Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.3.1
2.3.1 De onderneming
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS388492:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ten aanzien van het begrip onderneming in art. 2:344 BW wordt aangesloten bij het begrip onderneming in de zin van de WOR. Kamerstukken II, 22400 nr. 2, p. 11. Een winstoogmerk is dus niet vereist. Zie ook Josephus Jitta, T&C Ondernemingsrecht en Effectenrecht, art. 2:344 BW aant. 2.
P. van Schilfgaarde, J.W. Winter, J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 20.
Een ander arbeidsrechtelijk ondernemingsbegrip is te vinden in art. 7:662 e.v. Dit begrip behandel ik hier verder niet. Zie hiervoor. R.M. Beltzer, Overgang van onderneming in de private en publieke sector, Deventer: Kluwer 2008, p. 6-37.
Voor het ondernemingsbegrip in de zin van de WOR is niet relevant of de ondernemer ook daadwerkelijk de formele werkgever is. Ook is niet relevant of de contractuele relatie een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht is.
J.B.H. Hoyink, Fusiegedragsregels 2000 commentaar, Den Haag: SER 2000, p. 15.
Kamerstukken II, 1969-1970,10335, nr. 3, p. 15. Zie ook: Hoge Raad 21 oktober 1988, NJ 1988, 697 (Johnny Hoes).
Kamerstukken II, 1991-1992, 22400, nr. 3, p. 11.
Vgl. M.P. Nieuwe Weme, ‘De juridische definitie van het verschijnsel onderneming in sociaalrechtelijke zin’, De NV 1998-1.
W.F. de Gaay Fortman, De onderneming in het arbeidsrecht, Amsterdam: H.J. Paris 1936 p. 7. Zie ook: P. Borst, Medezeggenschap der arbeiders in de onderneming. Met betrekking tot economische aangelegenheden. Calvinistische Juristenvereniging 1951 p. 5. Dit onderscheid is afgeleid van de begrippen Unternehmen en Betrieb in het Duitse recht. Volgens De Gaay Fortmann zijn de twee verschillende ondernemingsvormen wel van elkaar te scheiden, maar niet te onderscheiden. Naar het oordeel van Houwing en Haardt hebben ook ondernemingen zonder winstoogmerk een economische kant. Ph.A.N. Houwing, W.L. Haardt, Vennootschapsrecht en medezeggenschap. Advies van de Vereniging “Handelsrecht', Zwolle: N.V. Uitgeversmaatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1950, p. 6. Zie voor een vergelijking met de begrippen in het Duitse recht ook: J. Roest, Medezeggenschap van werknemers bij financieel-economische besluiten. Met enige beschouwingen naar Duits recht, Deventer: Kluwer 1996, p. 117-118.
F.J.H.M. van der Ven, Bedrijfsleven en democratie, Leiden: H.E. Stenfert Kroese N.V 1955, p. 191.
H. Luijk, ‘Vragen van semantiek en systematiek in verband met de Wet op de ondernemingsraden’, De NV, 1970-3, p. 48. Volgens Luijk had het meer voor de hand gelegen aan te sluiten bij de bredere termen personeelsraad en organisatie.
H.J.M.N. Honée, Concernrecht en medezeggenschapsregelingen, Deventer: Kluwer 1981, p. 82.
Honée wijst erop dat de wetgever hier niet aansluit bij de ‘werkgever’, terwijl ten aanzien van de ondernemingsovereenkomst wel aangesloten wordt bij de arbeidsovereenkomst. H.J.M.N. Honée, Concernrecht en medezeggenschapsregelingen, Deventer: Kluwer 1981, p. 86.
Ph.A.N. Houwing, W.L. Haardt, Vennootschapsrecht en medezeggenschap. Advies van de Vereniging “Handelsrecht”, Zwolle: N.V. Uitgeversmaatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1950, p. 6.
De termvennootschap wordt ook gebruikt voor de contractuele (personen)vennootschappen, zoals de V.O.F., de maatschap en de CV.
Binnen het vennootschapsrecht speelt het begrip onderneming een belangrijke rol. De onderneming staat niet gelijk aan het begrip vennootschap of rechtspersoon dat in het vennootschapsrecht wordt gehanteerd. Ondanks dat het begrip onderneming verschillende malen wordt genoemd in Boek 2 BW – ik wijs bijvoorbeeld op art. 2:140/250 en art. 2:107a en 2:344 BW1) – kent het vennootschapsrecht geen definitie van het begrip onderneming . Van Solinge en Nieuwe Weme omschrijven onderneming als: “een organisatie waarin kapitaalverschaffers en werknemers onder leiding van een ondernemer of bestuur samenwerken tot de productie van goederen of diensten welke gericht is op een duurzame verwerving van inkomen ten behoeve van de samenwerkenden.”2 Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman kiezen voor de definitie: “organisatorisch verband, gericht op duurzame deelneming aan het economische verkeer.”3 Het Handelsregisterbesluit bevat sinds 2007 wel een definitie van het begrip onderneming. Deze luidt: “van een onderneming is sprake indien een voldoende zelfstandig optredende organisatorische eenheid van één of meer personen bestaat waarin door voldoende inbreng van arbeid of middelen, ten behoeve van derden diensten of goederen worden geleverd of werken tot stand worden gebracht met het oogmerk daarmee materieel voordeel te behalen” (art. 2 Handelsregisterbesluit).
In de WOR is ook een definitie van het begrip onderneming te vinden.4 Art. 1 lid 1 sub c WOR omschrijft onderneming als: “elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst arbeid wordt verricht.”5 Dezelfde definitie is te vinden in de SER-fusiegedragsregels.6 Volgens de memorie van toelichting bij de WOR is doorslaggevend of het samenwerkingsverband in de maatschappij als zelfstandige eenheid optreedt. Het gaat hierbij uitsluitend om het zich naar buiten presenteren, met name door onder eigen naam werkzaam te zijn.7 Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer de onderneming haar producten rechtstreeks aan het publiek aanbiedt. In Boek 2 BW wordt ook wel aangesloten bij het arbeidsrechtelijke ondernemingsbegrip. Zo bepaalt art. 2:344 lid 2 BW dat een vereniging of stichting onderworpen kan worden aan het enquêterecht indien zij een onderneming in stand houdt waarvoor ingevolge de wet een or moet worden ingesteld. Hierbij wordt aangesloten bij het begrip onderneming in zin van de WOR en is dus geen winstoogmerk vereist.8 Met de toevoeging van het begrip onderneming in art. 2:140/250 BW wordt ook verwezen naar de werknemers en niet naar een winstoogmerk.9
De Gaay Fortmann heeft in 1936 onderscheid gemaakt tussen de onderneming in technisch-organisatorische zin die haar fundering in het arbeidsrecht vindt en de onderneming in economisch-organisatorische zin, zoals zij in het Handelsrecht wordt gezien.10 Van der Ven voegt hieraan toe dat de aanduiding onderneming in technisch-organisatorische zin betrekking heeft op de interne verhoudingen en de onderneming in commercieel-organisatorische zin ziet op de externe betrekkingen van de onderneming.11
Het begrip onderneming in de zin van de WOR is dus breder dan de gangbare definitie in het vennootschapsrecht, omdat ook niet-commerciële instellingen onder het toepassingsgebied van de WOR vallen. Beoogd is een zo groot mogelijke reikwijdte te geven aan de WOR. Volgens Luijk speelde tevens mee dat de naam ondernemingsraad al bestond, toen men een breder toepassingsgebied voor de WOR bedacht.12 Volgens Honée hebben ook de politieke ontwikkelingen rond het jaar 1976 eraan bijgedragen dat gekozen is voor een andere terminologie dan gebruikelijk is in het vennootschapsrecht.13
Van de verschillende (invullingen van de) begrippen onderneming moet het begrip ondernemer (1 lid 1 sub d WOR) worden onderscheiden. Dit is de natuurlijke- of rechtspersoon die de onderneming in stand houdt.14 Dit kunnen één of meer natuurlijke personen zijn, wanneer de onderneming wordt gedreven in een personenvennootschap of eenmanszaak, of een rechtspersoon. De onderneming is voor extern optreden altijd afhankelijk van een of meer ondernemers, nu zij geen zelfstandig rechtssubject is.15 In deze dissertatie beperk ik mij tot ondernemingen die in stand worden gehouden door rechtspersonen in de rechtsvorm van de BV en de NV, ook wel met het begrip vennootschap aan te duiden.16 De ondernemer in de zin van de WOR staat daarmee gelijk aan het hierna te bespreken begrip vennootschap.