Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.5.2
3.5.2 De invloed van het waarderingsvoorschrift op afzonderlijke activa
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630584:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In het BW is dit begrip wel gedefinieerd in artikel 2:365, lid 1. Volgens deze bepaling behoren tot de immateriële activa: a. kosten die verband houden met de oprichting en met de uitgifte van aandelen; b. kosten van ontwikkeling; c. kosten van verwerving ter zake van concessies, vergunningen en rechten van intellectuele eigendom; d. kosten van goodwill die van derden is verkregen; e. vooruitbetalingen op immateriële activa.
NDFR commentaar bij artikel 33 Wet Vpb 1969: ‘De vraag is of de opmerking van de staatssecretaris, dat het begrip immaterieel activum in art. 12b dezelfde betekenis heeft als in art. 33, leidt tot meer inzicht van het begrip voor toepassing van art. 33. Uit hetgeen hiervoor is opgemerkt blijkt dat de begripsomschrijving in het kader van art. 12b vooral is toegespitst op het specifieke karakter van deze bepaling en daarom nauwelijks nieuw licht werpt op de inhoud van het begrip voor toepassing van art. 33.’
Ondanks dat veelal wordt gesproken over goodwill, geldt het waarderingsvoorschrift voor alle immateriële activa. Het waarderingsvoorschrift breidt zich uit tot alle immateriële activa omdat het in de praktijk moeilijk bleek om goodwill te onderscheiden van andere immateriële activa.
5.2.4. Vervolgens dient het Hof te beoordelen in hoeverre de koopsom betrekking heeft op de waarde van de materiële en immateriële activa welke deel uitmaken van het door A BV overgenomen gedeelte van de onderneming van B BV. Onder 'immateriële activa' verstaat het Hof hier de uitgaverechten in de zin van de rechten en merken als bedoeld in artikel 1.1 van de Overeenkomst. Het deel van de koopsom dat boven de waarde van deze materiële en immateriële activa is voldaan, heeft dan betrekking op goodwill, zijnde hetgeen door A BV is opgeofferd ter zake van de verwerving van een bestaande organisatie en marktpositie en van een netwerk van relaties. Uit het vorenstaande volgt dat het primaire standpunt van belanghebbende, dat sprake is van enkel het verwerven van goodwill, dient te worden verworpen.
Meussen, pagina 19.
Berkhout 2013, pagina 412.
Berkhout 2013, pagina 411-413.
Zie ook L.G.M. Stevens 1978. Volgens L.G.M. Stevens is het essentiële element in het begrip goodwill de overwinstcapaciteit. Dit komt in alle definities, waaronder die van de Hoge Raad, terug. Er zijn veel factoren die kunnen zorgen voor goodwill, zoals de locatie van het bedrijf, de branche of marktontwikkelingen.
Doornebal 2004, pagina 84 tot en met 99.
Zie ook S.A. Stevens 2005, pagina 374.
De term immateriële activa is niet in de wet gedefinieerd.1 Ook in de wetsgeschiedenis is het begrip niet verder toegelicht. Voor de toepassing van de innovatiebox ex artikel 12b Wet Vpb 1969 heeft de Staatsecretaris wel aangegeven dat het begrip ‘immateriële activa’ in zowel artikel 33 Wet Vpb 1969 als in artikel 12b Wet Vpb 1969 hetzelfde moet worden uitgelegd. De toelichting die voor artikel 12b Wet Vpb 1969 is gegeven over het begrip biedt echter niet meer inzicht voor de toepassing van artikel 33 Wet Vpb 1969.2 De invulling van het begrip ‘immateriële activa’ en meer specifiek de goodwill die hieronder wordt verstaan, is echter wel van belang om de reikwijdte van de bepaling te kunnen vaststellen. De vraag komt namelijk op of het waarderingsvoorschrift voor immateriële activa ook invloed heeft op andere vermogensbestanddelen of dat goodwill als afzonderlijk vermogensbestanddeel moet worden beschouwd.3 De Hoge Raad heeft in HR 20 mei 1953, nr. 11 301, BNB 1953/190 goodwill als volgt gedefinieerd:
‘(…) dat de goodwill tot uitdrukking brengt de winstcapaciteit van een bedrijf boven een normaal rendement van het daarin belegde vermogen en boven een normale beloning van den arbeid van den ondernemer en dat deze aldus in het algemeen vertegenwoordigt de meerwaarde, welke boven dat vermogen aan het bedrijf kan worden toegekend;
dat die meerwaarde kan stijgen zowel door de activiteit van den ondernemer, als door conjunctuur-invloeden en in beide gevallen met evenveel recht van toeneming van de goodwill zelf als van waardevermeerdering van de goodwill kan worden gesproken’
De Hoge Raad laat zich in dit arrest echter nog niet uit over de vraag of in andere vermogensbestanddelen een goodwill element verscholen kan gaan. De Hoge Raad heeft deze vraag nog niet nadrukkelijk beantwoord. In een aantal arresten is deze vraag echter wel zijdelings aan de orde gekomen. In HR 18 december 1969, nr. 16 035, BNB 1969/23 ging het over de vraag hoe de bedrijfswaarde van een pand moest worden bepaald. De Hoge Raad overwoog toen:
‘dat onjuist is de stelling van het middel, dat voor de vaststelling van de bedrijfswaarde van een pand alleen bepalend is de vervangingswaarde in de zin van de reproduktiewaarde van dat pand zijnde de prijs te betalen voor eenzelfde pand;’
De Hoge Raad overwoog dus dat de vervangingswaarde niet bepalend is voor de bedrijfswaarde. Er wordt derhalve naar de opbrengsten gekeken, waarmee impliciet wordt gesuggereerd dat een goodwillelement verscholen kan gaan in de bedrijfswaarde.
In HR 9 november 2001, nr. 36 657, BNB 2002/67 had belanghebbende een zelfstandig gedeelte van een onderneming overgenomen. In geschil was onder andere – in het kader van de jaarwinstbepaling – de toerekening van de koopsom aan goodwill en uitgavenrechten. Hof Amsterdam was van mening dat alleen het deel van de koopsom dat boven de waarde van de tot die zelfstandige onderneming behorende materiële en immateriële activa was voldaan, als goodwill was aan te merken.4 De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de overweging dat de uitleg van de koopovereenkomst is voorbehouden aan het hof. Het hof beschouwt goodwill hier derhalve wel als restpost.
Meussen is van mening dat goodwill uitvloeit over alle activa binnen de onderneming. Hij baseert zich hierbij op BNB 1969/23. Volgens Meussen distantieert de Hoge Raad zich in dat arrest van de opvatting dat de goodwill niet toegerekend hoeft te worden aan alle bedrijfsgebonden activa en passiva.5 Berkhout kan deze conclusies niet uit dit arrest trekken, omdat de Hoge Raad op deze stelling in het geheel niet ingaat.6 Bij toepassing van de bedrijfswaarde moet volgens Berkhout echter wel goodwill worden toegerekend aan de afzonderlijke bedrijfsmiddelen, omdat dit voortvloeit uit de waarderingsregels7
In zijn noot bij BNB 2002/67 betoogt Essers dat goodwill naar zijn aard niet aan enig bedrijfsmiddel toerekenbaar is, maar is verbonden aan (een zelfstandig deel van) de onderneming. Goodwill is zijns inziens derhalve een 'restpost' en niet direct toerekenbaar aan individuele vermogensbestanddelen. Deze definitie doortrekkend zou dit betekenen dat het goodwillverbod zich niet kan uitstrekken tot de afzonderlijke activa, omdat hierin geen goodwill zit verscholen.8
Doornebal concludeert daarentegen dat het waarderingsvoorschrift van artikel 33 Wet Vpb 1969 inhoudt dat bij de waardering van de afzonderlijke niet-immateriële activa op de openingsbalans dient te worden voorkomen dat de waarde van deze activa wordt beïnvloed door eventueel in de onderneming aanwezige goodwill. Alle waardebegrippen waarbij de (netto)inkomensstroom of de (netto)kasstroom, die mede met de te waarderen activa wordt gegenereerd, invloed uitoefenen op de omvang van de waarde van deze activa, dienen zijns inziens als strijdig met artikel 33 Wet Vpb 1969 te worden afgewezen. Volgens hem dient bij een juiste toepassing van artikel 33 Wet Vpb 1969 als meest in aanmerking komende waarderingsgrondslagen te gelden:
Voor activa die zullen worden vervangen door economisch gelijkwaardige activa: de vervangingswaarde, gecorrigeerd voor technische en economische veroudering, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met een eventuele over- of onderrentabiliteit die voortvloeit uit de activiteiten waarbij deze activa worden ingezet;
Voor activa die niet zullen worden vervangen door economisch gelijkwaardige activa: de directe opbrengstwaarde, gecorrigeerd voor de nog te maken kosten.
Bij gebruik van deze waarderingsgrondslagen is het resultaat volgens Doornebal een waarde waarbij vanuit bedrijfseconomisch oogpunt de nodige kanttekeningen kunnen worden geplaatst, omdat deze waarde niet in voldoende mate de economische betekenis van het gewaardeerde goed voor het bedrijf weerspiegelt wegens het buiten beschouwing laten van toekomstige winsten of kasstromen. Deze tekortkoming is zijns inziens echter een rechtstreeks gevolg van het waarderingsvoorschrift van artikel 33 Wet Vpb 1969.9
Indien de vermogensbestanddelen worden gewaardeerd op basis van de bedrijfswaarde, kan daarin een meerwaarde of onderrentabiliteit zijn verscholen. Aangezien met het waarderingsvoorschrift van artikel 33 Wet Vpb 1969 een grote inbreuk op het totaalwinstbeginsel wordt gemaakt en niet nadrukkelijk uit de wet of wetsgeschiedenis blijkt dat het begrip ’immateriële activa’ ruim moet worden uitgelegd, zal mijns inziens van de meest enge interpretatie moeten worden uitgegaan. Ik sluit me hierbij aan bij de visie van Essers; voor de toepassing van artikel 33 Wet Vpb 1969 is goodwill de restpost die niet toerekenbaar is aan individuele vermogensbestanddelen. Mijns inziens is het goodwill-verbod daarom alleen van toepassing op de ‘restpost’ goodwill en dienen de afzonderlijke vermogensbestanddelen wel te worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer, waarbij gebruik kan worden gemaakt van de indirecte opbrengstwaarde.10 Een consistente wetstoepassing waarbij recht wordt gedaan aan het doel van de regeling zou echter wel met zich mee moeten brengen dat het herwaarderingsverbod ook geldt voor negatieve goodwill.