Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/5.4.3
5.4.3 Onderscheid forum externum en forum internum in de Nederlandse rechtspraak
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452781:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 13 juli 2007, Stcrt. 2010, nr. 143, p. 8; Besluit van 9 november 2011, Stcrt. 2012, nr. 20850.
De ambtsberichten van de minister van Buitenlandse zaken zijn een belangrijke ‘feitenbron’ voor de totstandkoming van wet- en regelgeving. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS kan een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken, als het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, worden aangemerkt als een deskundigenadvies op grond waarvan het bestuursorgaan zijn besluitvorming mag baseren bij de beoordeling van asielaanvragen. Zie o.a. ABRvS 16 april 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO8679.
Paragraaf C 24/Iran Vc 2000, 3.7 (versie 1 jan 2008).
Rb. ’s Gravenhage 1 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8668, r.o. 2.21.
Vermeulen & Van de Sluis 2016, p. 123.
Zie o.a. ABRvS 19 januari 2011, nr. 201007538/1/V1; ABRvS 4 oktober 2010, nr. 200902318/1/V2; ABRvS 19 januari 2011, nr. 201006499/1/V1; ABRvS 19 januari 2011, nr. 201006502/1/V1.
ABRvS 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2541, nr. 201007538/1/V1, r.o. 2.2.
EHRM 28 februari 2006, nr. 27034/05.
EHRM 28 februari 2006, nr. 27034/05, RJ&D ECHR 2006-III, JV 2006, 274 (Z en Tv Verenigd Koninkrijk), p. 7.
EHRM 28 februari 2006, nr. 27034/05, RJ&D ECHR 2006-III, JV 2006, 274 (Z en Tv Verenigd Koninkrijk), p. 7.
EHRM 28 februari 2006, nr. 27034/05, RJ&D ECHR 2006-III, JV 2006, 274 (Z en Tv Verenigd Koninkrijk), p. 8.
De uitspraak van het HvJEU kan grote gevolgen hebben voor de wijze waarop in Nederland asielverzoeken worden behandeld, met name bij in Nederland bekeerde vreemdelingen (de zogenoemde sur place-zaken). Voorheen klonk het onderscheid tussen het forum internum en het forum externum als grondtoon door in het beleid en de rechtspraak. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de besluiten van 13 juli 2007, nr. 2007/15 en 9 november 2011, nr. 2011/14 tot wijziging van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000.1 In de aan deze besluiten ten grondslag liggende ambtsberichten2 (inzake Iran3) van de minister van Buitenlandse Zaken wordt gesteld dat het enkele feit dat een persoon geboren christen is of tot het christendom is bekeerd, niet voldoende is om aan te nemen dat er sprake is van vervolging bij terugkeer. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen tot het christendom bekeerde voormalige moslims die tevens moslims trachten te bekeren tot het christendom en zij die dat niet doen. Tegelijkertijd wordt in het ambtsbericht nadrukkelijk een relatie gelegd tussen evangeliseren en vervolging. Dit wijst erop dat hoewel de overheid zich bewust is van het feit dat evangeliseren tot vervolging kan leiden, dit geen reden is voor een verschillend beleid ten aanzien van christenen die wel en die niet willen evangeliseren in het land van herkomst. In beide gevallen is de situatie onvoldoende om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Dit uitgangspunt impliceert dat christenen – willen ze in Iran aan vervolging ontkomen – zich dienen te onthouden van bekeringsactiviteiten. De overheid gaat daarbij voorbij aan de vraag hoe belangrijk het evangeliseren voor deze christenen is en veronderstelt dat het ook mogelijk is om christen te zijn zonder bekeringsactiviteiten. Aan deze opvatting ligt een idee ten grondslag over wat de kern en wat de ‘periferie’ is van een godsdienst, waarbij bekeringsactiviteiten tot de laatste worden gerekend. In een later ambtsbericht komt dit uitgangspunt nog wat explicieter naar voren wanneer de overheid erkent dat volgelingen van huiskerken in Iran mogelijk een doelwit kunnen zijn van vervolging maar dat, zolang ze een laag profiel aanhouden, ze in de regel in relatieve rust hun geloof kunnen belijden. ‘Voorkomen dient te worden dat de bijeenkomsten te veel zichtbaar worden voor de omgeving…’.4
Ook in de rechtspraak ging men ervan uit dat van een vreemdeling die een reëel risico loopt op vervolging, mag worden verwacht dat hij zich in het land van herkomst terughoudend opstelt wat het verrichten van bekeringsactiviteiten betreft (het zogenaamde discretievereiste).5 In een reeks van uitspraken6 komt de beleidslijn van de staatssecretaris naar voren dat van een vreemdeling mag worden verwacht dat hij in zijn land van herkomst afziet van bekeringsactiviteiten teneinde vervolging te voorkomen.
Een voorbeeld hiervan is de uitspraak van de ABRvS van 19 januari 2011. Hierin ging het om een uit Iran gevluchte moslim die zich in Nederland tot het christendom bekeerde. De vreemdeling betoogt – onder andere op grond van ambtsberichten met betrekking tot Iran – dat bekering tot het christendom in Iran wordt begrepen als afvalligheid en een reëel risico meebrengt op vervolging. Hierop voortbouwend stelt de vreemdeling dat niet van hem kan worden verwacht dat hij zijn geloof verborgen zal houden en zal afzien van bekeringsactiviteiten. De ABRvS neemt ten aanzien van dit betoog het standpunt van de minister over dat erop neerkomt dat de enkele bekering tot het christendom geen aanleiding is voor de statusverlening van vluchteling. Bovendien stelt de ABRvS dat:
‘het in artikel 9 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst de Verdragsstaten er niet toe verplicht vreemdelingen bescherming te bieden reeds omdat dezen hun godsdienst in hun land van herkomst niet op gelijke wijze kunnen uitoefenen als in de Verdragsstaat waar om toelating is verzocht.’7
Volgens de ABRvS staat artikel 9 van het EVRM niet eraan in de weg dat de minister van de vreemdeling mag verwachten dat hij zich terughoudend opstelt in zijn geloofsuitingen en gedragingen. De ABRvS beschouwt het uitgangspunt van de staatssecretaris derhalve als valide en verwijst daarbij in haar uitspraken naar een uitspraak van het EHRM.8 Daarin ging het om een klacht tegen het Verenigd Koninkrijk van twee vreemdelingen die beweerden dat zij in hun land van herkomst, Pakistan, niet openlijk hun christelijke geloof konden belijden en vanwege deze in hun zienswijze ernstige schending van de godsdienstvrijheid in aanmerking dienden te komen voor een verblijfsvergunning. Het EHRM overwoog dat:
‘On a purely pragmatic basis, it cannot be required that an expelling Contracting State only return an alien to a country where the conditions are in full and effective accord with each of the safeguards of the rights and freedoms set out in the Convention.’
En:
‘Where however an individual claims that on return to his own country he would be impeded in his religious worship in a manner which falls short of those proscribed levels, the Court considers that very limited assistance, if any, can be derived from Article 9 by itself. Otherwise it would be imposing an obligation on Contracting States effectively to act as indirect guarantors of freedom of worship for the rest of world.’9
Het EHRM oordeelde vervolgens dat het in deze zaak slechts ging om een lichte beperking van de godsdienstvrijheid op grond waarvan de vreemdelingen geen recht tot een verblijfsvergunning konden ontlenen. Daarbij stelde het EHRM ‘… that it would be difficult to visualise a case in which a sufficiently flagrant violation of Article 9 would not also involve treatment in violation of Article 3 of the Convention’.10 Hieruit kan worden afgeleid dat een schending van artikel 9 EVRM pas als een daad van vervolging zal worden aangemerkt als deze schending tevens de vrees voor schending van artikel 3 EVRM (foltering, onmenselijke behandeling/bestraffing) met zich brengt. Daarvan was volgens het EHRM in deze zaak geen sprake:
‘… the applicants have not shown that they are personally at such risk or are members of such a vulnerable or threatened group or in such a precarious position as Christians as might disclose any appearance of a flagrant violation of Article 9 of the Convention.’11