Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/9
9 Art. 843a lid 2 Rv, de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel wordt verschaft
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS452757:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Burgerlijke Rechtsvordering (voormalig Van den Dungen, Kluwer, Deventer losbladig), G.R. Rutgers, art. 843a, aantekening 9. Zie ook Ekelmans die op p. 46-48 enkele voorbeelden geeft en daarbij de de rechter die de houder van de stukken toestond om zelf de selectie te maken en die controleerbaar te maken door een index te verstrekken met daarop vermeld de wel en niet verstrekte stukken, creatief noemt (Rb Den Haag 21 september 2005, JBPR 2005, 25).
Rb Rotterdam 3 oktober 1996, JOR 1996, 122 bepalend dat de inzage in de notulen zich moet beperken tot wat daarin is vermeld over het onderwerp 'openbaar bod' en dat dit door tussenkomst van een notaris vastgesteld moet worden.
Rb Breda 14 januari 2004, JOR 2004, 70. In dezelfde zaak is ook het verweer gevoerd dat het rapport ook zuiver adviserende onderdelen kent en dat daar geen inzage in verstrekt hoeft te worden. De rechtbank geeft geen inhoudelijk oordeel over deze vraag, omdat volgens haar deze delen van adviserende aard een onlosmakelijk deel van het rapport uitmaken. Soortgelijk Rb Amsterdam 13 april 2005, JOR 2005, 142.
Hof Den Bosch 28 september 2004, JOR 2005, 23.
Rb Breda 25 oktober 2006, AZ1374. Gelijksoortig Rb Dordrecht 23 juni 2004, AP3695, Rb Utrecht 18 maart 2009, BH6128 en Rb Utrecht 18 maart 2009, BH6556 welke laatste oordeelt dat rekening kan worden gehouden met het feit dat de overeenkomst waarvan inzage wordt gevorderd een concurrentiegevoelig en vertrouwelijk karakter heeft, door aan de verstrekking van het afschrift de beperking te verbinden dat deze onleesbaar wordt gemaakt voor zover dat absoluut noodzakelijk is ter bescherming van dit belang.
Rb Haarlem 20 augustus 2008, te kennen uit Rb Haarlem 22 juli 2009, BJ3588. Rb Amsterdam 2 april 2008, BC9315 overweegt dat geen rechtsgrond bestaat voor het verzoek om te bepalen dat de stukken slechts kunnen worden ingezien bij de advocaat van de inzageverstrekker.
C.J.M Klaassen, Spreken is zilver, zwijgen is fout, NJB 2002, p. 1453.
Rb Zwolle 15 mei 2006, AY5717.
HR 11 juli 2008, BC8421.
HR 20 december 2002, NJ 2004, 4.
Zie ook Rb Rotterdam 25 januari 2006, NJF 2006, 230, die in het kader van art. 162 Rv in een zaak waarin A de rechtbank heeft verzocht om openlegging van boeken te bevelen, waartegen de eigenaar van de boeken bezwaar heeft, overweegt dat een andere rechter wegens de in art. 6 EVRM bepaalde rechterlijke onpartijdigheid zal beslissen van welke delen in de boeken A bevoegd zal zijn om van de inhoud kennis te nemen.
Vergelijk Rb Zutphen 7 mei 2003, JBPR 2003, 66, Rb Amsterdam 2 februari 2005, AT1558, hof Arnhem 13 februari 2007, BA0018 en datzelfde hof op 17 april 2007, NJF 2007, 391.
Aldus een voorstel van een eiser die inzage vordert, te kennen uit Rb Utrecht 1 oktober 2008, BF7386. De rechtbank is niet aan een oordeel over dit voorstel toegekomen.
Lid 2 van art. 843a Rv vermeldt dat de rechter zo nodig de wijze bepaalt waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft. De wijze waarop de rechter dit bepaalt, is vooral van belang indien sprake is van 'bewijsbeslag'. Dit beslag wordt in de literatuur dan ook vooral behandeld indien dit tweede lid van art. 843a Rv aan de orde komt. Omdat hoofdstuk 15 van dit boek is gewijd aan het bewijsbeslag, zal ik daar in deze paragraaf slechts summier aandacht aan besteden.
Volgens Burgerlijke Rechtsvordering1 kan de rechter een derde aanwijzen, die inzage zal nemen en een afschrift of uittreksel zal maken. Die derde kan iemand zijn die tot geheimhouding verplicht is, zoals een notaris, zodat niet meer bekend wordt gemaakt dan voor het beoogde doel nodig is. Een sanctie indien de gedaagde geen medewerking verleent, kent art. 843a Rv niet.
In de meeste gevallen zal de imageverschaffing simpel zijn: de aanvrager dient de kosten voor het maken van de afschriften te betalen en krijgt vervolgens die afschriften. Er wordt hoogst zelden alleen maar inzage verschaft. De feitelijke uitvoering van het recht op inzage betekent in de praktijk bijna altijd 'afgifte van afschriften'. Het imagerecht zou wat dat betreft inmiddels beter afschriftrecht of kopie-afgifterecht genoemd kunnen worden of misschien zelfs wel afgifterecht zonder meer (waar dan wel een verplichting tot teruggave tegenover staat).
Met behulp van de woorden 'de wijze waarop' in dit lid brengt de rechter met enige regelmaat een nadere beperking aan van 'bepaalde bescheiden' in lid 1. Zo kan bijvoorbeeld een vordering tot inzage in notulen van een bepaalde vergadering worden toegewezen, maar de kans is groot dat die notulen ook opmerkingen bevatten over andere onderwerpen dan het onderwerp van geschil. In een dergelijk geval bepaalt de rechter op grond van dit lid twee dat slechts bepaalde passages uit die notulen ter inzage worden gelegd.2 Menken zegt hierover terecht dat de bereidheid van een rechter tot een ruime uitleg van lid 1 kan samenhangen met een nuancering door diezelfde rechter op grond van lid 2.3
Het lid geeft als mogelijkheden 'inzage, afschrift of uitreksel'. Het woord afgifte wordt niet genoemd. Het hof Den Bosch is van oordeel dat met inachtneming van de ratio van art. 843a Rv de beginselen van een goede procesorde met zich kunnen brengen dat inzage ook afgifte kan betekenen.4
Soms zijn de belangen van de bezitter van de informatie zodanig dat voorkomen moet worden dat deze informatie 'op straat' komt te liggen. Zo zal het bijvoorbeeld, ook zonder nadere toelichting, wel duidelijk zijn dat de inhoud van een due diligencerapport niet bij iedereen bekend mag worden. De rechtbank Breda bepaalt dan ook dat een dergelijk rapport ter voorkoming van ongecontroleerde verspreiding van de daarin opgenomen gevoelige informatie alleen maar op de griffie ter inzage gedeponeerd hoeft te worden.5 In het hoger beroep in deze zaak is het hof van oordeel dat het belang om te beschikken over een exemplaar van het due diligence-rapport van de partij die inzage vordert, groter is dan het belang van de andere partij om ongecontroleerde verspreiding te voorkomen. Er dient dus een afschrift van het rapport te worden afgegeven. Het hof verbiedt, op voet van art. 29 Rv, in het dictum de partij die recht krijgt op een afschrift mededelingen te doen aan derden over de gegevens die haar uit dit rapport bekend worden.6
De rechtbank Breda is in een zaak waarin vele gegevens en gegevensdragers in beslag zijn genomen en waarin vervolgens inzage wordt gevraagd, van oordeel dat er zoveel vertrouwelijke gegevens op staan die geheim gehouden moeten worden, dat de machtiging tot inzage uitsluitend wordt verstrekt aan een in te schakelen derde. In het dictum wordt vervolgens onder meer bepaald dat deze derde aan de verzoeker om inzage uitsluitend mededeling mag doen over bepaalde in het vonnis nader omschreven gegevens en dat mogelijk andere aangetroffen informatie uitdrukkelijk niet aan de verzoeker bekend mag worden gemaakt.7 Dergelijke derden kunnen, afhankelijk van de informatie waar het om gaat, geheimhouders als notarissen, advocaten en artsen zijn, maar ook accountants worden regelmatig benoemd. Een accountant heeft weliswaar geen geheimhoudingsplicht met verschoningsrecht maar heeft, gelet op de eigen 'vakregels', wel een geschikt beroep dat het enerzijds mogelijk maakt om het recht op informatieverkrijging te verwezenlijken en anderzijds te voorkomen dat een verzoekende partij vertrouwelijke gegevens verkrijgt.
Uit een vonnis van de rechtbank Haarlem valt af te leiden dat die rechtbank van oordeel is dat een verweer van degene die inzage moet verstrekken inhoudende dat geen inzage verstrekt kan of mag worden gegeven op grond van privacybescherming (nt. JRS: er is in het vonnis geen verdere concretisering gegeven), gepasseerd kan worden door de betreffende stukken ter inzage te geven op het kantoor van verweerder, zonder de stukken af te geven.8
Het lid kent geen sanctie indien een partij onwillig is. Het lijkt voor de hand te liggen dat de rechter, mocht een partij onwillig zijn, daaruit analoog aan onder meer artt. 21 en 22 Rv, de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Er staan de rechter verder geen wetten in de weg om een dwangsom op te leggen om de partij die inzage dient te geven, hiertoe te stimuleren. Klaassen is wat dat betreft van mening dat nadat de rechter heeft geoordeeld dat de plicht tot inzageverstrekking bestaat, er sprake is van een rechtsplicht zodat een dwangsom kan worden opgelegd.9 Onder meer de rechtbank Zwolle legt dan ook een dwangsom op de verplichting tot inzageverschaffing en benoemt een advocaat tot onafhankelijk waarnemer die de inzage als tank krijgt opgedragen.10 Ik heb geen jurisprudentie gevonden waarin een vordering tot het opleggen van een dwangsom indien de verplichting tot inzageverstrekking niet werd nagekomen, werd afgewezen omdat de wet aan toewijzing van de dwangsom in de weg zou staan.
In het De Telegraaf-BVD-arrest11 herhaalt en verfijnt de Hoge Raad de Lightning Casino-norm12 dat er een specifieke vorm van inzage bestaat indien wordt gesteld dat gewichtige redenen zich tegen inzage verzetten. De rechter die gesteld wordt voor de vraag of gewichtige redenen geheimhouding met betrekking tot bepaalde stukken rechtvaardigen, zal die vraag in het algemeen niet kunnen beantwoorden zonder kennis te nemen van die stukken. De rechter zal dan ook kunnen verlangen dat de partij die zich op gewichtige redenen beroept, daartoe medewerking verleent door uitsluitend hem ter vertrouwelijke kennisneming (inzage in) de betreffende stukken te verschaffen. Mocht de rechter tot het oordeel komen dat geheimhouding om gewichtige redenen gerechtvaardigd is, dan vervalt de verplichting tot het geven van inzage. Indien de partij die geheimhouding wenst, vindt dat enkel de rechter bij de beoordeling van de inleidende vordering de stukken mag inzien, mag de rechter enkel op grond van die stukken uitspraak doen, indien de wederpartij ondubbelzinnig toestemming heeft gegeven. De rechter die het geding verder behandelt, zal uit het niet verlenen van die toestemming de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht.
In de volgende gevallen mag de rechter die over de geheimhouding heeft beslist, op grond van de eisen van een behoorlijke rechtspleging geen verdere beslissing in dezelfde zaak meer nemen:
De rechter heeft beslist dat een partij niet verplicht is om inzage te verschaffen waarna de partij die de stukken in bezit heeft niet meedeelt dat met het oog op de beoordeling van de inleidende vordering uitsluitend de rechter inzage mag hebben;
De wederpartij geeft geen toestemming dat enkel de rechter de betreffende stukken mag inzien bij de beoordeling omdat er gewichtige redenen zijn;
De rechter heeft geoordeeld dat er geen gewichtige redenen zijn voor de inzageweigering maar de betrokken partij volhardt in haar weigering tot inzage.
Het bij het derde gedachtestreepje vermelde, is niet in HIR 20 december 2002, NJ 2004, 4 (Lightning Casino) te vinden. Om die reden geeft dit arrest een verfijning van de Lightning Casino-norm (zoals ik enige regels hiervoor schreef).13
Met toestemming van de rechter wordt met enige regelmaat bewijsbeslag gelegd. Het verlof strekt zich dan regelmatig verder uit dan strikt noodzakelijk is om praktische redenen. Zo is het tijdrovend om op een harde schijf precies te vinden wat nodig en mag de hele schijf worden gekopieerd.14 Het is vervolgens aan de partij die inzage vordert en aan de rechter om op grond van lid 2 omzichtig te formuleren van welke bestanden inzage moet worden verschaft, waarbij bijvoorbeeld gebruik gemaakt kan worden van een elektronische zoekmachine om de informatie te selecteren waarbij een onafhankelijk onderzoeksbureau de selectie op trefwoord zal verrichten.15