van ondernemingen niet op het niveau van de gemeenten thuishoort en gezien de internationale en Europese fiscale ontwikkelingen (zie hoofdstuk 2.7 en 2.8) wellicht niet eens meer op nationaal niveau. Al decennialang wordt er gesproken over één Europese markt en dat harmonisatie van belastingen op Europees of internationaal niveau gewenst is. Tot op heden is het hier nog nauwelijks van gekomen, aangezien landen vasthouden aan hun belastingsoevereiniteit. Bij een invoering van een Gewerbesteuer in Nederland zou een speelveld gecreëerd worden, waarbij gemeenten elkaar op fiscaal gebied zouden beconcurreren om de gunsten van de ondernemer.3 Dit lijkt mij – gezien de huidige maatschappelijke discussies over belastingontwijking en fair share – geen gewenste ontwikkeling. Samenvattend, invoering van een Gewerbesteuer zou mijns inziens niet passen bij de internationale/Europese fiscale ontwikkelingen.
Er zijn mijns inziens nauwelijks goede gronden te vinden die invoering van een Gewerbesteuer op gemeentelijke niveau rechtvaardigen. Het bestaan van een Gewerbesteuer lijkt te zijn ontleend aan de budgettaire opbrengsten en de mogelijkheid voor gemeenten (lokale politici) om fiscaal instrumentalisme te bedrijven. De huidige vennootschapsbelasting splitsen in een subjectieve belasting en een objectheffing zou mijns inziens leiden tot een grote uitbreiding van de administratieve lasten voor zowel de overheid als de belastingplichtigen. Dit zou haaks staan op het streven van de Nederlandse wetgever om het belastingstelsel te vereenvoudigen4 en dit zou mijns inziens tevens betekenen dat er in mindere mate voldaan wordt aan de fiscaal-wetstechnische toets uit mijn toetsingskader. Daarnaast zijn er mijns inziens geen aantoonbare voordelen voor een splitsing van de vennootschapsbelasting in een subjectieve belasting op landelijk niveau en een objectheffing op gemeentelijk niveau. Sterker nog, als Nederland een Gewerbesteuer naar Duits voorbeeld zou invoeren, zou de belastingplichtige voortaan te maken krijgen met twee winstbelastingregimes. Mijns inziens leidt dit er toe dat er ook in mindere mate voldaan zal worden aan de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader (onderlinge-afstemming-eis).
Het enige aspect dat me wel aanspreekt, is dat de Gewerbesteuer van oorsprong rechtsvormneutraal is. Ongeacht de rechtsvorm is het de onderneming die als uitgangspunt wordt genomen. De Gewerbesteuer voldoet daarmee in beginsel in sterke mate aan de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader, zij het dat bijvoorbeeld de uitzondering voor beroepsbeoefenaars (van heffing van de Gewerbesteuer) weer gezien kan worden als een mogelijke inbreuk op het gelijkheidsbeginsel (en dus op de fiscaal-juridische toets). Voor een verdere gedachtegang over een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting verwijs ik naar hoofdstuk 3.4.2.