Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.3.3.3.2
8.3.3.3.2 Sectormethode
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291367:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 12 september 2013, zaak C-388/11, V-N 2013/48.15 (Le Crédit Lyonnais).
In gelijke zin: M.M.W.D. Merkx en J. Verbaan, ‘Het werkelijk gebruik ook werkelijk gebruiken (waarvoor het is bedoeld)’, WFR 2018/70, p. 489. Voor de vraag wanneer sprake is van een ‘economische activiteit’ zij verwezen naar de paragraaf 3.4.
M.D.J. van der Wulp, ‘Eén Bossche zwaluw maakt nog geen zomer’, WFR 2020/155, p. 1071.
H.W.M. van Kesteren en S.B. Cornielje, ‘Evenredige aftrek in de BTW: een voorstel tot uitbreiding’, WFR 2015/1077.
Toepassing van de sectormethode veronderstelt volgens art. 173 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn dat de bedrijfsuitoefening van de belastingplichtige uit meerdere sectoren bestaat. Met de sectoren van de bedrijfsuitoefening’ zijn volgens het Le Crédit Lyonnais-arrest1 geen afgebakende geografische gebieden bedoeld, maar afgebakende economische activiteiten.2 Die afbakening wordt gegarandeerd door de eis in art. 173 lid 2, onderdelen a en b Btw-richtlijn dat voor de verschillende economische activiteiten een aparte boekhouding wordt gevoerd. Een voorbeeld van een belastingplichtige met afgebakende economische activiteiten is te vinden in het Abbey National I-arrest. In deze zaak ging het om een fiscale eenheid die twee verschillende economische activiteiten verrichtte: de activiteit als verzekeraar en de commerciële verhuuractiviteit (zie paragraaf 8.2.4.2.4.1). Naar mijn mening zou bij een belastingplichtige met afgebakende economische activiteiten ook gedacht kunnen worden aan een vastgoedfonds met twee soorten verhuuractiviteiten, zoals de verhuur van woonruimte enerzijds en de verhuur van bedrijfsruimte anderzijds, mits voor deze activiteiten een aparte boekhouding wordt gevoerd.
Naar mijn mening voldoet de sectormethode per definitie aan de in paragraaf 8.3.3.3.1 geschetste eisen.3 De verdeelsleutel is namelijk gebaseerd op objectieve gegevens, te weten de omzet van een sector van de bedrijfsuitoefening waarvoor een aparte boekhouding wordt gevoerd. Daarnaast wordt het daadwerkelijke gebruik voor belaste en vrijgestelde handelingen van een afgebakend gedeelte van de bedrijfsactiviteit, de tweede toerekeningsstap (zie paragraaf 8.2.4.2.4), beter benaderd door niet de totale omzet (excl. btw) van belaste en vrijgestelde handelingen in aanmerking te nemen, maar uitsluitend de omzet (excl. btw) van belaste en vrijgestelde handelingen van de sector van de bedrijfsuitoefening waaraan de kosten toerekenbaar zijn.4 Kortom, ook aan de (relatieve) nauwkeurigheidsvoorwaarde wordt voldaan. Een voorbeeld kan dit duidelijk maken.
Voorbeeld
Stel dat in de zaak Abbey National I (zie paragraaf 8.2.4.2.4.1) de verhuuractiviteit van SMA niet alleen bestond uit de belaste verhuur van bedrijfsruimten, maar ook uit vrijgestelde verhuur van bedrijfs- en/of woonruimte. Laten we aannemen dat de omzet van de verhuuractiviteit voor 75% afkomstig is van de belaste verhuur en voor 25% van de vrijgestelde verhuur. Indien de totale omzet van de fiscale eenheid Abbey National, waartoe SMA behoort, slechts voor 10% uit belaste behandelingen bestaat, dan zou de btw op de kosten die zowel toerekenbaar zijn aan de belaste als vrijgestelde verhuur van onroerend goed op basis van de pro ratamethode slechts voor 10% aftrekbaar zijn. Omdat de meerderheid van de vrijgestelde handelingen verzekeringshandelingen van de fiscale eenheid Abbey National betreft waarvoor de ‘vastgoedkosten’ niet zijn gemaakt, sluit het pro rata niet goed aan bij het daadwerkelijke aftrekgerechtigde gebruik van de goederen of diensten die uitsluitend ten behoeve van de vastgoedactiviteit worden afgenomen. Bij toepassing van de sectormethode wordt het daadwerkelijke aftrekgerechtigde gebruik van de afgenomen prestaties beter benaderd, aangezien voor de ‘vastgoedkosten’ uitsluitend de omzet van belaste en vrijgestelde handelingen van de verhuuractiviteit van SMA in aanmerking wordt genomen. Dit resulteert in een btw-aftrek van 75% voor de ‘vastgoedkosten’ in plaats van 10%. Het aftrekpercentage van 10 zal in dit voorbeeld alleen gelden voor de kosten die zowel toerekenbaar zijn aan de verzekeringsactiviteit als de verhuuractiviteit van de fiscale eenheid Abbey National.