Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/V.2.2.4
V.2.2.4. Beperkte mogelijkheden
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS574420:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover De Bruijn-Soons-Kleijn, Het Nederlandse Huwelijksvermogensrecht p. 644 e.v. en de daar aangehaalde literatuur en Klaasen-Eggens Luijten, Huwelijksgoederenrecht, p. 318.
Stel een bruid zonder afstammelingen beschikt bij huwelijkse voorwaarden als volgt: ‘in afwijking van de wettelijke bepalingen ten aanzien van het erfrecht van mijn echtgenoot, verklaar ik hem ter zake van mijn voorgenomen huwelijk een gift te doen van het 1/8 deel van mijn zuivere nalatenschap’. Deze beschikking voorkomt niet dat de echtgenoot optreedt krachtens versterferfrecht voor het 7/8 deel waarover niet is beschikt. Eggens, Rechtsvraag I, WPNR 3512 (1937).
Zie Pitlo-Van der Burght-Rood-de Boer, Personen- en Familierecht p. 417 en Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht 6, nr. 575.
Niet alleen waren de contractuele erfstellingen en legaten beperkt inzetbaar (slechts ten behoeve van (aanstaande) echtgenoten), maar ook beperkt wat betreft de te maken beschikkingen.1 Geconstateerd werd reeds dat de ouderlijke boedelverdeling van art. 4:1167 BW (oud) niet gebruikt kon worden. Art. 146 lid 1 BW (oud) spreekt van ‘giften doen’, hetgeen met zich brengt dat, bijvoorbeeld, een onterving niet mogelijk is.2
Anderen dan de echtgenoot mogen niet bevoordeeld worden, ook niet door middel van een last. Dit neemt niet weg dat een vruchtgebruiklegaat ten behoeve van de echtgenoot mogelijk is, zij het dat een benoeming van de erfgenamen-hoofdgerechtigden in de huwelijkse voorwaarden niet zal slagen. Plaatsvervulling van rechtswege is er niet (art. 1:147 lid 3 BW (oud)), hetgeen niet vreemd is gelet op het feit dat de contractuele erfstellingen en legaten zich in de testamentaire sfeer bevinden. Een plaatsvervullingsclausule is ook onmogelijk. Het betreft immers een subsidiaire benoeming van een derde. Bij dit alles sluit aan dat het instellen van een fideï commis eveneens onmogelijk was. Wel kan, mijns inziens, bij testament een fideï commis zijn ingesteld en bij contractuele erfstelling of legaat de echtgenoot als verwachter of bezwaarde zijn aangewezen.
Geleerd werd dat de instelling van een bewind of executele ook mogelijk was, zij het dat de instelling niet onherroepelijk was, en de akte van huwelijkse voorwaarden gekwalificeerd kon worden als bijzondere notariële akte (art. 4:1052 BW (oud) en art. 4:1066 BW (oud)).3