Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/9.5.3.2:9.5.3.2 Codificatie begrotingsnormen
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/9.5.3.2
9.5.3.2 Codificatie begrotingsnormen
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456489:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2, derde lid, Wet HOF. Zie hierover ook: Reestman 2013b, p. 18 en Reestman 2013d. Reestman toont zich in het laatstgenoemde artikel zeer kritisch over de Wet HOF, die volgens hem onduidelijke verwijzingen en definitiefouten bevat. Hoewel hij zeker een punt heeft, laat ik dit hier verder buiten beschouwing, gelet op het technische karakter van die discussie.
Zie ook: Reestman 2013d.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een tweede bijzonderheid van de Wet HOF is dat die slechts in algemene zin verwijst naar de Europese begrotingseisen, zonder nadere kwantificering.1 Het voordeel hiervan is volgens de memorie van toelichting dat er bij eventuele aanscherpingen van de Europese normen geen wetswijzigingen nodig zouden zijn.2 Hoewel dat een steekhoudend argument is, doet dit gegeven mijns inziens wel afbreuk aan een van de redenen achter het opnemen van Europese begrotingsafspraken in de Wet HOF. Volgens de memorie van toelichting gaat:
‘[v]an nationale wettelijke verankering van de vereisten [...] een heldere disciplinerende werking uit, die laat zien dat de lidstaten de urgentie en noodzaak zien van het op orde brengen van het functioneren van de Economische en Monetaire Unie en het wegnemen van de onrust op de financiële markten. De zichtbaarheid van Europese begrotingsafspraken op nationaal niveau wordt vergroot. Ook kan een nationale wettelijke verankering van de Europese begrotingsafspraken het nationale “eigenaarschap” van de Europese afspraken vergroten.’3
Verder stelde de regering in het kader van de parlementaire behandeling van de goedkeuringswet bij het Stabiliteitsverdrag:
‘De toegevoegde waarde van het nationaal wettelijk verankeren van het structureel begrotingsevenwicht is de verplichting dat evenwicht structureel na te leven direct door nationale parlementen te laten legitimeren in plaats van indirect via de regels van de EU. In principe hebben de regels van de EU voldoende bindende kracht, echter in dit uitzonderlijke geval bestond de wens dat de aard van de regels die de nationale begroting raken een nationale parlementaire bevestiging van die regels rechtvaardigen om de naleving daarvan beter te kunnen verzekeren.’4
Of codificatie van de Europese begrotingsnormen daadwerkelijk deze gevolgen heeft, valt mijns inziens te betwijfelen. Waarom zou een verplichting die al bestond op grond van EU-regelgeving beter worden nageleefd door een wettelijke verankering daarvan? Voor zover daarvan echter sprake is, is het wat mij betreft de vraag in hoeverre bovenstaande voordelen van wettelijke verankering van de Europese normen zullen optreden, op het moment dat de nationale wet slechts verwijst naar die normen, zonder de concrete grenzen te benoemen.5 Als het de bedoeling is van de Wet HOF om via meer zichtbaarheid van de Europese begrotingsafspraken de naleving daarvan te bevorderen, was het dan niet beter geweest om die normen ook uitdrukkelijk in de wet op te nemen? Mijns inziens zou op die manier het doel achter de wet meer bereikt worden. Ook zou in dat geval een aanpassing van de Europese begrotingseisen juist meer aandacht krijgen, door de benodigde wetswijziging. De regering maakte echter uit praktische overwegingen een andere keuze.