Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.5.1:8.5.5.1 De noodzaak en het moment van inwerkingtreding
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.5.1
8.5.5.1 De noodzaak en het moment van inwerkingtreding
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454086:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2011/12, 33220, 3, p. 1-2.
Dit werd zoals hierboven besproken respectievelijk 1 mei 2013 en 27 september 2012.
De regering herhaalde dit argument in de nota’s naar aanleiding van het verslag bij de wetsvoorstellen ter wijziging van artikel 136 VWEU en ter goedkeuring van het ESM-verdrag, zie: Kamerstukken II 2011/12, 33220, 6, p. 3; Kamerstukken II 2011/12, 33221, 6, p. 9.
Kamerstukken II 2011/12, 33220, 6, p. 3-4.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 19.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter goedkeuring van de wijziging van artikel 136 VWEU ging in op de achtergrond van die wijziging.1 De regering stelde dat bij sommige lidstaten de vraag rees of een permanent stabiliteitsmechanisme wel in overeenstemming was met het VWEU.2 Het toevoegen van een extra lid zou de zekerheid bieden dat de eurolanden een dergelijk noodfonds mogen oprichten.3 De nota naar aanleiding van het verslag was nog duidelijker:
‘De voorgenomen wijziging van artikel 136 is niet tot stand gekomen om een rechtsbasis te creëren voor het stabiliteitsmechanisme […]. Het voorgenomen derde lid dient slechts om te bevestigen dat het buiten de EU om instellen van een dergelijk mechanisme niet in strijd is met de EU-Verdragen.’4
De lidstaten beoogden de wijziging van artikel 136 VWEU in werking te laten treden op 1 januari 2013 en het ESM-verdrag op 1 juli 2012.5 De Raad van State adviseerde in de memorie van toelichting nader in te gaan op deze verschillende data en de consequenties daarvan.6 Dat het ESM-verdrag eerder in werking zou treden dan de wijziging van artikel 136 VWEU was volgens de regering echter geen enkel probleem.7 Die wijziging kwam immers uitsluitend tot stand om redenen van rechtszekerheid en niet als voorwaarde voor de geldigheid van het noodfonds.8
Verschillende Kamerleden vroegen zich in reactie daarop af wat dan nog de toegevoegde waarde was van de verdragswijziging.9 Was een wijziging van het verdrag niet erg veel moeite voor slechts een verduidelijking van de bestaande situatie? De regering antwoordde daarop als volgt:
‘Zoals hierboven toegelicht is het besluit [tot wijziging van artikel 136 VWEU, SP] tot stand gekomen om redenen van rechtszekerheid en niet als voorwaarde voor de geldigheid van een stabiliteitsmechanisme. De regeringen van de lidstaten die partij zullen gaan zijn bij dit verdrag hebben dat oordeel ook, zoals blijkt uit hun bereidheid het ESM-Verdrag eerder te ratificeren dan het besluit. In sommige lidstaten bestaan echter twijfels over de verenigbaarheid met het Werkingsverdrag wanneer een stabiliteitsmechanisme langdurig, en ook buiten crisistijd, in stand blijft. Het besluit geeft zekerheid. Het kabinet acht het om die redenen noodzakelijk dit besluit goed te keuren.’10
Ook tijdens de mondelinge behandeling keerde dit punt terug. Minister van Financiën De Jager stelde daar:
‘De toevoeging van een nieuw derde lid aan artikel 136 is een opstapje voor het ESM in het EU-werkingsverdrag. Het dient ter bevestiging dat eurolanden het ESM mogen oprichten. Voor Nederland is dit geen juridisch noodzakelijke voorwaarde voor de oprichting van het ESM. Wij hebben daarom ook niet gevraagd, omdat dit volgens onze juristen niet noodzakelijk is gelet op ons nationaal rechtstelsel. In andere lidstaten, met name in Duitsland waar een heel ander juridisch stelsel bestaat, is door specialisten bezorgdheid geuit over de juridische kwetsbaarheid. Daarom is gevraagd om toch een haakje op te nemen in het andere verdrag en een toevoeging te plaatsen bij artikel 136. Zo kan worden zeker gesteld dat oprichting van het ESM niet strijdig is met EU-verdragen. Deze wijziging van artikel 136 is dus onderdeel van de strategie om de Europese crisisaanpak robuust te maken, de financiële markten vertrouwen te geven en een mogelijke zweem weg te nemen van een kans dat het ergens in een lidstaat misschien niet houdbaar zou zijn. Het is voor ons dus niet nodig, maar voor sommige andere lidstaten wel en het is ook nodig om die zweem weg te nemen.’11
De eurolanden probeerden met de wijziging van artikel 136 VWEU dus zekerheid te creëren over de toelaatbaarheid van een permanent noodfonds. Tegelijkertijd was men van oordeel dat het oprichten van een permanent noodfonds toegestaan was en dat daarom de wijziging van artikel 136 VWEU niet noodzakelijk was. Het was om die reden geen probleem dat het ESM-verdrag eerder in werking zou treden dan de wijziging van het VWEU.
Mijns inziens heeft het toevoegen van een derde lid aan artikel 136 VWEU op deze wijze weinig zin gehad. Had men daadwerkelijk de zekerheid willen creëren dat de eurolanden gerechtigd waren om een permanent noodfonds op te richten, dan had de inwerkingtreding van het ESM-verdrag pas kunnen plaatsvinden nadat de wijziging van het VWEU van kracht was geworden. De eurolanden wilden hier in crisistijd niet op wachten omdat zij vonden dat de wijziging van het VWEU niet nodig was voor de oprichting van een noodfonds. De eurolanden meenden dat geen Unierechtelijke bepalingen in de weg stonden aan het onderling sluiten van een overeenkomst over de oprichting van een stabiliteitsmechanisme. Wat het oordeel over deze stelling ook zij, de eurolanden creëerden op deze manier in ieder geval niet de zekerheid die zij beoogden. De lidstaten hadden in deze kwestie naar mijn mening twee opties. Enerzijds hadden zij ervoor kunnen kiezen om zekerheid te creëren door de inwerkingtreding van het ESM-verdrag pas te laten plaatsvinden na de wijziging van artikel 136 VWEU. Anderzijds hadden zij de stelling dat de wijziging van het VWEU niet nodig was voor de oprichting van een permanent noodfonds, stellig kunnen volhouden. Hadden de eurolanden hiervoor gekozen, dan had de wijziging van het VWEU achterwege kunnen blijven. Het combineren van beide opties is mijns inziens onlogisch en heeft eerder tot meer discussie over de gang van zaken geleid dan tot rechtszekerheid.