De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten
Einde inhoudsopgave
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/5.3.2:5.3.2 Ontbinding
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/5.3.2
5.3.2 Ontbinding
Documentgegevens:
mr. L.A.R. Siemerink, datum 13-03-2007
- Datum
13-03-2007
- Auteur
mr. L.A.R. Siemerink
- JCDI
JCDI:ADS384401:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ontbinding is het middel voor een schuldeiser om te worden bevrijd van zijn eigen verplichting en leidt tot afstel. Bij ontbinding wordt tussentijds ingegrepen: de partij die ontbinding vraagt, wil - geheel of gedeeltelijk - worden bevrijd van een op haar rustende verbintenis.1 Het zal bij 5P-overeenkomsten voornamelijk om ontbinding door de ISP gaan, maar ook de klant kan de overeenkomst ontbinden en indien gewenst elders een nieuwe soortgelijke overeenkomst sluiten. In dit hoofdstuk staat ontbinding wegens een tekortkoming centraal. Van een tekortkoming is sprake wanneer niet, niet tijdig of niet behoorlijk wordt gepresteerd. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij op grond van art. 6:265 BW de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voorzover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is. Een ingebrekestelling is dan vereist (artt. 6:81 en 82 BW), tenzij art. 6:83 BW van toepassing is. Het maakt geen verschil of de tekortkoming totaal is, dan wel betrekking heeft op een gedeelte of op de kwaliteit. Bovendien mag de tekortkoming ook worden veroorzaakt door een onmogelijkheid van nakoming die reeds ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestond. Het is voor ontbinding niet noodzakelijk dat de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Ook in geval van overmacht van de schuldenaar kan zijn wederpartij de overeenkomst ontbinden.2 De wettelijke bepalingen over ontbinding zijn van regelend recht, zodat partijen bij overeenkomst het recht op ontbinding en de gevolgen ervan kunnen uitsluiten of beperken.
Tekortkoming en ontbinding moeten met elkaar in evenwicht zijn en daardoor wordt bepaald of de schuldeiser in een concreet geval wel of niet mag ontbinden. Het gaat hierbij om het afwegen van de wederzijdse belangen. De contractuele context bepaalt of een tekortkoming voor de schuldeiser á dan niet gering is. In de formulering van art. 6:265 lid 1 BW komt tot uitdrukking, dat op de schuldenaar de bewijslast rust van omstandigheden die meebrengen dat het beroep van de schuldeiser op de ontbindingsmogelijkheid niet gerechtvaardigd is.
Een schuldeiser kan voor een ontbinding niet volstaan met de mededeling dat de door de tegenpartij geleverde prestatie niet deugt, maar moet ook verklaren dat hij op die grond de overeenkomst ontbindt. Ontbinding moet dus worden ingeroepen. Ontbindingsgronden kunnen bij overeenkomst in het leven worden geroepen. De overeenkomst wordt dan van rechtswege ontbonden, hetzij door het in vervulling gaan van een ontbindende voorwaarde, hetzij doordat aan één van de partijen de bevoegdheid is toegekend de overeenkomst door een verklaring te ontbinden indien zich bepaalde feiten of omstandigheden voordoen. Voorbeeld van een beding dat betrekking heeft op de omstandigheden aan de zijde van de klant is een overschrijding van een betalingstermijn:
'In geval van te late betaling is de ISP gerechtigd (...) iedere met de klant gesloten overeenkomst dan wel gedeelten daarvan zonder sommatie of rechterlijke tussenkomst te ontbinden en van de klant volledige schadevergoeding te vorderen.'
Dit beding wijkt af van het bepaalde in art. 6:265 BW e.v. In de eerste plaats is ontbinding ook mogelijk indien de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt, namelijk bij een geringe overschrijding van de betalingstermijn. Vervolgens is ontbinding mogelijk van andere overeenkomsten dan de niet-nagekomen overeenkomst. De ISP zal moeten aantonen dat deze verruiming van zijn ontbindingsrecht gerechtvaardigd is. Een beding dat de ISP dit ontbindingsrecht slechts kan inroepen na vruchteloze aanmaning zou aan dit probleem tegemoet kunnen komen.
Het ligt voor de hand dat de schuldeiser ontbindt met ingang van de dag van de tekortkoming van de wederpartij omdat vanaf dat moment niet naar behoren wordt gepresteerd. De dag van de tekortkoming zal in veel gevallen enige tijd geleden zijn, omdat de schuldeiser niet altijd meteen tot ontbinding overgaat wanneer zijn schuldeiser niet naar behoren presteert. Daarnaast kan het voorkomen dat met ingang van een dag in de toekomst wordt ontbonden.
Dit kan bijvoorbeeld een optie zijn voor een ISP die te maken heeft met een klant die steeds te laat betaalt. Het kiezen van een ontbindingsmoment in de toekomst kan niet naar willekeur geschieden, maar moet aansluiten bij de belangen van zowel ISP als klant en kan dus niet al te ver in de toekomst liggen.