Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.5.8:5.5.8 Overdracht van een onderneming of een zelfstandig deel daarvan
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.5.8
5.5.8 Overdracht van een onderneming of een zelfstandig deel daarvan
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS303174:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 22 februari 2001, zaak C-408/98 (Abbey National I), V-N 2001/15.26.
Zie H.W.M. van Kesteren, Directe en algemene kosten in de btw, WFR 2008/318, onderdeel 10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In punt 9 van het Abbey National I-arrest geeft het Hof van Justitie EU het door Nederland in de procedure verwoorde standpunt weer:
19. De Nederlandse regering betoogt dat, wanneer een lidstaat heeft gekozen voor toepassing van artikel 5, lid 8, van de Zesde richtlijn, de – naar hun aard belastbare – leveringen en diensten die als onderdeel van de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen worden verricht, worden weggedacht. Deze geruisloze vervanging van de ene belastingplichtige door een andere kan voor de toepassing van BTW slechts aan de reguliere economische activiteiten van de overdrager worden gerelateerd. Deze economische activiteiten moeten ook bepalend zijn voor het recht op aftrek van de over de kosten van de overgang aan de overdrager in rekening gebrachte BTW. Als de belastingplichtige uitsluitend vrijgestelde prestaties verricht, leidt dit ertoe dat geen recht op aftrek bestaat. Verricht hij zowel belaste als vrijgestelde handelingen, dan biedt de pro rata-regeling van de artikelen 17, lid 5, en 19 van de Zesde richtlijn uitkomst. Wanneer de reguliere economische activiteiten van de overdrager, voorafgaand aan een overgang die onder artikel 5, lid 8, van de Zesde richtlijn valt, volledig belast zijn geweest, is de in verband met de beëindiging van die activiteiten betaalde voorbelasting aftrekbaar.
Uit de aantekening in de Vakstudie Nieuws onder het Abbey National I-arrest1 blijkt dat de redactie hier toch anders over denkt en meent dat onder de op dat moment in Nederland geldende wetgeving een ruimer aftrekrecht mogelijk is:
Waarschijnlijk zal de beslissing van het HvJ EG geen invloed hebben op de Nederlandse OB-praktijk. De opvatting van de Nederlandse regering (r.o. 19) ten spijt, lijkt het erop dat de omzetbelasting, drukkend op ten behoeve van de overdracht van een onderneming gebruikte diensten, steeds voor aftrek in aanmerking komt. Zolang het Nederlandse aftrekrecht niet in overeenstemming is gebracht met dat van de Zesde richtlijn, is immers voor een ondernemer die in het kader van de onderneming bezig is, de omzetbelasting enkel van aftrek uitgesloten, indien de goederen en diensten voor vrijgestelde prestaties (prestaties ‘als bedoeld in de art. 11 en 28k’) worden gebruikt. Zie bijvoorbeeld met betrekking tot de aftrek van voorbelasting bij de verkoop van drugs HR 28 januari 1998, nr. 33 077, BNB 1998/116, en V-N 1998/8.37.
Het is mij niet duidelijk welk van de twee hiervoor geformuleerde standpunten in de Nederlandse btw-praktijk tot 1 januari 2007 de overhand had. Wél is duidelijk dat vanaf 1 januari 2007 het door het Hof van Justitie EU in het Abbey National I-arrest verwoorde standpunt leidend is in deze problematiek.
In dit kader merk ik nog op dat het Hof van Justitie EU in het Abbey National I-arrest de mogelijkheid opent dat de overdracht betrekking heeft op een afgebakend gedeelte van de onderneming en dat voor de bepaling van het aftrek-recht van de btw die drukt op de aan de overdracht toerekenbare kosten niet wordt uitgegaan van de voor de gehele onderneming geldende pro rata maar van het aftrekrecht dat geldt voor het afgebakend gedeelte. In dit arrest ging het om een financiële dienstverlener die op basis van zijn algemene pro rata maar een betrekkelijk gering gedeelte van de voorbelasting in aftrek kon brengen. De overdracht, die op grond van een nationale regeling die was gebaseerd op art. 5, lid 8, en art. 6, lid 5, Zesde richtlijn (thans art. 19 en art. 29, btw-richtlijn) buiten de btw-heffing bleef, betrof een afgebakend gedeelte van de onderneming dat uitsluitend belaste prestaties verrichte. Het Hof van Justitie EU meent dat het in een dergelijk geval mogelijk moet zijn om alle aan de overdracht toerekenbare voorbelasting in aftrek te brengen. Het hof overwoog:
38. Zoals het Hof evenwel in punt 26 van het arrest Midland Bank, reeds aangehaald, heeft vastgesteld, kan een belastingplichtige die zowel handelingen verricht waarvoor recht op aftrek bestaat als handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, de BTW die over door hem gebruikte goederen of diensten is geheven, toch aftrekken wanneer die goederen of diensten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met in een later stadium verrichte handelingen die recht geven op aftrek, zonder dat een onderscheid hoeft te worden gemaakt naar gelang lid 2, lid 3, of lid 5 van artikel 17 van de Zesde richtlijn van toepassing is.
39. Deze regel moet eveneens worden toegepast op de kosten van goederen en diensten die behoren tot de algemene kosten betreffende een gedeelte van de economische activiteiten van een belastingplichtige dat duidelijk is afgebakend en waarvan alle handelingen aan BTW zijn onderworpen, aangezien deze goederen en diensten daardoor rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met dat gedeelte van zijn economische activiteiten.
40. Wanneer de diverse door de overdrager ten behoeve van de overdracht van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen gebruikte diensten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met een duidelijk afgebakend gedeelte van zijn economische activiteiten, zodat de kosten van deze diensten deel uitmaken van de algemene kosten van dat gedeelte van de onderneming, en wanneer alle met betrekking tot dit gedeelte verrichte handelingen aan BTW zijn onderworpen, kan hij derhalve de BTW die over de uitgaven voor de verkrijging van die diensten is geheven, volledig aftrekken.
Van Kesteren is van mening dat bij de verkoop van een deelneming door een moeiende houdster die deel uitmaakt van een fiscale eenheid een afgebakend deel de onderneming van de fiscale eenheid verlaat. Dat zou ervoor pleiten om de activiteiten van de vervreemde deelneming in aanmerking te nemen bij het vaststellen van de aftrek in plaats van de pro rata van de fiscale eenheid.2 Hij laat overigens in het midden of de verkoop van de deelneming kan worden aangemerkt als de overgang van een geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen en of diensten.