Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.4.2.5.1
8.2.4.2.5.1 Securenta-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291191:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 30 maart 2006, zaak C-184/04, V-N 2006/18.25, r.o. 24 (Uudenkaupungin Kaupunki).
HvJ EG 16 juli 2015, gevoegde zaken C-108/14 en C-109/14, BNB 2016/25, m.nt. Swinkels, r.o. 33, tweede streepje (Larentia+Minerva/Marenave).
S.B. Cornielje en H.W.M. van Kesteren, ‘Breuklijnen in de btw: samenloop van pro rata en pre-pro rata’, TFO 2020/166.3, p. 23.
In het Uudenkaupungin Kaupunki-arrest1 herinnert het Hof eraan dat de btw die in een eerder stadium is geheven over de goederen en diensten die een belastingplichtige in het kader van zijn belaste handelingen gebruikt, kan worden afgetrokken. De btw-aftrek hangt dus samen met de inning van btw in een later stadium. Wanneer goederen en diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen of onbelastbare handelingen, is – aldus het Hof – geen sprake van heffing van btw in een later stadium noch van aftrek van voorbelasting. Deze overweging heeft het Hof sindsdien vele malen herhaalt. Een belastingplichtige die goederen en diensten ten behoeve van één of meer onbelastbare handelingen heeft afgenomen, handelt bij de aanschaf niet als zodanig waardoor hiervoor geen recht op aftrek ontstaat. Om die reden is de eerste stap beperkt tot goederen en diensten die een belastingplichtige ten behoeve van één of meer belastbare handelingen heeft afgenomen (zie paragraaf 8.2.4.2.2).
Voor het ontstaan van een recht op btw-aftrek is evenwel niet vereist dat de afgenomen goederen en diensten uitsluitend zijn afgenomen ten behoeve van de belastbare handelingen van een belastingplichtige. Van een aanschaf als belastingplichtige is – gelet op de ruime uitleg van de hoedanigheidsvoorwaarde – ook sprake indien de belastingplichtige de afgenomen goederen zowel ten behoeve van zijn belastbare als zijn onbelastbare handelingen heeft verworven (zie paragraaf 8.2.4.1.3.3). Ter zake van deze kosten heeft het Hof in het Securenta-arrest duidelijk gemaakt dat de tweede stap alleen van toepassing is indien de afgenomen goederen uitsluitend zijn afgenomen ten behoeve van de belastbare handelingen (zie paragraaf 8.2.4.2.3). Voor de goederen en diensten die een belastingplichtige zowel ten behoeve van zijn belastbare als zijn onbelastbare handelingen heeft verworven, zal daarom vastgesteld moeten worden in hoeverre hij de afgenomen goederen en diensten ten behoeve van zijn belastbare handelingen heeft afgenomen. Een consequente toepassing van de Midland Bank-doctrine brengt met zich dat aan deze vaststelling de gevolgtrekking moet worden verbonden dat in zoverre sprake is van een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang met de gehele bedrijfsactiviteit (zie paragraaf 8.2.4.2.3).2 Het Hof van Justitie duidt in deze situatie uitsluitend het deel van de kosten dat toerekenbaar is aan de belastbare handelingen aan als algemene kosten.3