Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.9.1:2.9.1 Wet- en regelgeving, algemeen
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.9.1
2.9.1 Wet- en regelgeving, algemeen
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469257:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de 11e druk van De Blieck e.a., p. 509.
Verslag van de commissie ter herziening van het fiscaal strafrecht en strafprocesrecht, 1936, ’s Gravenhage, p. 4.
Idem, p. 36.
Vlak daarvoor had de minister nog aangegeven dat het te verdedigen was dat het opleggen van de zware verhogingen bij de (straf)rechter thuis behoort. Zie Verslag van het Mondeling Overleg, tevens Eindverslag (TK, vergaderjaar 1957-1958, nr. 7, p. 10).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Totstandkoming van de AWR
Nadat de Nederlandse overheid in de jaren na de bezettingsperiode weer orde op zaken had gesteld, werden de Duitse bezettingsbesluiten in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw langzamerhand vervangen door Nederlandse materiële belastingwetgeving. Vaak sloot de nieuwe materiewetgeving, waartoe toen ook nog het formele belastingrecht behoorde, min of meer aan op de regelingen uit de bezettingstijd. Het gevolg was dat zowel het materiële als het formele belastingrecht verspreid was over verschillende regelingen en niet echt een eenheid vormde. Dit vormde een van de redenen om de belastingwetgeving in het geheel te herzien.
Commissie Van den Berge (de Vereenvoudigingscommissie)
Door de toenmalige minister van Financiën Lieftinck werd een Vereenvoudigingscommissie ingesteld, die als doel had om op korte termijn met voorstellen te komen voor een vereenvoudigde belastingwetgeving. Deze commissie, onder voorzitterschap van dr. W.H. van den Berge, bracht in 1954 haar eindrapport uit en voegde daarbij conceptontwerpen voor een algemene wet, de AWR, en acht heffingswetten. In de concept-AWR werden onder andere de formeelrechtelijke bepalingen die verspreid waren over verschillende materiewetten samengebracht, waaronder de voorschriften met betrekking tot het boete- en strafrecht. Ten aanzien van deze laatste onderwerpen kon de Commissie Van den Berge overigens putten uit het ‘voorwerk’ dat de Commissie Van den Dries had verricht.1 Laatstgenoemde commissie, die in 1929 door de Minister van Justitie was ingesteld, had als taak voorstellen te doen tot uniformering van het fiscaal straf- en strafprocesrecht. In 1936 bracht deze commissie, ook bekend als de Commissie Van den Dries, haar rapport uit.
Commissie Van den Dries
De Commissie Van den Dries kreeg destijds van de Minister van Justitie de opdracht mee om rekening te houden met de specifieke belangen van het fiscale straf- en strafprocesrecht:
“[…] de belangen tot welker bescherming het fiscaal strafrecht strekt, behooren tot de levensbelangen van de Staat, dien niet kan blijven functioneren, wanneer hem het verschuldigde wordt onthouden. En met moet in dit verband ook denken aan de rechtmatige belangen van de eerlijke belastingbetalers, die onevenredig zwaar worden belast, wanneer anderen in den een of anderen vorm fraudeeren. In een fiscaal stelsel, dat gelijk het onze, in zoo hoge mate berust op eigen aangifte, kan, gelijk de praktijk leert, gestrengheid niet worden ontbeerd.”2
De Commissie Van den Dries keek echter niet alleen naar het fiscale strafrecht, maar ook naar het bestuurlijke boeterecht en de verhouding tussen beide rechtsgebieden. De Commissie was van oordeel dat het strafrecht moest worden ingezet wanneer gevangenisstraf of verbeurdverklaring opportuun was. Ook vond de Commissie dat het strafrecht in beeld moest komen in de gevallen waarin het wenselijk was dat bij de opsporing en berechting een beroep kon worden gedaan op de dwangmiddelen uit het Wetboek van Strafrecht. Volgens de Commissie Van den Dries kon de bestuurlijke boete worden gereserveerd voor gevallen waarin weinig discussie bestaat over de overtreding en vragen van schuld niet van groot belang zijn, want:
“Onder die omstandigheden kan […] de administratieve boete boven de strafrechtelijke boete de voorkeur verdienen ter vermijding van aan het belang van den zaak onevenredig ambtelijke bemoeiingen, ter bevordering van eene vlotte afwikkeling en ter voorkoming van het betrekken van overtreeders in eene justitieele strafvordering”.3
De Commissie van den Dries had dus ook oog voor de uitvoerbaarheid van het bestuurlijke boeteproces. De minister heeft uiteindelijk deze praktische invalshoek als uitgangspunt genomen, omdat hij het ‘volslagen onmogelijk [achtte], de hiervoor bedoelde feiten rechtsreeks door de strafrechter te laten beoordelen’.4 Daardoor werd de belastingadministratie tóch belast met het beoordelen van relatief moeilijke kwesties rondom opzet en grove schuld, wat door de Commissie Van den Dries niet bepaald werd aangeraden.