Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/1
1 Inleiding
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS450400:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een kort geding leidend tot 1-11( 20 september 1991, NJ 1992, 552 m.nt. Vranken.
P. 1 Ledeboer.
Zie W.A.J.P. van den Reek, Mededelingsplichten in het burgerlijk procesrecht.
Zie daarover hoofdstuk drie van dit boek en onder meer Asser-Vranken, Algemeen Deel 1995, nr 19 e.v. en 1-1R 18 december 1925, NJ 1926, p. 228.
Art. 47 lid 1 AWR: Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan — zulks ter keuze van de inspecteur waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.Art. 49 lid 1 AWR: De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling of schriftelijk of op andere wijze — zulks ter keuze van de inspecteur — en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.
Zie ook HR 22 december 2006, NJ 2007, 23.
Zie daarover B. Winters en J. Vossenberg, Vissen in het enquêterecht, Vennootschap&Ondememing 2005, p. 62-65 en 1-1R 20 november 2009, BJ7322.
Zie voor wat de betekenis van dit artikel in een faillissement onder meer de conclusie van AG Huydecoper bij 1-1R 21 januari 2005, NJ 2005, 249 die zeer uitgebreid uitweidt over inzage en rechten op informatie voor betrokkenen bij een faillissement.
Zie bv Rb Utrecht 5 juni 2009, B16346, waar de rechtbank SNS op grond van dit artikel verplicht achtte verantwoording af te leggen met betrekking tot de uitvoering van beleggingsopdrachten. Dit moest geschieden door het verstrekken van een afschrift van de Subscription Agreement tussen SNS en Aldarra Prime Advisor (koopovereenkomst), van het ontvangstbewijs als bedoeld in de e-mail van Ron Ward van 20 januari 2009 (interim receipt for this addition), van een schriftelijke mededeling aan SNS van de beheerder van Aldarra Prime Advisor van begin 2009 waarin wordt gemeld dat naar verwachting het belegd vermogen van Aldarra Prime Advisor geheel is verdwenen, van de fax van 26 november 2008 van SNS aan de beheerder van Aldarra Prime Advisor waarin de kooporder namens eiser zou zijn omschreven, van de betalingsopdracht door SNS aan Fairfield Sigma dan wel aan de door dat fonds aangewezen Custodian Bank, van het na 11 december 2008 verzonden schriftelijk annuleringsverzoek van SNS terzake de op 21 november 2008 geplaatste kooporder aan (de beheerder van) Fairfield Sigma.
Franchisegever A, zaken doende op het terrein van huisdierenvoeding- en verzorging, heeft diverse franchiseovereenkomsten gesloten met een aantal franchisenemers. De franchisenemers hebben onder meer beloofd dat zij alle hondenbrokken zullen afnemen van A waarbij A 5% meer in rekening mag brengen aan de franchisenemer dan A zelf betaalt aan het bedrijf waarvan zij, A, de hondenbrokken afneemt. Op de facturen ter zake de hondenbrokken die A aan alle franchisenemers stuurt, staat vermeld dat de inkoopprijs van A €10,- bedraagt zodat de franchisenemers €10,50 aan A dienen te betalen. Op een bepaald moment heeft franchisenemer B redenen om aan te nemen dat A de brokken niet voor €10,- heeft ingekocht doch voor € 9,- en hij wenst dit te controleren. B vordert dan ook openlegging van de boeken van A zodat hij kan controleren wat de inkoopprijs van A is.
Advocatenkantoor Tripels heeft werkzaamheden voor Masson verricht voor ongeveer € 300.000,- en wil deze werkzaamheden graag betaald hebben. Masson betaalt — grotendeels — niet omdat hij, naar eigen zeggen, geen geld heeft. Tripels gelooft dit niet en is van mening dat Masson als behoorlijk debiteur inzage moet verschaffen in zijn financiële handel en wandel en vordert daarom onder meer afgifte van afschriften van bank- en girorekeningen en effectenportefeuille en overzichten van deelnames van Masson in verschillende vennootschappen en afgifte van de boekhoudkundige administratie van te Jersey en Liechtenstein gevestigde vennootschappen vanaf 1976 tot de dag van het uitbrengen van de dagvaarding.1
Twee concrete voorbeelden van de abstract geformuleerde vraag of er onder omstandigheden een recht op informatie bestaat. Een partij is afhankelijk van informatie die een ander bezit, krijgt enige informatie maar wenst die informatie te controleren op juistheid en volledigheid of krijgt in het geheel geen informatie maar wenst die informatie op goede gronden wel te bezitten. Ledeboer schreef wat dit betreft al in 1888 het volgende:
`Het komt zeer dikwijls voor, dat in een proces de partij die de door haar beweerde feiten moet bewijzen, dit bewijs slechts zal kunnen putten, uit schriftelijke stukken, die zich in handen van hare tegenpartij of derden, niet in het proces betrokken personen bevinden, en de vraag doet zich dan voor, in hoeverre deze tegenpartij of derden verplicht zijn, die stukken aan de bewijsvoerende partij over te leggen.'2
De wens op het bezit van deze informatie kan benaderd worden vanuit meerdere gezichtspunten. Ten eerste vanuit het gezichtspunt van de informatiebezitter: bestaat er voor die informatiebezitter een mededelingsplicht in het burgerlijk procesrecht?3 Zo ja, vanaf welk moment bestaat die mededelingsplicht dan en moet er van rechtswege aan die plicht voldaan worden?
Een ander gezichtspunt is dat vanuit de wensende partij. Iemand wenst informatie te ontvangen. Hoe kan die wens worden afgedwongen en op welk moment? De vraag rijst verder of het feit dat een partij bepaalde informatie zou moeten meedelen, met zich brengt dat de andere partij afgifte van die informatie kan vorderen. Bij deze vraag blijft het niet. Indien er inderdaad een plicht bestaat om informatie te verschaffen,4 rijzen al snel vragen zoals hoever die plicht zich uitstrekt en welke informatie (mondelinge informatie, schriftelijke, digitale, visuele informatie, enz.) verschaft moet worden. De wet kent meerdere artikelen die betrekking hebben op informatieverstrekking. De wet beperkt zich wat dat betreft niet tot enkel het civiele recht. In het Wetboek van Strafvordering hebben onder meer de artt. 96a, 105, 125i en 126a betrekking op afgedwongen informatieverstrekking. In het belastingrecht kennen wij onder andere art. 47 jo. 49 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen5 en de Faillissementswet kent art. 105 en 107.6 Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft behalve art. 843a nog enkele artikelen die betrekking hebben op informatieverstrekking en wel art. 21, 22, 162, 475g en, sinds kort, 1019a. Ook het Burgerlijk Wetboek kent artikelen die betrekking hebben op informatieverstrekking zoals art. 1:377c, art. 2:345 e.v.,7 art. 3:15j,8 in titel 7.7 (opdracht) art. 7:403,9 in het verzekeringsrecht art. 7:932 en art. 7:941 en ten slotte art. 8:494 en art. 8: 495 BW (goederenvervoer over zee). Van de bijzondere wetten waarin een persoon verplicht wordt om soms informatie te geven noem ik art. 9.2 van de Wet op de Studiefinanciering 2000 (WSF 2000) waarin de verplichting is opgenomen om, kort gezegd, aan de 1B-Groep de ten behoeve van de uitvoering van de WSF 2000 benodigde inlichtingen over zichzelf te geven. Art. 4:90b Wet op het Financieel Toezicht bepaalt in lid 9 dat een beleggingsonderneming op verzoek van een cliënt moet aantonen dat die onderneming voor hem een order heeft uitgevoerd in overeenstemming met het orderuitvoeringsbeleid. Hiermee is een mogelijk inzagerecht verleend.
In het hierna volgende staat echter art. 843a Rv centraal. Dit artikel regelt, kort gezegd, het recht op inzage in bepaalde bescheiden en valt daarmee onder het algemenere leerstuk van de informatieverstrekking, maar ook onder dat van het bewijsrecht. Andere artikelen die betrekking hebben op informatievoorziening komen in het hierna volgende niet, of hoogstens zijdelings aan de orde.